Koloniale arrogantie

De bekendste voorbeelden van kruisbestuiving zijn te vinden in de antieke kunst, zoals in dit mozaïek uit de S.Pudenziana in Rome: Christus is hier afgebeeld als het beeld van Zeus in Olympia.

Nog even een terugblik op een eerder stukje, namelijk mijn opsomming van religieuze kruisbestuivingen, waarbij ik mijn voorbeelden vooral uit Libanon haalde. Ik gebruikte het als illustratie voor mijn artikel over wat we van antieke religies mogen verwachten. Eigenlijk is dat wel een beetje beledigend voor de Libanese bevolking. Je zou het namelijk kunnen uitleggen als “In Libanon verandert nooit iets en alles is daar hetzelfde gebleven als in de Oudheid.” Eén stap verder: “Arabieren zijn niet in staat tot verandering”. Nog een stap verder: “Arabieren zijn dom.”

Ik zou niet de enige zijn die zo denkt – en dan bedoel ik niet dat dit tegenwoordig in sommige delen van het politieke spectrum geldt als geloofswaarheid. Aan het begin van de vorige eeuw waren er diverse plekken waar oudheidkundigen het verleden trachtten te reconstrueren, zoals het nagebouwde Romeinse fort Saalburg in het Taunusgebergte en de hellenistische Kérylosvilla. Het meest ambitieuze project was de Heilig Land-stichting bij Nijmegen, waar men het antieke Judea reconstrueerde voor de velen die een reis naar Palestina nooit zouden kunnen betalen maar wel wilden begrijpen hoe de oude joden en eerste christenen hadden geleefd.

Lees verder “Koloniale arrogantie”

Het ongrijpbare antieke christendom (5)

Een christen met een boekrol: bewijs voor een literaire cultuur. (Catacombe van Domitilla, Rome; eerste helft vierde eeuw)

[Ik was begonnen met een lijstje van verwachtingen die je kunt hebben vóór je begint aan onderzoek naar het vroegste christendom. Context hier, eerste deel daar en tweede deel daar.]

Verwachting 5: Rekkelijken en preciezen

Een algemene observatie: er zijn mensen voor wie religie belangrijk is, er zijn mensen voor wie religie iets is dat er nou eenmaal bij hoort en er zijn mensen voor wie religie onbelangrijk is. Tenzij er sprake is van massale geloofsverlating, zal de eerste groep de neiging hebben te gaan overheersen, domweg doordat deze mensen zich er meer voor inzetten. (Ik heb er eens over geblogd.) Je mag aannemen dat als het bestuur van een antieke tempel een beslissing moest nemen, de bestuursleden eerst advies hebben gevraagd bij degenen die het vaakst in het heiligdom waren. Idemdito in de synagoge. Idemdito in een christelijke gemeente. En als de overheid zaken moest doen met een religieuze groep, dan zou ze met deze mensen aan de praat raken.

Dit is in zekere zin heel natuurlijk en je kunt in elk geval zeggen dat de betrokkenen door hun grote inzet ook wel verdienen dat ze serieus worden genomen. Ze zijn echter wel een minderheid en niet representatief.

Lees verder “Het ongrijpbare antieke christendom (5)”

Het ongrijpbare antieke christendom (4)

Christus als zonnegod (Catacombe van Petrus en Marcellinus, Rome; eerste helft vierde eeuw)

[Ik was begonnen met een lijstje van verwachtingen die je kunt hebben vóór je begint aan onderzoek naar het vroegste christendom. Context hier, eerste deel daar.]

Verwachting 3: Monotheïsme

Zuiver monotheïsme heeft in de Oudheid nooit bestaan. Het jodendom heeft bijvoorbeeld een traditie gekend over een tweede godheid – ik blogde er al eens over – die weliswaar vanaf de derde eeuw n.Chr. door het groeiende rabbijnse jodendom werd beschouwd als onorthodox, maar daarom nog wel heeft bestaan en die een denkkader bood waarin Christus paste als een hand in een handschoen. Hoe belangrijk deze traditie is geweest, is niet meer uit te maken omdat laatantieke rabbijnse kopiisten hun vingers aan dit soort teksten niet vuil maakten.

Ook heb ik weleens gewezen op een inscriptie waarin iemand dank betuigt aan de god Pan wegens een redding op zee én zichzelf identificeert als Joods: daar hebben we dus een jood die het bestaan en de zegenrijke werking van andere goden erkent. Het voorbeeld staat niet op zichzelf; er is net een boek verschenen dat een hoofdstuk over zulke inscripties lijkt te hebben, maar ik heb het nog niet gelezen.

Omdat het jodendom in de Romeinse keizertijd dus nog geen uitgekristalliseerd monotheïsme kende, mogen we verwachten dat ook binnen het christendom soortgelijke, niet-exclusivistische ideeën hebben bestaan. Hoe belangrijk die waren, kunnen we aan de hand van de bronnen niet zeggen. Daar is die verdraaide selectieve bronnenoverlevering weer. Het bestaan van een “hypogeum van de syncretisten” in de Romeinse Catacomben van Petrus en Marcellinus bewijst echter dat niet-exclusivisten in het derde-eeuwse Rome niet als afvalligen werden beschouwd.

Onze data schieten tekort. We mogen verwachten dat er niet-exclusivisten waren, hebben daar ook aanwijzingen voor, maar meer kunnen we niet weten. De niet-exclusivistische teksten (als die er zijn geweest) zijn immers niet overgeleverd. Het is wellicht zinvol op dit punt te wijzen op de Nag Hammadi-geschriften: dertien boeken met samen een stuk of vijftig gnostische teksten, die een beeld geven van een tot de ontdekking in 1945 nauwelijks bekende tak van het christendom. De creativiteit en variatie documenteren opvattingen die even vitaal waren als de latere orthodoxie. Het is niet moeilijk voorstelbaar dat de “andere christendommen”, die minder goed zijn overgeleverd, marginaal zijn geweest.

Al kan dat natuurlijk wel zo zijn geweest. In elk geval gaat het te ver te zeggen dat iemand die én deelnam aan de christelijke rituelen én de andere goden vereerde, geen echte christen was. Hetzelfde geldt voor iemand die de Wet van Mozes bleef onderhouden of die er gnostische ideeën op nahield. Zo iemand was hooguit geen echte christen in het licht van latere, normatieve definities.

Verwachting 4: Interactie

Waar religies naast elkaar bestaan, reageren ze op elkaar. Dat kan de vorm aannemen van conflicten, die alle aandacht krijgen in onze bronnen, maar kan ook de vorm van samenwerking krijgen. Voor artistieke ontleningen, rituelen, gebeden, filosofische formuleringen en gebruiken hebben onze bronnen weliswaar minder aandacht, maar dat ze voorkwamen, kan elke antropoloog je uitleggen en zal elke toerist opvallen die reist door de landen waar het christendom is ontstaan. Ik blogde al over Libanon.

Kruisbestuiving is dus wat we mogen verwachten en we hebben daarvoor ook enkele aanwijzingen, bijvoorbeeld dat christelijke leiders in de Late Oudheid optraden tegen wat zij beschouwden als afgodendienst en jodendom. Rond het jaar 306 verklaarde de Synode van Elvira (in Spanje) dat het christenen verboden was hun oogst door een jood te laten zegenen: een vermoedelijk recente innovatie, aangezien het rabbinaat, waarop deze passage betrekking lijkt te hebben, in de derde eeuw in Spanje moet zijn aangekomen. Rond 400 keerden de kerkvaders Augustinus en Johannes Chrysostomos zich tegen christenen die de spijswetten onderhielden en synagogen bezochten. Een kleine halve eeuw later vermeldt Sozomenos een feest dat gezamenlijk werd gevierd door joden, christenen en heidenen van Fenicische en Arabische herkomst (Kerkgeschiedenis 2.4). Zosimos vermeldt ergens een heidens-christelijke generaal en ik heb al eens gewezen op Bacurius. Wie weet valt ook Synesios van Kyrene in deze categorie.

Was dit belangrijk? Waren er veel van dit soort niet-exclusivisten? We hebben van zulke gelovigen geen acht boekenkasten Patrologia Latina en Patrologia Graeca en wie, heel positivistisch, afgaat op het overgeleverde materiaal, zal concluderen dat ze marginaal waren. Ze zijn er echter zeker geweest en het is aannemelijk dat ze, naarmate we verder teruggaan in de tijd en uitkomen in de periode vóór de bekering van Constantijn, belangrijker waren. Om de inmiddels bekende redenen valt niet uit te maken hoe belangrijk, maar het is niet uitgesloten dat het de meerderheid was.

Het is zinvol hier te wijzen op de ambiguïteit van archeologische vondsten. Een vondst die – vanuit de aanname dat christendom ook destijds exclusivistisch was – wordt geïnterpreteerd als een christelijke overname van een heidens motief, kan doorgaans evengoed worden geïnterpreteerd als het eigendom van een heiden die de verering van Christus “erbij had genomen”.

[Wordt om half tien vervolgd]

Het ongrijpbare antieke christendom (3)

Een christelijke maaltijd op een tweede- of derde-eeuwse wandschildering uit de catacomben van Callixtus, Rome. Er zijn diverse wandschilderingen van dit type, waarbij steeds zeven mensen de maaltijd gebruiken en zijn gezeten in een halve cirkel.

Mijn leermeester, professor P.W. de Neeve, was geïnteresseerd in antieke landbouw en kampte met het probleem dat we over de middelgrote en kleine Romeinse boerenstand weinig bronnen hebben. De boeren waren immers ongeletterd en de bronnen zijn geschreven door rijke, vooringenomen mannen. Ze noteerden ook al niet wat destijds vanzelfsprekend was. We kunnen daarom de voor ons gezochte feiten niet vinden door de bronnen na te vertellen. Das wahre Faktum steht nicht in den Quellen.

Hoe een historicus dan te werk gaat, toont De Neeve in zijn inaugurele rede De boeren bedreigd: eerst maak je expliciet wat je verwacht (en daartoe haalde hij de locatietheorie van Von Thünen uit de kast) en pas daarna kijk je naar de bronnen, zodat je herkent waar ze onvolledig en bevooroordeeld zijn. Dat kan óók betekenen dat je ontdekt dat je eigen aannames niet kloppen en dan heb je je eigen denken beter doorgrond. “Expliciet maken wat je verwacht” kan hierbij slaan op het gebruik van modellen uit de sociale wetenschappen of het zoeken naar parallellen uit andere voorindustriële samenlevingen. Het voordeel van het aangeven van je verwachtingen is niet alleen dat je zo scherper kijkt naar je bronnen maar ook dat je reconstructie sterker is dan de N=1 die een alleen op bronnen gebaseerde reconstructie nu eenmaal is.

Als je het hebt over het ontstaan van het christendom, moet je het ook zo aanpakken. Eerst moet je expliciet vaststellen wat je zoekt, omdat je anders je impliciete aannames, gebaseerd op modern christendom, zult projecteren op de tekortschietende teksten en je vooral zult kijken naar wat je herkent. Dus: wat verwacht je van het vroegste christendom? We zijn in de fortuinlijke situatie dat we een goed beeld hebben van de beginsituatie: het jodendom.

Lees verder “Het ongrijpbare antieke christendom (3)”

MoM | Topiek (Byzantijnse krabbel 8)

Een achttiende-eeuwse weergave van het Concilie van Chalkedon (451) uit het Rila-klooster in Bulgarije. Let op de duivelse influisteringen van twee ketters rechts.

Severus van Antiochië – die overigens niet kwam uit Antiochië maar in 465 werd geboren in Sozopolis in Klein-Azië – was geen mens maar een natuurkracht. Min of meer eigenhandig zorgde hij ervoor dat de pogingen van de Byzantijnse keizers om alle christenen dezelfde, orthodoxe ideeën te laten hebben, uitliepen op niets.

Het gaat te ver om het hier allemaal uit de doeken te doen, maar het komt erop neer dat keizer Marcianus tijdens het Concilie van Chalkedon door roeien en ruiten was gegaan om één geloofsbelijdenis te laten formuleren waar alle gelovigen het over eens konden zijn. Behalve dan dat niet iedereen het ermee eens kon zijn en dat oosterse monniken er zelfs ronduit tegen waren. Latere keizers streefden ernaar ook hen binnenboord te krijgen en één zo’n poging was de tekst die bekendstaat als Henotikon. Severus, die patriarch was in Antiochië, zorgde ervoor dat dit compromis op niets uitliep, waarvoor hij onder meer keizer Justinianus trotseerde.

De geschriften van Severus vormen de basis voor de theologie van de oosterse kerken die in ons taalgebied bekendstaan als monofysitisch. Hij streefde naar een op die grondslag gebaseerde eenheidskerk, maar in de praktijk had zijn afwijzing van het Henotikon tot gevolg dat de monofysieten verdeeld raakten over bijvoorbeeld de vraag of Christus’ lichaam aan verval onderhevig was geweest. Tegen het einde van Severus’ leven waren er een door de keizer goedgekeurde kerk en minimaal twee monofysitische kerken, elk met eigen priesters en bisschoppen.

Tot zover Severus’ betekenis. Ik wilde het eigenlijk hebben over zijn jonge jaren.

Lees verder “MoM | Topiek (Byzantijnse krabbel 8)”

Offerverklaring

Offerverklaring (Neues Museum, Berlijn)

Ik had het, toen ik Candida Moss’ boek The Myth of Persecution besprak, al eens over de christenvervolging door keizer Decius, rond het jaar 250. De pas aangetreden heerser eiste van alle ingezetenen een eed van trouw, die de mensen dienden af te leggen door te bidden bij de voorvaderlijke goden. We begrijpen niet goed hoe dit door christenen als een probleem kon worden ervaren, want ze mochten bidden voor het welzijn van de keizer en hun god had zich niet pas vorig jaar gemanifesteerd. Wierook branden was bij christenen in deze tijd ongebruikelijk maar niet verboden.

Het eten van offervlees was onder christenen omstreden: de brieven van Paulus tonen dat deze het problematisch vond, terwijl er ook gelovigen waren die meenden dat als de valse goden valse goden waren, het offervlees geen speciale status had. Dit kan voor sommigen dus een probleem zijn geweest. Of misschien was het afleggen van een eed wel problematisch: het verbod op het afleggen van eden behoort tot die delen van Jezus’ leer waarvan hedendaagse geleerden denken dat het Jezus-echt is.

Lees verder “Offerverklaring”

Het ongrijpbare antieke christendom (intermezzo)

Al Qusair, Irak: een christelijk gebedshuis dat door de archeologen is gedateerd in de tweede eeuw n.Chr. Om de waarheid te zeggen lijkt die datering me een fraai staaltje oudheidkundige standaardoverdrijving. Ik kreeg deze foto van Marion Verburg.

Ik had een begin gemaakt met een reeks over het ongrijpbare antieke christendom maar er kwam van alles tussendoor. Eigenlijk leef ik de laatste weken in de vierde versnelling, reizend van Friesland naar Libanon naar Eindhoven en vervolgens via Hilversum weer naar Friesland, onderbroken door een bezoek aan Assen. Afgelopen zaterdag had ik afspraken in Amsterdam, Gouda en Velsen en woonde ik weer een dag in de trein. Ik wil die reeks echter afmaken, dus eerst even een hervertelling.

***

In mijn eerste stukje gaf ik aan dat het definiëren van een christen lastig is. De diverse gelovigen vertonen echter familiegelijkenis: hoewel ze op wezenlijke punten kunnen verschillen, lijken ze toch wel op elkaar. Het aanwijzen van die overeenkomsten is echter subjectief en brengt het gevaar met zich mee dat je eigentijdse noties op het verleden projecteert.

Lees verder “Het ongrijpbare antieke christendom (intermezzo)”