“Lycurgue cavalier”

Lykourgos zonder paard (Louvre, Parijs)

Even een vraagje. Het bovenstaande beeldje fotografeerde ik twee weken in het Louvre op de afdeling Romeins Egypte. Het bordje met uitleg zegt dat het Lycurgue cavalier is en voegt toe – voor wie dat nog niet mocht hebben herkend – dat het rijdier ontbreekt. De datering is nogal vaag: eerste eeuw v.Chr. tot en met de vierde eeuw na Chr. De Romeinse tijd dus.

Probleem: ik heb geen idee wat kan zijn afgebeeld. Lykourgos is de legendarische wetgever van Sparta en hoewel zijn biografie een paar paarden vermeldt is er niets dat ik hier afgebeeld kan zien. Ook zijn er diverse Lykourgoi in de Griekse mythologie, maar dat brengt me ook niet verder. Kortom, ik heb geen idee wat hier kan zijn afgebeeld. Wie weet meer?

Misschien zinnig toe te voegen: het beeldje stamt uit de collectie van het Musée Guimet en heeft het catalogusnummer AE E 20842. Ik kan het desondanks in de online-catalogus van het Louvre niet vinden.

De oplossing

Dat was snel! Le dieu à la bipenne, c’est Lycurgue. Leve het internet.

Een olielamp uit Cyprus

Romeinse olielamp (Cyprusmuseum, Nicosia)

Een van de dingen die ik altijd moeilijk voorstelbaar vind: in de Oudheid was donker echt donker. Kaarsen, gemaakt van bijenwas, waren kostbaar. Toortsen en flambouwen brandden op hout en hout werd voor zoveel zaken gebruikt dat het schaars was. En olielampjes veronderstelden olijfolie en dat veronderstelde weer een boomgaard vol bomen. Het was dus moeilijk om veel licht te maken. Eén gevolg was dat de mensen doorgaans met de kippen op stok gingen; een ander gevolg was dat iedereen wist wanneer het volle maan was. De Juliaanse kalender was revolutionair omdat ze de band met de maanstanden verbrak en is om die reden dan ook nooit zo universeel ingevoerd als beoogd.

Lichtwinst viel te behalen door je kleine bron van licht zo te plaatsen dat die maximaal kon stralen. Dat kon dus door een lamp op een standaard te zetten. In de Late Oudheid zien we steeds meer bronzen lampen die met een ketting kunnen worden opgehangen aan het plafond of een hanenbalk. Ik heb weleens twee olielampen uit Nubië getoond; de bovenstaande komt uit Kourion, gelegen aan de zuidkust van Cyprus.

Lees verder “Een olielamp uit Cyprus”

Nilometer

Koptisch textiel (Louvre, Parijs)

Egypte kende rustiger, minder bewogen tijden dan de vroege zevende eeuw n.Chr. Er waren religieuze twisten over de naturen van Christus, waarover u het boek van Hulspas maar moet lezen; er waren echo-epidemieën van de grote Pest van een halve eeuw daarvoor; de Perzen veroverden het gebied; de Byzantijnen heroverden het; de Byzantijnse overheid probeerde haar uitleg van de christelijke tweenaturenleer op te leggen aan de Koptische bevolking; en toen de Arabieren kwamen met hun variant op het monotheïsme, onthaalden de Egyptenaren hen als bevrijders. En te midden van deze verwarring maakte iemand uit het stadje Antinoë het hierboven afgebeelde textiel. Volkomen traditioneel.

Bovenaan rechts ziet u de riviergod Nijl. Zoals alle riviergoden heeft hij een ontbloot bovenlijf, een baard en een hoorn des overvloeds. Hij heeft een gemalin, Euthenia, de personificatie van de overvloed, linksboven. In zekere zin het spiegelbeeld van de godheid zelf. Het oogt heel Grieks-Romeins, wat dit plaatst in een traditie van een slordig millennium, maar daar mag je in Egypte nog een millennium of twee toevoegen, want de Nijl werd vanouds dubbel en in spiegelbeeld afgebeeld. In het type afbeelding dat bekendstaat als sema tawy leggen twee Nijlgoden een knoop in een papyrusplant en verenigen zo de beide Egyptes. In Egypte waren dingen eigenlijk pas af als ze in tweevoud waren.

Lees verder “Nilometer”

Bellus Imago

Zomaar een Latijnse inscriptie uit Timgad, vooral omdat ik de letters zo elegant vind.

Marc van Oostendorp had gisteren een aardig stukje over Nederlands Latijn. Er zijn mensen die vinden dat we bij het gebruik van Latijnse woorden in onze eigen taal ook de Latijnse regels moeten volgen. Van Oostendorp citeert iemand die de moeite nam een Nederlandse fotografieclub te schrijven dat ze zich beter geen Bellus Imago (“mooi plaatje”) konden noemen, omdat imago een vrouwelijk woord is en het eigenlijk bella zou moeten zijn. Wat een Romein overigens nog steeds vreemd zou vinden. Het lijkt een latinisering van het Franse belle image.

Maar het volgen van de Latijnse regels is geen wet van Meden en Perzen. Je kunt ook beargumenteren dat een leenwoord, als het eenmaal uit de uitlenende taal is vertrokken, zijn grammaticale regels achterlaat en zich aanpast aan de lenende taal. We zeggen ook dat iets is gehypet, waarbij we het Engelse hype gebruiken als een Nederlands woord. Er is geen bindende reden waarom wij ons zouden moeten houden aan de Latijnse regels.

Net als u en de classici die ik weleens spreek lig ik niet werkelijk wakker van deze kwestie. Ook Van Oostendorp lijkt het eerder curieus dan problematisch te vinden dat iemand die zichzelf typeert als een ooit volijverige gymnasiast zózeer aanstoot neemt van Bellus Imago dat hij de fotoclub een brief schrijft en zelfs een psychologisch profiel opstelt van de fotografen, die zouden hechten aan het prestige van het Latijn maar die taal in feite minachten.

Lees verder “Bellus Imago”

Levenswijsheden

Klearchos’ insciptie in Ai Khanum

Ergens in de eerste helft van de derde eeuw v.Chr. arriveerde in Delfi een reiziger die, zoals in een orakel gebruikelijk was, advies kwam vragen van de godheid. De man stelde zich voor als Klearchos en trok de aandacht, want hij sprak een wat ouderwets soort Grieks. Hij kwam uit Baktrië, zei hij, op de uiterste oostelijke grens van de bekende wereld. En zijn stad, waarvan we de antieke naam niet weten, had hem gezonden om Apollo te vragen wat volgens hem het beste was voor de stad.

Stel je het gesprek onder het tempelpersoneel voor! De orakelpriesteres, de pythia, zou in trance wel wat klanken stamelen, dat was het probleem niet, en er viel altijd wel een gedichtje van te brouwen, maar wat adviseerde je in vredesnaam aan iemand die iets van 5500 kilometer had gereisd en afkomstig was uit een stad waarvan ze in Delfi totaal niet wisten wat er speelde? Moesten ze waarschuwen voor de Saken die daar in de buurt woonden? Of waren dat nu net de vrienden van de Baktriërs? Uiteindelijk zal een van de aanwezigen hebben geopperd om maar wat oude maximen mee te geven.

Lees verder “Levenswijsheden”

Papyrologie: update

Nog een dubieuze Sapfo: een buste uit Herculaneum, nu in het Museo nazionale archeologico in Napels.

Eerder deze week leverde ik de eerste proef in van mijn boek over de wedloop tussen de vervalsers van papyri en de wetenschap, Bedrieglijk echt. Daarin is, zoals ik al eens vertelde, ook een hoofdstuk opgenomen over de laatste twee jaar, waarin het ene schandaal na het andere zich ontvouwde. De onduidelijkheid over het Geheime Evangelie van Marcus is nu groter dan ooit omdat de argumenten zijn weerlegd waarom het vals zou zijn (wat vanzelfsprekend niet betekent dat het echt is en alleen bevestigt dat papyri zonder gedocumenteerde provenance wetenschappelijk waardeloos zijn). De onechtheid van de Artemidorospapyrus staat nu vast en dat geldt eveneens voor de Dode Zee-rol-fragmenten in de Greencollectie en de Schøyencollectie. Ook het valse Evangelie van de Vrouw van Jezus kwam in 2019 weer in het nieuws, zij het indirect, namelijk doordat de blunderende oudheidkundige zich via ramanspectroscopie rehabiliteerde.

Rehabilitatie is er voorlopig niet voor Dirk Obbink, de Oxford-onderzoeker die wordt verdacht van diefstal. Sinds ik mijn manuscript inleverde, is duidelijk geworden dat hij niet alleen in antieke maar ook in middeleeuwse handschriften heeft gehandeld. Gewoon legaal, wat betekent dat nóg meer mensen konden weten dat er iets loos was en de andere kant op keken. We hoeven het voorlopig niet te hebben over het zelfreinigend vermogen van de wetenschap, althans niet in Oxford. Daar hebben ze nu trouwens een programma voor de publicatie van unprovenanced materiaal uit Afghanistan. De bingokaart met de smoezen waarom het niet erg zou zijn dubieus materiaal te publiceren kan dus voorlopig nog niet weg.

Lees verder “Papyrologie: update”

Deportatie en kruisiging (2)

De heuvel achter Madytos

Classici zijn geen historici en als een classicus een geschiedenisboek schrijft, neemt ’ie een risico. Gisteren beschreef ik hoe Tom Holland, als hij in Persian Fire probeert het verleden te evoceren (een activiteit waar beide specialismen overlappen) de grens met fictie overschrijdt.

Vandaag behandel ik een kruisiging uit Dominion, Hollands apologie voor het christendom als kracht die de westerse cultuur heeft gevormd. Niet dat voor deze stelling een apologie nodig is, overigens, want geen historicus en geen socioloog betwijfelt deze invloed. Ik had gehoopt dat Persian Fire een jeugdzonde was en dat Dominion beter zou zijn, al durfde ik dat na er doorheen te hebben gebladerd niet meer te hopen en bevestigde de bespreking in het Handelsblad dat er iets mis is met dit boek. Nu ik het systematisch lees, weet ik zeker dat Holland als auteur niet is gegroeid. Hij is nog steeds een classicus en beheert het historisch métier nog altijd onvoldoende.

Lees verder “Deportatie en kruisiging (2)”