Jim Wests Bijbelcommentaar

Daniël in de leeuwenkuil (Nationaal Museum, Beiroet)
Daniël in de leeuwenkuil (Nationaal Museum, Beiroet)

Eerst even twee alinea’s met standaardopmerkingen, die de trouwe lezers van deze kleine blog al kennen. Ik heb immers al vaker verteld dat de humaniora in de kern een pedagogisch programma zijn. Zie het stukje dat ik onlangs schreef over de vraag of geschiedenis een stom schoolvak was: door kennis van het verleden begrijpen we het heden iets beter, relativeren we onze eigen opvattingen en leren we vooroordelen af. En je kunt er nog van genieten ook. Dat sloeg op geschiedenis, maar voor andere letterenstudies geldt ruwweg hetzelfde: de baten zijn pedagogisch van aard.

Omdat het oneerlijk zou zijn als uitsluitend academici profijt zouden hebben van de humaniora, worden ze verondersteld hun inzichten aan de maatschappij over te dragen, maar daar komt in de praktijk weinig van terecht. Op deze wijze ontdaan van hun pedagogische essentie zijn de humaniora de afgelopen kwart eeuw verschraald tot geesteswetenschappen. Vergelijkbaar verlies aan maatschappelijke betekenis speelt ook bij andere disciplines, zoals in de godsdienstwetenschappen. Daar zijn echter initiatieven, interessante initiatieven die ook bruikbaar zijn in de humaniora.

Lees verder “Jim Wests Bijbelcommentaar”

Joodse oorlogen

Cyrene, tempel van Hekate. De opstandige joden hebben dit heiligdom vernietigd. We weten niet precies waarom uitgerekend deze tempel het moest ontgelden.
Cyrene, de resten van de tempel van Hekate. De opstandige joden hebben dit heiligdom vernietigd. We weten niet waarom uitgerekend deze tempel het moest ontgelden.

Ik heb de afgelopen dagen geschreven over de alomtegenwoordigheid van geweld in de oude wereld en de reacties daarop vanuit het joodse geloof. Een interessante vraag is of zulke ideeën opstanden veroorzaken (U merkt dat ik alweer denk aan de reeks over methodologie die ik momenteel voorbereid.) In de meeste gevallen kan een oudheidkundige zulke causaliteitsvragen, door het overstelpende gebrek aan data, niet beantwoorden, maar dankzij de Dode Zee-rollen zijn we inmiddels in een iets andere positie gekomen.

Voor de aard van de problematiek verwijs ik nog maar eens naar dit stuk: je moet eerst kunnen vaststellen of een religie een in al haar verschijningsvormen aanwezige essentie bezit en daarna moet je een antwoord geven op de vraag of zulke essenties gedrag kunnen veroorzaken. Dankzij de Dode Zee-rollen kunnen we op de eerste vraag “nee” zeggen, waarna de tweede vraag irrelevant is. Het jodendom was zó divers dat er, afgezien van het belang van het offer voor de god die in Jeruzalem een tempel had, geen gedeelde kern valt aan te wijzen. Messianisme en Eindtijdverwachtingen, ze zijn simpelweg niet aan te wijzen bij álle groepen. Dat wil echter niet zeggen dat er helemaal geen verband is.

Lees verder “Joodse oorlogen”

Geweld in Judea (slot)

Romeinse inscriptie die de onderdrukking van de Joodse Opstand in Kyrene herdenkt.
Romeinse inscriptie die de onderdrukking van de Joodse Opstand in Kyrene herdenkt.

In het laatste stukje van deze reeks – al heb ik morgen een “nabrander” – nog een woord over de wijze waarop de in de voorgaande stukjes (1, 2, 3, 4) beschreven geweld-gerelateerde ideeën binnen het jodendom bleven bestaan. Dat wil zeggen: in de tweede eeuw, nadat de christenen waren begonnen een eigen weg te gaan. Een probleem is hierbij dat de bronnen schaars zijn. Er is geen Josephus voor de oorlogen ten tijde van de keizers Trajanus en Hadrianus. Mijn achtste stelling is:

8. De verzetsideologie bleef bestaan in de tweede eeuw

Binnen het jodendom, voor zover we dat kunnen reconstrueren, lijken allerlei messiaanse ideeën te zijn blijven bestaan. Die hadden inmiddels vaak een anti-Romeinse inslag. Over Eindtijdideeën horen we weinig, maar dat kan komen door de bronnenschaarste.

Lees verder “Geweld in Judea (slot)”

Factcheck: Valentijnsdag

Ten onrechte meenden de Romeinen dat hun stad was gesticht door herders; daarom meenden ze dat het eeuwenoude Lupercalia-festival een herdersfeest moest zijn. Op dit reliëf, te zien op een altaar dat is gevonden in Ostia, ziet u hoe herders Romulus en Remus vinden. Het heeft verder niets met de Lupercalia te maken maar het is wel een leuk plaatje. (Palazzo Massimo, Rome)
Ten onrechte meenden de Romeinen dat hun stad was gesticht door herders; daarom meenden ze dat het eeuwenoude Lupercalia-festival een herdersfeest moest zijn. Op dit reliëf, te zien op een altaar dat is gevonden in Ostia, ziet u hoe herders Romulus en Remus vinden. Het heeft verder niets met de Lupercalia te maken maar het is wel een leuk plaatje. (Palazzo Massimo, Rome)

[Eigenlijk had ik vandaag willen beginnen aan de rubriek waarin ik uitleg waarom de historische wetenschappen werkelijk wetenschappen zijn. De actualiteit komt er echter tussendoor: morgen is het Valentijnsdag en je zult zien dat weer iemand zal beweren dat dat eigenlijk een oud-Romeins vruchtbaarheidsfeest is. De klassieken moeten per se relevant worden gemaakt, desnoods met alternatieve feiten. Er is echter geen verband tussen het Romeinse en het christelijke feest, zoals mijn Amerikaanse vriend William P. Thayer, de webmaster van LacusCurtius, uitlegt.]

Pogingen zoals deze, deze en deze om de oud-Romeinse Lupercalia (15 februari) in verband te brengen met de christelijke Valentijnsdag (14 februari) zijn verdacht. De gelijkstelling van de twee illustreert vooral een twintigste-eeuwse neiging om een liefdesfeest af leiden van antieke vruchtbaarheidsculten. Er is ondertussen geen draad bewijs voor een dergelijk verband.

Vaak wordt beweerd dat paus Gelasius (r.494-496) Valentijnsdag in de vijfde eeuw instelde, maar dat is niet waar: wat hij wél deed was een lange, strenge brief schrijven (Brief 100, Aan Andromachus) waarin hij de gelovigen het vieren van de Lupercalia verbood. Die brief noemt geen Valentinus.

Lees verder “Factcheck: Valentijnsdag”

Josephus over Jezus

Jezus en de samaritaanse vrouw. Fresco uit de Catacomben van Praetextatus. Het kapsel van de vrouw suggereert een datering in de Severische tijd, dus rond 200 n.Chr.
Jezus en de samaritaanse vrouw. Fresco uit de Catacomben van Praetextatus. Het kapsel van de vrouw suggereert een datering in de Severische tijd, dus rond 200 n.Chr. Daarmee is dit een van de oudste afbeeldingen van Jezus.

Afgezien van de teksten in het Nieuwe Testament is er één eerste-eeuwse tekst over Jezus van Nazaret: de Joodse auteur Flavius Josephus noemt Jezus tweemaal. De laatste van die vermeldingen is dat de hogepriester Ananos II in het jaar 62 Jakobus liet stenigen, “de broer van de Jezus die de messias wordt genoemd”. Er is geen reden aan te nemen dat dit een christelijke toevoeging of bewerking is: een christelijke auteur zou namelijk hebben verteld dat Jakobus van een tempelmuur was geworpen, wat het binnen het christendom gebruikelijke verhaal was over de gewelddadige dood van Jezus’ familielid.

Het tweede citaat betreft Jezus’ eigen optreden. Het wordt meestal aangeduid als het Testimonium Flavianum, het “getuigenis van Flavius Josephus”.

Lees verder “Josephus over Jezus”

Possidius’ Augustinus

possidius_augustinus

Ik heb een paar maanden geleden op deze plaats geblogd over de belangrijke christelijke auteur Augustinus en, in een heel andere context, veel langer geleden over de positieve invloed die deze kerkvader nog steeds heeft. Het is een fascinerende man en bovendien een van de drie mensen uit de Oudheid van wie je denkt dat je hem echt een beetje kent. De twee anderen zijn Cicero en Herodotos.

Dit komt doordat Augustinus veel heeft geschreven, met de Belijdenissen als bekendste ego-document. Alsof dat nog niet genoeg is, heeft zijn vriend Possidius nog een biografie aan hem gewijd. Die is vorig jaar door Vincent Hunink in het Nederlands vertaald en voorzien van een inleiding door Paul van Geest. Beide zijn verbonden aan de Nijmeegse Radbouduniversiteit. Ik kan niet anders dan zeggen dat Het leven van Augustinus een geslaagd boek is, waarop alleen valt aan te merken dat het te bescheiden is.
Lees verder “Possidius’ Augustinus”

NWA: Receptiegeschiedenis

Justinianus kondigt de codificatie van het Romeins Recht aan. Miniatuur uit de Mainzer editie van 1477, waarvan een exemplaar (vastgebonden aan een ketting) is te zien in de Librije van de Walburgiskerk in Zutphen.
Keizer Justinianus kondigt de codificatie van het Romeins Recht aan. Miniatuur uit de Mainzer editie van 1468, waarvan een exemplaar (vastgebonden aan een ketting) is te zien in de Librije van de Walburgiskerk in Zutphen.

In mijn reeks rond de Nationale Wetenschapsagenda (NWA) behandel ik vandaag twee vragen tegelijk. De tweede is namelijk een deel van het antwoord op de eerste. De eerste vraag is deze:

Waarom is middeleeuws Europa cultureel zo homogeen?

Ik vind dit een ontzettend leuke vraag omdat, zoals de vragensteller ook aangeeft, de Middeleeuwen op het eerste gezicht helemaal zo homogeen niet zijn. Er is nogal wat verschil tussen Castilië en Brandenburg, tussen Schotland en Beieren, tussen Sicilië en de Lage Landen. Desondanks was er – althans dat denk ik – tegelijk wél een culturele eenheid: in een abdij, aan een universiteit of aan het hof van een koning konden mensen uit Engeland, Zweden, Aragon en Italië met elkaar converseren.

Hoe kwam dat? Is dat de erfenis van de Romeinen, is dat de rol van de Kerk, komt dat door handelscontacten, of door migratie? In hoeverre werkten dat soort zaken samen en welke dynamiek stond hieraan ten grondslag?

Lees verder “NWA: Receptiegeschiedenis”