Een archeologie-canon

Zomaar eens een foto van een archeologische stratigrafie

Gisteren bood ik op deze plaats een overzicht van een kleine veertig dingen die mensen zouden moeten weten over geschiedvorsing. Aangezien de historische canon van Van Oostrom / Kennedy geschiedenis presenteert als het ene feit na het andere, wilde ik toch eens benadrukken dat geschiedenis ook een wetenschap is.

Een van de trouwste lezers van deze blog, CK uit het archeologisch en historisch zo rijke Nijmegen, wees me erop dat een archeologiecanon ook niet zou bestaan uit een lijst van losse opgravingen, maar uit een lijst van methodische en technische vernieuwingen. In een telefoontje bespraken we dat archeologen, doordat ze de wetenschappelijke dimensie almaar niet benoemen en zich verschuilen achter de monumentenwetgeving, zélf de reden zijn waarom een staatssecretaris van Cultuur zich afvraagt wat hij aan moet met musea vol opgegraven potten en pannen, waarom de limesvoorlichting zo verrekte contraproductief is, waarom een hoogleraar publiek begrip van wetenschap de raarste dingen kan vertellen over het Rijksmuseum van Oudheden en waarom De Volkskrant archeologie te onbelangrijk vindt om iets te rectificeren. Een Nijmegenaar herinnert zich natuurlijk ook de aquaductenaffaire en de affaire in de buurgemeente Cuijk.

Lees verder “Een archeologie-canon”

De historische canon

Stelt je voor dat astronomen een canon zouden opstellen van wat iedereen over hun vak moest weten. Zou dat een overzicht opleveren van sterrenbeelden? Nee natuurlijk. Ze zouden de telescoop, de periodieke terugkeer van kometen, radioastronomie en zwaartekrachtgolfdetectors noemen. Een wetenschap onderstreept haar belang immers niet met de objecten die ze onderzoekt, maar met de ontdekte patronen. En haar vooruitgang blijkt uit vernieuwende methoden, nieuwe soorten inzicht en nieuwe bijdragen aan andere disciplines.

Het is, dacht ik althans, logisch je niet te presenteren met de onderzoeksobjecten. Presenteer een wetenschap als wetenschap. De canon die de Commissie Van Oostrom voor de Nederlandse geschiedenis heeft opgesteld, beperkt zich echter wel tot de objecten en draagt zo bij aan het beeld dat geschiedvorsing geen echte wetenschap is. Het gaat om hunebedden, de Romeinse limes, Karel de Grote en wat dies meer zij. Onderwerpen, kortom, die zich lenen voor een blogje hier of een causerie daar, maar die niet tonen waarom geschiedenis een wetenschap is. Hieronder is mijn alternatief.

Lees verder “De historische canon”

Tweemaal de Gouden Eeuw

Of Hesiodos een historisch personage is, staat te bezien, maar dat heeft antieke beeldhouwers er niet van weerhouden zijn portret te maken. Deze mooie kop is in het British Museum, Londen.

1.

Oké, die Gouden Eeuw, waar komt die nou weer vandaan? Antwoord: dat weten we niet. De oudste vermelding van de mythe is te vinden in de Werken en dagen van de Griekse dichter Hesiodos, die u moet plaatsen in de achtste eeuw v.Chr. Zoals wel meer mensen in de Oudheid meende hij dat het in de loop der tijden van kwaad tot erger was gegaan. Eerst was er een paradijselijke gouden eeuw, toen een zilveren eeuw, een bronzen eeuw, een eeuw van helden en tot slot een ijzeren eeuw.

En daarmee hebben we het probleem bij de kuif. Vier metalen van afnemende waarde onderbroken door een eeuw van helden. Het lijkt erop dat Hesiodos zich de Mykeense tijd herinnerde en die integreerde in een ouder mythisch schema. Er moet dus vóór Hesiodos een verhaal zijn geweest over vier tijdperken. We vinden die een slordige acht eeuwen ná Hesiodos bij de dichter Ovidius, die dus weliswaar jonger is, maar een oudere fase documenteert in een traditie die we niet kennen. Cassius Dio maakte het lijstje overigens nog beter door een gouden eeuw te laten degenereren tot ijzer en roest.

Lees verder “Tweemaal de Gouden Eeuw”

Vondel in Keulen, bis

Gedenksteen voor Vondel in Keulen

Een tijdje geleden blogde ik over een bezoekje aan Keulen, waarbij ik in de Große Witschgasse vergeefs had gezocht naar het gedenksteentje op het geboortehuis van Joost van den Vondel. Ik schreef:

De moderne straat herinnerde ik me goed. De seksbioscopen in de omgeving herinnerde ik me eveneens goed. De nabijheid van de Rijn herinnerde ik me eveneens correct. Maar die gevelsteen? Niets.

Speelt mijn geheugen me parten? Het zou kunnen. Ik ben vierenvijftig. Heb ik slecht gekeken in een drukke straat? Kan ook. Of is die gevelsteen verwijderd? Het zou ook kunnen. Ging het om het huis dat in verbouwing was? Ik weet het niet maar in elk geval hoort er op die plek gewoon een gevelsteen te zijn, klaar.

Lees verder “Vondel in Keulen, bis”

Vondel in Keulen

Vondel is geboren in de Große Witschgasse in Keulen

Niemand leest Vondel nog maar hij zou de held kunnen zijn van de burgerlijke samenleving. Hij nam zijn verantwoordelijkheid en was bereid zijn mond open te trekken als dat zijns inziens nodig was. Prins Maurits had als militair genie een ereplek kunnen hebben in de Europese geschiedenisboeken, maar dankzij Vondels Stockske en Palamedes is prins Maurits voor eeuwig de man van de gerechtelijke moord op Van Oldenbarnevelt. Laat niemand zeggen dat literatuur bijzaak is.

Vondel is ook actueel. De burgerlijke samenleving garandeert gewetensvrijheid en in de Nederlanden misschien wel meer dan elders, want het was een van de redenen waarom men hier in opstand kwam tegen de Spaanse koning. Vondel kende het belang van deze waarde. Zijn geestelijke biografie staat in het teken van zijn keuze voor het katholicisme, een in die tijd niet populaire religie, in Holland hooguit gedoogd. Alsof je nu de islam omhelst. Maar een kwezelige bekeerling was Vondel niet, want hij kon moordend effectief schrijven over de uitwassen van religie, zie zijn Jeptha. En dan heb ik het nog niet over het simpele gegeven dat Vondels oeuvre een voorbeeld is van migrantenliteratuur. Vondel zou de held kunnen zijn van de burgerlijke samenleving.

Lees verder “Vondel in Keulen”

Oudheidkunde en oudheidkundes

Niet dat dit theatermasker uit het museum in Thessaloniki iets wezenlijks over oudheidkunde overdraagt, maar ach, het is wel zo aardig.

Het kwam vorige week even ter sprake: wat is eigenlijk het verschil tussen al die oudheidkundige disciplines? Misschien is het zinvol om wat begripsverheldering te bieden, temeer omdat ik nogal eens word geconfronteerd met mensen die niet begrijpen dat geschiedenis een vak is.

De classici

De oude wereld wordt vanouds bestudeerd door mensen die ik classici zal noemen. Die staan in een prachtige traditie, teruggaand op de Renaissance, toen de inzet was dat de mensen graag beter wilden schrijven en de Oudheid als voorbeeld namen. Er waren destijds ook geleerden die de Oudheid niet zozeer wilden volgen maar gewoon wilden kennen. In feite zijn deze attitudes nog altijd aanwezig: er zijn nog volop classici die vooral bewondering voelen voor wat inderdaad mooi is – het boek van Simon Goldhill dat ik ooit besprak is een voorbeeld – en er zijn mensen die hun vakgroep liever “Griekse en Latijnse taal en cultuur” noemen. Meestal worden ze samen aangeboden, al oogt dat toch een beetje alsof je het hebt over de faculteit “Franse en Duitse taal en cultuur”, maar zo vreemd is dat niet: een groot deel van de Romeinse literatuur is nu eenmaal in het Grieks. Veel opvallender is eigenlijk de afwezigheid van het Aramees voor wie de literatuur en cultuur van de Romeinen wil bestuderen.

De archeologen

De tweede grote groep wetenschappers die zich met de oude wereld bezighoudt, zijn de archeologen. Oorspronkelijk waren dat vooral kunsthistorici à la Winckelmann, die de bewonderende houding deelden met sommige classici. Ik kan ver met hen mee gaan. Als ik niet meer minimaal eens per week zou denken “dit is mooi”, zou ik ander werk moeten gaan zoeken.

Lees verder “Oudheidkunde en oudheidkundes”

Gezicht op Palmyra

Restauratie van het “Gezicht op Palmyra” van Gerard Hofstede van Essen (Allard Pierson-museum, Amsterdam)

Gisbert Cuper was, behalve burgemeester van Deventer, een van die wonderlijke geleerden uit de zeventiende, achttiende eeuw: de te weinig bezongen voorgangers van de professionelere wetenschap die later zou ontstaan, liefhebbers van kennis, even rusteloos als creatief zoekend naar informatie, vol van de ideeën van de vroege Verlichting. Cupers specialisme was Palmyra, de in 1691 voor het eerst door westerse bezoekers aangedane woestijnstad in Syrië. Weliswaar heeft hij zelf Palmyra nooit bezocht, maar hij was voor die tijd buitengewoon goed geïnformeerd. Dat was eenvoudiger dan u misschien denkt, want er was aan het einde van de zeventiende eeuw een Nederlandse handelskolonie in Aleppo, die namens hem munten kocht en informatie doorspeelde, zoals een afschrift van het reisverslag van de Engelsman William Halifax, die in 1691 als eerste Europeaan Palmyra bereikte.

In Cupers huis hing sinds 1694 een ruim vier meter breed schilderij, dat in 1693 is vervaardigd door de verder nauwelijks bekende schilder Gerard Hofsted van Essen. Deze lijkt deel te hebben genomen aan de expeditie van Halifax. De schetsen die Hofsted maakte, zouden ook worden gebruikt voor de prent van Palmyra die Halifax in 1695 toevoegde aan zijn officiële publicatie. Op dat moment waren er dus twee afbeeldingen van Palmyra: het schilderij uit 1693 en de prent uit 1695, die beide teruggingen op schetsen die Hofsted in 1691 had gemaakt.

Lees verder “Gezicht op Palmyra”

Bruiloftslied

Gijsbrecht en Badeloch (Vondelbrug, Amsterdam)

Waer werd oprechter trouw
Dan tusschen man en vrouw
Ter weereld oit gevonden?
Twee zielen gloênde aen een gesmeed,
Of vast geschakelt en verbonden
In lief en leedt.

De band, die ’t harte bind
Der moeder aen het kind,
Gebaert met wee en smarte,
Aen hare borst met melck gevoed,
Zoo lang gedraegen onder ’t harte,
Verbind het bloed.

Lees verder “Bruiloftslied”

Oudheid als ambitie

De Nijmeegse uitgeverij Vantilt was zo vriendelijk me een exemplaar toe te sturen van Oudheid als ambitie. De zoektocht naar een passend verleden, 1400-1700 van Karl Enenkel en Koen Ottenheym. Ik voel me bij presentexemplaren altijd wat opgelaten omdat zo’n cadeautje doorgaans een onuitgesproken (en soms wél uitgesproken) verzoek is erover te schrijven, terwijl ik vaak betwijfel of het wel verstandig is er aandacht op te vestigen. Classici, historici en archeologen leggen, wanneer ze überhaupt schrijven voor het grote publiek, de lat nogal laag en wekken daardoor vooral de indruk dat het vak intellectueel weinig voorstelt. Voor Oudheid als ambitie was ik echter meteen gewonnen.

Nou ja, bijna meteen. De inleiding is niet opwindend, maar toen ik die las had ik al gezien dat het vervolg interessant zou zijn, heel interessant. Oudheid als ambitie is zo’n boek waarvan je al jaren hoopt dat iemand het schrijft: een overzicht van de door de eeuwen veranderende omgang met de oude wereld. Idealiter is dat een trilogie, met een eerste deel over de continuïteit van de laatantieke cultuur in de Middeleeuwen, daarna een deel over de periode die begint met de Renaissance en tot slot een deel dat begint met Montesquieu en Winckelmann. Enenkel en Ottenheym bieden het middendeel.

Lees verder “Oudheid als ambitie”

Hermes in Amsterdam

Hermes (Tropenmuseum)
Hermes (Tropenmuseum)

Amsterdam is de stad van dominees en kooplieden. Die laatsten hebben gezorgd voor een van de officieuze symbolen van de stad: de alom aanwezige Hermes, de Griekse god van de handel, kooplieden, dieven, boodschappers en reizigers. De godheid – door de Romeinen aangeduid als Mercurius – wordt meestal afgebeeld als een naakte jonge man met twee attributen: de herautenstaf en een gevleugelde helm. Het beeld hierboven maakt deel uit van de decoratie van het Tropenmuseum.

De beeldhouwers die de sculptuur verzorgden van de Beurs van Berlage hadden wat meer moeite met naaktheid en gaven Hermes een mantel over de schouders en een nogal onpraktisch ogende rok die, zo te zien, permanent met de arm moest worden opgehouden.

Lees verder “Hermes in Amsterdam”