De normale rode achtergrond in een muurschildering (Archäologischer Park, Magdalensberg)
De redacteuren van de Thesaurus linguae Latinae zijn inmiddels klaar met de letter R, en dat betekent dat ze zich hebben beziggehouden met de kleur rood. Blijkbaar maakte men in het oude Rome onderscheid tussen allerlei roodtinten, die worden vertegenwoordigd door allerlei bijvoeglijke naamwoorden, waarvan er ongeveer twintig zijn te vinden bij de R. Ze zijn meestal afgeleid van de Indo-Europese stam *h₁reudh-.
Ruber
Het meest gebruikte woord voor “rood” is ruber, afgeleid dus van *h₁reudh, kon een breed spectrum aanduiden – van vuurrood, cinnaberrood, scharlakenrood, bloedrood of karmijnrood tot tinten die naar oranje neigden, zoals saffraan- of goudkleurig. Ook lichamelijke reacties werden taalkundig vastgelegd: men kon blozen, en daarom duidt rubor niet alleen de blos zelf aan, maar ook de verlegenheid.
Een nieuwe aflevering in de onregelmatig verschijnende reeks faits divers, met deze keer nogal wat vooral kleine berichtjes. Zoals altijd krijgt u géén garantie dat de zaken waarnaar ik verwijs representatief of belangrijk zijn, en krijgt u wél mijn hoogstpersoonlijke oordeel over the good, the bad, and the ugly.
Indo-Europese paarden
Op de mooie website Neerlandistiek bespreekt Marc van Oostendorp vanmorgen vroeg een boek over paarden in de Indo-Europese wereld. De auteur van dat boek oppert een andere betekenis voor het oerwoord voor dat edele dier: h₁ék̑u̯os zou niet “snel” maar “ongehoorzaam” betekenen. Dat is, afgezien van een parallel bij Homeros, niet zo vermeldenswaard, maar Van Oostendorps blogje is wel een prachtige samenvatting van wat Indo-Europeanistiek is.
Lineair-A
Er is weer eens iemand die beweert het Lineair-A (een schriftsoort gevonden op Kreta) te hebben ontcijferd, en die claim uit juli ben ik daarna nergens meer tegengekomen. Dat maakt wantrouwend, want als het echt iets was geweest, hadden we wel meer gehoord.
Voor het goede begrip: er zijn onvoldoende tabletten om te controleren of een mogelijke oplossing correct is. Een onderzoeker baseert zich op een bepaald tekstcorpus, maar heeft controlemateriaal nodig, en momenteel zijn er simpelweg onvoldoende data om én een basis te hebben voor de ontcijfering én controlemateriaal. Je kunt de “code breken” maar niet weten of je oplossing klopt. We zullen de ontcijfering nog wel meemaken, want het corpus groeit langzaam maar zeker, maar volgens mij is de huidige claim op z’n best een klein stapje, en verdiende die vooralsnog geen publiciteit.
De vaste lezers van deze blog kennen inmiddels de rubriek “zes vragen”, waarin oudheidkundigen vertellen wat ze nu eigenlijk doen. Dat zijn namelijk lang niet altijd de activiteiten waarmee het vakgebied in het nieuws komt. Vandaag is het woord aan classicus Piet Gerbrandy.
Wat bestudeert u?
Mijn onderzoeksveld is nogal breed – ik ben er nooit zo goed in geslaagd me ergens in te specialiseren – maar ik houd me als classicus het liefst bezig met Latijnse teksten die zich bevinden op het snijvlak tussen poëzie, filosofie en religie, met als voornaamste focus de Late Oudheid (vierde t/m zevende eeuw) en de twaalfde eeuw; maar ik maak ook weleens een uitstapje naar het Grieks. Ik ben vooral geïnteresseerd in werken waarvan niet helemaal duidelijk is tot welk genre ze nu eigenlijk behoren, en die je in zekere zin experimenteel kunt noemen. Dat raakt aan mijn andere hoedanigheid: ik bestudeer ook hedendaagse Nederlandstalige poëzie. Verder houd ik me bezig met retorica en poëtica (ik vertaalde Quintilianus’Opleiding tot redenaar en Aristoteles’Poëtica).
Manuscript van Dioskourides (Pergamonmuseum, Berlijn)
Hoe verspreidt een cultuur zich? In elk geval via mensen, die in het ene land of in het ene deel van een samenleving een aspect oppikken van het complexe geheel dat we cultuur noemen, en dat overplaatsen naar een ander land of ander samenlevingsdeel.
Hasdai ibn Shaprut
Voorwaarde voor cultuuroverdracht is dat er behalve een “zender” en een “overbrenger” ook een “ontvanger” is, en het hof van kalief Abd al-Rahman III van Córdoba (r.912-961) was zo’n plek. Aan zijn hof kreeg de joodse geleerde Hasdai ibn Shaprut een warm onthaal: niet alleen was hij de lijfarts van de vorst, maar ook diens belastinggaarder en secretaris voor Latijnse correspondentie. Daarvoor was natuurlijk kennis van het Latijn noodzakelijk, en Hasdai beheerste die taal in twee varianten: het geschreven Latijn en het gesproken Latijn (ofwel het vroege Spaans). Daarnaast sprak hij natuurlijk Arabisch en Hebreeuws. Zijn talenkennis maakte hem tot de ideale gezant en de kalief stuurde hem dus naar de Byzantijnse keizer Konstantinos VII Porfyrogennetos (r.945-959).
Tot de opmerkelijkste vondsten Gholaia (Bu Njem), een van de castella aan de Limes Tripolitanus, behoort een verzameling militaire notities op ostraca (beschreven aardewerkscherven). Ze bieden een zeldzaam inzicht in de Romeinse aanwezigheid aan de rand van de woestijn. Voor het Thesaurus linguae Latinae-lemma repungo mocht ik drieëndertig van die scherven bekijken. Het gaat om lijsten uit de jaren 253 tot 259 waarop de diverse dagtaken staan vermeld. Hier is een voorbeeld dat ik zelf ook niet kan lezen, maar door Robert Marichal is ontcijferd:
Kleio, muze van de geschiedenis (Archeologisch Museum, Timgad)
Ik heb eerder geblogd over Diodoros van Sicilië, een Grieks-Romeinse geschiedschrijver rond het midden van de eerste eeuw v.Chr. Hij had zo’n beetje alle geschiedenisboeken gelezen waarop hij de hand kon leggen en vatte die in eigen woorden samen tot een veertig boekrollen tellende Bibliotheek van de Wereldgeschiedenis. Enkele delen zijn over, andere kennen we alleen fragmentarisch. Door een gelukkig toeval zijn onlangs twee Nederlandse vertalingen verschenen: Gerard Janssen publiceerde in 2024 de boeken 1, 2, 3 en de boeken en 4, 5 met de fragmenten van 6-10. Dit betreft vooral de heel vroege geschiedenis. John Nagelkerken voegde daar een selectie uit de boeken 11-13 aan toe (de geschiedenis van Griekenland in de vijfde eeuw) plus opnieuw boek 1.
De doublure suggereert dat de twee uitgeverijen hun werkzaamheden niet hebben gecoördineerd, maar laten we hopen dat ze dat wel doen voor de boeiende boeken 14-20, waar voldoende in staat dat de moeite waard is, met name Griekenland in de vierde eeuw tot het einde van de oorlogen tussen de opvolgers van Alexander de Grote. De daarop volgende, fragmentarisch overgeleverde boeken 21-40 beslaan de periode tussen 300 en 62 v.Chr.: de hellenistische staten, de Siciliaanse veldtocht van Pyrrhos van Epirus, de Eerste Punische Oorlog, en verder tal van details over de expansie van Rome waarover we geen andere bronnen hebben. Dit zijn onderwerpen die doorgaans onderbelicht blijven en waarop Diodoros enig licht werpt.
Ergens in februari liet een oudheidkundige mailinglijst weten dat een classicus een online-lezing zou verzorgen over “Herodotus and the Invention of History”. Het was gratis, het was online en het was toegankelijk voor iedereen. De goede bedoelingen spatten er vanaf en ik wil er ook niet over mopperen. Daarom blog ik er pas nu over. Maar het is wel onzin.
Geschiedwetenschap
Kijk, het zit zo. Geschiedenis, d.w.z. het verklaren van gebeurtenissen uit het verleden, is een wetenschap. Net als chemie en astronomie. Maar wetenschappen komen niet kant-en-klaar uit de hemel vallen. Aan de astronomie ging het tastend zoeken vooraf van de astrologen en aan de chemie ging de alchimie vooraf. Pas in de Nieuwe Tijd zijn deze activiteiten van een proto-wetenschappelijk stadium overgegaan naar het wetenschappelijke stadium. Het springende punt is, zoals Rens Bod zo mooi heeft beschreven in Een wereld vol patronen, de reflectie op het proces waarmee we informatie zoeken.
De beroemde maansverduistering die generaal Nikias in de zomer van 413 v.C. tot een fatale beslissing bracht, behoort tot de meest dramatische momenten uit de Griekse geschiedenis. Bijzonder aan deze gebeurtenis is dat wij, meer dan 2400 jaar later, met moderne planetariumsoftware zoals Stellarium letterlijk kunnen terugkijken naar dezelfde hemel die Nikias en zijn wanhopige Atheners boven Syracuse zagen. Hiermee krijgen we een directe indruk van de omstandigheden die hun lot bezegelden.
Opgesloten in de Grote Haven
Om dit moment te plaatsen is enige achtergrond nodig. Hier dus een beknopte samenvatting; een uitgebreider verslag is eerder verschenen op dit blog. Midden in de Peloponnesische Oorlog (431-404 v.C.) was het machtige Athene verwikkeld in zijn ambitieuze maar rampzalige Sicilië-expeditie, waarop aangestuurd was door Alkibiades. Wat een snelle overwinning had moeten worden, veranderde in een uitputtende belegering waarin de Atheners steeds verder in het nauw kwamen. Ziekte, bevoorradingsproblemen en herhaalde nederlagen verzwakten hen, terwijl de Syracusanen nieuwe moed vonden.
Een dichteres uit Pompeii, soms geïdentificeerd als Sapfo.
Wat heb ik me op de hals gehaald, dacht ik, toen ik de ruim 230 mooie voorwerpen en tekstennoot Een tekst is natuurlijk ook een voorwerp, meer precies een werktuig, en nog preciezer een container (voor informatie). zag waarmee u reageerde op mijn oproep anderen met schoonheid te verrijken en te bevoordelen. U leverde teveel schoonheid voor één blogje, en sometimes there’s so much beauty in the world, I feel like I can’t take it. Ik begin met een lijst van mooie teksten, en heb op 10 september een blogje over architectuur, en wat daarna komt weet ik nu nog niet.
Observatie vooraf: je zou hebben verwacht dat als mensen houden van een bepaalde cultuur en bijvoorbeeld sculptuur noemen, ze ook wel architectuur zouden noemen en teksten. Maar dat blijkt niet zo te zijn. Soms kan ik verklaren waarom mensen die een bepaalde esthetiek waarderen die wel in de ene kunstcategorie kunnen benoemen maar niet in een andere. Keltische voorwerpen liggen in allerlei musea maar Keltische architectuur is feitelijk niet overgeleverd. Even vaak kan ik het verschil niet verklaren.
De trouwe lezers van deze blog kennen de rubriek waarin dit de alweer vijfde aflevering is: met enkele vragen richten we de schijnwerper op de onderzoekers en het wetenschappelijk proces. Vandaag is het woord aan Josine Schrickx, die in München werkt aan de Thesaurus Linguae Latinae.
**
Wat bestudeert u?
Alles wat van het Latijn overgeleverd is vanaf de vroegste fragmenten uit de zesde/vijfde eeuw v.Chr. tot ca. 600 na Chr. Ik ben eindredacteur van het grootste woordenboek van het Latijn, de Thesaurus linguae Latinae.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.