Maand van de Bijbel

Mozes (Gevelsteen, Mozeskerk, Amsterdam)

Ik weet niet waar de mode vandaan komt om denkers, dichters, boeren en buitenlui des vaderlands aan te stellen, maar we blijken een theoloog des vaderlands te hebben. Een soort ambassadeur dus die de bestudering van systemen van wereldbeschouwing – zoals het cliché wil – op de kaart moet helpen zetten. De theoloog des vaderlands heet Samuel Lee en gaf onlangs een interview aan De Volkskrant omdat vandaag de Maand van de Bijbel begint.

U zult aan de openingszin al wel gemerkt hebben dat ik moeite heb met mensen des vaderlands en de trouwe lezers van deze blog weten dat ik ook niet blij word van maanden des dinges. Vaak is de geboden informatie vooral aandachttrekkerij en dient ze niet de werkelijke verspreiding van inzicht. De doublure van een Romeinenweek naast de Week van de Klassieken moge dit illustreren. Die schreeuwerigheid lijkt dit keer echter te ontbreken en bovendien: afgezien van een uitglijder over Moeder Teresa zegt Lee een paar interessante dingen.

Lees verder “Maand van de Bijbel”

MoM | Beeldvorming

Paul Damen (van de Joodse Omroep) had een leuke vraag. Het viel hem op dat in werkelijk álle Jezusfilms, waarvan we er met deze kerst vast weer een paar te zien zullen krijgen, Joden altijd licht gebogen door hun deur gaan. Denken ze in Hollywood nou echt dat ze destijds geen grotere deuren konden maken? Bovenstaand plaatje uit een film van Franco Zeffirelli illustreert het punt. En Damen vroeg of ik wist hoe het zat.

Het antwoord is, denk ik, dat de makers ongewild een anti-joods vooroordeel reproduceren. Het beeld dat ze hebben van het verleden, is voor een belangrijk deel bepaald door eerdere films en als het gaat om de Oudheid, gaat zo’n beeld uiteindelijk terug tot de negentiende eeuw. Toen is voor het eerst systematisch nagedacht over de vraag hoe de oude wereld eruit heeft gezien en met de toen geschapen beeldentaal leven we nog steeds. Destijds gold Jezus in brede (lees: overwegend christelijke) kringen als de man die brak met de beklemmende Wet van Mozes, waarin joden punten moesten scoren voor het hiernamaals. Jezus had een God van liefde en genade aan de mensheid getoond. Een westerse, humane geest in een wereld van oriëntaalse bedomptheid dus.

Lees verder “MoM | Beeldvorming”

Sint-Nikolaas

Verpletter de ketter: Nikolaas slaat een andersdenkende tegen de vlakte (Soumela-klooster, Turkije)

Iemand met de Bijbel om de oren slaan, kent u die uitdrukking? Ik moest daaraan denken omdat christenen morgen de sterfdag gedenken van de heilige Nikolaas van Myra. Het is op die dag verplicht mensen die de precieze chalkedonische formulering van de twee naturen van Christus niet kunnen reproduceren, een pets te verkopen.

Voor hun eigen bestwil en hun zielenheil uiteraard.

Lees verder “Sint-Nikolaas”

Augustinus’ olijfboom

Wat opvalt bij het lezen van Augustinus is dit: hij was rusteloos op zoek naar de waarheid. Hij bekeerde zich dus eerst (na de lectuur van Cicero’s Hortensius) tot de filosofie, bekeerde zich tot het manicheïsme, bekeerde zich tot het christendom, bekeerde zich daarbinnen weer tot de variant die we nu orthodox noemen en vond geen rust. De polemieken rond het pelagianisme zijn niet de teksten van een man die tevreden is met wat hij heeft gevonden of heeft bereikt.

Hij was bereid voor de waarheid een hoge prijs te betalen. Hij had, in de keizerlijke residentie Milaan, een voorname positie aan het hof, stond op het punt zich in te trouwen in een vooraanstaande familie en mocht vooruitzien naar lucratieve betrekkingen in het rijksbestuur, toen hij ineens een punt zette achter die loopbaan en zich terugtrok. Hij was maar een venditor verborum geweest, een kletsmajoor. Het is alsof iemand die op het punt staat de Nobelprijs voor de Letteren te krijgen, concludeert dat literatuur eigenlijk maar prietpraat is, de Zweedse Academie adviseert naar de pomp te lopen en besluit de waarheid buiten de literatuur na te jagen. Dat Augustinus zoiets deed, illustreert zijn gedrevenheid.

Lees verder “Augustinus’ olijfboom”

Augustinus’ perenboom

Een van de bekendste verhalen uit AugustinusBelijdenissen is een jeugdherinnering aan de diefstal van wat peren. Samengevat komt het erop neer dat de toekomstige bisschop van Hippo vertelt hoe hij met de opgeschoten jeugd van Thagaste (het huidige Souk Ahras, waar ik vandaag hoop aan te komen) aan het spelen was toen ze naast de wijngaard van Augustinus’ familie een boom zagen vol rijpe peren. De jongens vonden de vruchten er niet bijster smakelijk uitzien maar besloten ze toch te gappen.

Zo gezegd, zo gedaan, maar de peren smaakten zo beroerd als ze eruit zagen, dus voerden ze die maar aan de varkens. “We deden het alleen omdat we zin hadden iets te doen dat verboden was”, schrijft Augustinus, die vervolgens een jammerklacht aanheft waarin allerlei Bijbelpassages doorklinken. Die vorm is minder vreemd dan het lijkt – de man dacht nu eenmaal in Bijbeltermen en de ene allusie riep de volgende op. Wie de Belijdenissen leest, went er wel aan. Wat ik echter vreemd vind, is dat Augustinus vele jaren na de gebeurtenissen, toen hij al midden veertig was, er nog steeds oprecht ontdaan door lijkt te zijn. Ik kan me niet voorstellen dat ik ooit over de diefstal van sesamkoekjes op winkelcentrum Anklaar in Apeldoorn zal schrijven dat het schandelijk was, dat ik ervan hield, dat ik hield van ten gronde gaan, dat ik mijn ondergang beminde. Augustinus heeft voor zulk exuberant rouwbeklag genoeg aan een perelaar.

Lees verder “Augustinus’ perenboom”

De man die “ik” zei

De oudste afbeelding van Augustinus (Lateraan).

Tegen de tijd dat u dit leest, zitten mijn reisgenote en ik waarschijnlijk aan het ontbijt in een hotel in Annaba. Het is het oude Hippo Regius, de bisschopsstad van de kerkvader Augustinus (354-430). Afkomstig uit een niet al te vermogende familie mocht hij naar school, stichtte hij zelf een schooltje in Karthago en maakte hij carrière in Italië, waar hij een hoge positie wist te verwerven in de keizerlijke residentie Milaan. Juist toen hij op het punt stond zich in een vooraanstaande familie in te trouwen en vooruit mocht zien naar een leuke functie in het rijksbestuur, bekeerde hij zich tot het christendom. Dat blokkeerde zijn verdere wereldlijke carrière.

Of beter: hij bekeerde zich, op een moment dat de nieuwe Romeinse godsdienst nog niet helemaal was uitgekristalliseerd, tot een christendom dat een wereldlijke carrière blokkeerde. Hij had ook een andere keuze kunnen maken, maar koos voor een ingetogen en asketisch leven in wat we nu een klooster zouden noemen. Dat verhinderde niet dat hij bisschop werd in de havenstad Hippo – het Annaba waar we nu zitten te ontbijten dus – en een oeuvre schreef waarin hij de grondslagen legde van de westerse theologie. In Hippo dicteerde hij ook zijn beroemde Belijdenissen, een soort autobiografie waarin hij ervan getuigde dat God hem, ondanks allerlei dolingen en dwalingen, steeds nabij was geweest. De Belijdenissen zijn dus in de eerste plaats een tekst met een pastoraal doel: Augustinus wilde de gelovigen in Hippo de zorg van God tonen. Maar niet alleen dat.

Lees verder “De man die “ik” zei”

Het einde van de Avaren

De aartsengel Michael (Kunsthistorisch Museum, Boedapest)

Ik heb al een paar keer eerder geblogd over de Avaren: een groep steppenomaden die in de zesde eeuw n.Chr. naar het westen kwam, zich vestigde in wat nu Hongarije, Kroatië, Servië en Roemenië is en daarvandaan een serieuze bedreiging vormde voor het Byzantijnse Rijk. Ik blogde al over de val van Sirmium. In het kielzog van de Avaren trokken ook andere volken naar het Balkanschiereiland, zoals de Bulgaren en de Slavische migranten die zich vestigden in wat nu Griekenland heet. In 626 belegerden de Avaren zelfs Constantinopel.

Dat was echter het voorlopige eindpunt van hun expansie want nadat hun leider, de khagan, het beleg had afgebroken, kwam het in het Avaarse Rijk tot een burgeroorlog tussen een Avaarse en een Bulgaarse troonkandidaat. Hiermee was de dreiging voor Constantinopel afgewend maar het khaganaat bleef nog een kleine twee eeuwen bestaan: dé grote Centraal-Europese macht. Omdat de Avaren zelf niets opschreven, weten we er maar heel weinig van. Het staat wel vast dat ze eind achtste eeuw nog altijd heidens waren, wat in 791 voor Karel de Grote voldoende reden was om ze aan te vallen met een enorm leger van Franken, Saksen, Friezen, Thüringers en Beieren.

Lees verder “Het einde van de Avaren”