Muzikantengraf

Grafsteen (Museo Nacional de Arte Romano, Mérida)

De bovenstaande inscriptie is te zien in het Museo Nacional de Arte Romano in het Spaanse Mérida. Ik ben er in of rond 1990 geweest en heb toen dia’s gemaakt, maar die heb ik cadeau gedaan aan het Archeologisch Instituut van de VU en ik heb ze niet meer. (Het zou me trouwens verbazen als ze die nog hadden – mijn eigen dia’s staan ook al jaren op zolder stof te vangen.) De foto hierboven is dan ook gemaakt door een vriend die een huisje in Spanje heeft en weleens oudheden voor me fotografeert.

Getuige de inscriptie heeft een zekere Lutatia Severa de steen opgericht en gewijd aan de ziel van de zestienjarige meisje Lutatia Lupata. De afkorting aan het einde, HSESTTL, betekent Hic sita est. Sit tibi terra levis, “Ze ligt hier begraven. Moge de aarde licht voor je zijn.” De relatie tussen de twee vrouwen wordt aangegeven met het woord alumna, wat vermoedelijk slaat op een leerlinge maar ook kan slaan op een pleegdochter. De naamovereenkomst suggereert dat de lerares een vrijgelatene was van de familie van de overledene. Waarom de ouders of broers van het meisje geen aandeel hadden in de begrafeniskosten? Uw gok is zo goed als de mijne. Misschien was de jonge vrouw verstoten, misschien waren er geen familieleden en hebben we niet te maken met een lerares maar een pleegmoeder.

Lees verder “Muzikantengraf” →

Nis

Tichel met christusmonogram uit Spanje (British Museum, Londen)

Nog heel even iets over het plaatje dat ik afbeeldde bij mijn stukje over de Visigotische aanwezigheid op het Iberische Schiereiland: het Christusmonogram dat ik hierboven nogmaals toon. De zesde-eeuwse tichel, mogelijk afkomstig uit Ronda, is te zien in het British Museum en het (moeilijk leesbare) randschrift luidt BRACARI VIVAS CUM TUIS, waarvan het eerste woord “van Bracarius” betekent en de drie andere zoiets als “moge jij leven bij de jouwen”. Anders gezegd, het is een grafsteen die ooit, beschilderd en wel, tegen een muur of plafond was aangebracht.

De dood wordt dus herdacht door te zeggen dat iemand leeft en dat is niet de enige paradox. De alfa en de omega (de eerste en laatste letters van het Griekse alfabet) staan voor het begin en het einde en dat representeert… de eeuwigheid. Multatuli wees er al eens op dat wie mensen wil mobiliseren, ze een paradoxale boodschap moest geven: we moeten bijvoorbeeld samenwerken voor onze bevrijding. Dat paradoxale boodschappen, die immuun zijn tegen falsificatie, het beste werken, is natuurlijk een wat platvloers inzicht, maar ja, de diepste waarheden liggen nu eenmaal aan de oppervlakte.

Lees verder “Nis” →

Berbers en Arabieren

De moskee van Córdoba

Gisteren blogde ik over het Rijk van Toledo en ik schreef dat deze laat-Romeinse staat, centraal georganiseerd als ze was, door Arabieren in één keer kon worden overgenomen. Koning dood, het hof uitgeschakeld, hoofdstad ingenomen: dan houdt het verder op. Ik werd terecht gecorrigeerd: het leger dat de genadeklap uitdeelde bestond uit Berbers. Het grappige is dat ik daar bij het schrijven aan had gedacht. Omdat het leger marcheerde uit naam van de Umayyadische kalief van Damascus, had ik besloten het stukje niet nog ingewikkelder te maken dan het al was – maar het is geen onbeduidend detail.

De verovering begon in april 711, toen generaal Tariq, een islamitische Berber, met zo’n 12.000 soldaten de Straat van Gibraltar overstak. (“Gibraltar” is overigens een verbastering van Jebel Tariq, “Tariqberg”.) In juli versloeg hij bij Jerez het leger van de Toledaanse koning Roderik, waarna de joden in Córdoba en Écija Tariq en zijn mannen als bevrijders binnenhaalden. Of het enthousiasme oprecht was of een lepe reactie op het simpele feit dat er geen Toledaans leger meer was dat de steden kon beschermen, zullen we nooit meer weten. Wel moet worden aangetekend dat de handelingen van de diverse kerkelijke synodes duidelijk maken dat de christelijke autoriteiten de joden liever zagen gaan dan komen.

Lees verder “Berbers en Arabieren” →

De Visigoten

Een altaarsteun uit Córdoba (Archeologisch museum, Córdoba)

Een kleine twee weken geleden maakten archeologen van de Amsterdamse Vrije Universiteit bekend dat er bij Lienden gouden munten waren gevonden die nieuw licht wierpen op de wijze waarop de Frankische koning Childerik de macht in het noordwesten van het Romeinse Rijk had kunnen overnemen. De Romeinse keizer Majorianus had – vermoedelijk over de twee schijven van generaal Aegidius en een Frankische heerser als Childerik – rond het jaar 460 goud betaald om een Frankisch leger voor zich te winnen en daarmee de Romeinse macht in Gallië te herstellen. Ik beschreef hier en daar hoe het latere Frankische koninkrijk is gegroeid uit het netwerk dat de Romeinen bij die gelegenheid met hun goud versterkten.

De Frankische staat is dus te beschouwen als voortgekomen uit het Romeinse Rijk. Net als het Byzantijnse Rijk. Net zoals de continuering van de Romeinse cultuur in de halfwoestijn van Libië waarover ik al eens schreef. En net als het koninkrijk dat een van oorsprong Visigotische groepering stichtte op het Iberische Schiereiland. Het verhaal van deze groep is soms parallel en soms tegengesteld aan dat van de Franken.

Lees verder “De Visigoten” →

Don Quichot, de ware edelman

De hofdwerg van Filips IV (detail van Velasquez’ “De hofdames“)

In het tweede deel van Don Quichot zitten enkele hoofdstukken waarbij ik me altijd wat ongemakkelijk voel: het verblijf aan het hof van een hertog en een hertogin, die zich vermaken door wrede grappen uit te halen ten koste van de weergaloze ridder uit La Mancha en zijn schildknaap. Het ongemak zit erin dat ik het niet vind aangaan dat je mensen bespot die het minder hebben getroffen dan jij, zoals iemand die lijdt aan een geestelijke ziekte en niet meer in staat is feit en fictie te scheiden. Daarmee heb ik medelijden, maar tot ver in de achttiende eeuw was het volkomen normaal met zulke mensen de draak te steken.

Wie van adel was, had wel ergens een dwerg rondlopen om zich mee te vermaken. Zie het plaatje hierboven: de hofdwerg van de Spaanse koning Filips IV. Een bezoek aan de ongelukkige verpleegden in het dolhuis was vroeger een geliefd uitje. Iemand die zich verbeelde een dolende ridder te zijn, was een legitiem doelwit van vroeg-zeventiende-eeuwse treiterijen. Cervantes en zijn lezers hebben geen moment gedacht dat het gedrag van de hertog en hertogin ongepast was. En dat zegt iets over de wijze waarop Cervantes de Quichot heeft bedoeld.

Lees verder “Don Quichot, de ware edelman” →

Herbergierster

 Een herbergierster (Museo Nacional de Arte Romano, Mérida)

Een herbergierster (Museo Nacional de Arte Romano, Mérida)

De bovenstaande Romeinse grafsteen heb ik in 1990 gezien in het Museo Nacional de Arte Romano in het Spaanse Mérida. De foto is later gemaakt, toen mijn zakenpartner en zijn echtgenote daar ook een kijkje gingen nemen. De voorstelling is niet moeilijk te interpreteren: de overledene werkte in een herberg en is afgebeeld terwijl ze een karafje wijn tapt. Ze zal hebben geleefd in de tweede eeuw.

De inscriptie verraadt een paar details over haar leven. Ze heette Sentia Amarantis en ze werd vijfenveertig. Haar echtgenoot, die het graf liet inrichten, heette Sentius Victor. Misschien waren Sentius en Sentia in de verte familie. Ze zijn zeventien jaar getrouwd geweest en dat betekent dat het huwelijk laat is voltrokken: Sentia was achtentwintig, terwijl Romeinse vrouwen meestal rond hun vijftiende trouwden.

Lees verder “Herbergierster” →

Karthaags DNA

DIGITAL IMAGE
Karthago, Byrsa

Zoals we de laatste tijd weer eens duidelijk mochten zien, is oudheidkundig nieuws zelden echt de moeite waard. Aan het gebeuzel van eergisteren (Sapfo) kan ik nog het gebeuzel van gisteren toevoegen: het graf van Aristoteles zou zijn ontdekt. Er zijn wat laat-antieke bronnen die vertellen dat hij rust in zijn geboorteplaats Stageira in het noorden van Griekenland en nu is daar dus een bijzonder gebouwtje ontdekt.

Dat kan door elke Macedonische edelman zijn gebouwd en er is voorlopig geen enkele reden aan te nemen dat dit het graf is van de grote filosoof. Als het wetenschappelijke rapport er eenmaal is, zal de stoere claim er ongetwijfeld niet meer instaan maar tegen die tijd is de geest uit de fles en de desinformatie in de wereld. Met dank aan de opgravers, die heus wel beter weten. Laten we ons er maar niet over opwinden en het op deze plek gewoon hebben over het échte nieuws, dat er ook is.

Lees verder “Karthaags DNA” →

Roncevalles 778

Roncevalles

Ik blogde gisteren over de vergeefse veldtocht waarmee Karel de Grote in 778 probeerde zijn invloed in Spanje te vergroten. Geen vijandelijke stad viel in zijn handen, de enige stad die werd geplunderd was zijn bondgenoot Pamplona. Wat er daarna gebeurde, lezen we bij Einhard, wiens woorden ik hieronder zal weergeven in de vertaling van Patrick De Rynck.

Niet dat Einhard de betrouwbaarste bron is, overigens. Lees maar hoe hij schrijft over de mislukte Spaanse campagne:

Karel trok de Pyreneeën over, aanvaardde de overgave van alle steden en burchten die hij aandeed en keerde met een behouden en ongedeerd leger terug.

Lees verder “Roncevalles 778” →

Karel de Grote in Spanje

Beeldje van Karel de Grote uit Metz, nu in het Louvre. Het kan ook Karel de Kale voorstellen.

Het huis van mijn ouders staat vol boeken, maar mijn ouders weten dat ze die niet allemaal meer zullen (her)lezen. Daardoor gebeurt het regelmatig dat ik wat boeken meekrijg: ik heb immers de gelegenheid nog wel de boeken te benutten waarvoor ze zijn bedoeld. Dus las ik onlangs de Middelnederlandse versie van het Roelandslied.

De historische achtergrond: in 750 was een einde gekomen aan het kalifaat van Damascus, de daar heersende Umayyadenfamilie was uitgemoord maar er was één overlevende, die in Spanje een Umayyadisch emiraat voor zichzelf begon en lokale potentaten bedreigde, zodat emir Suleyman ibn al-Arabi van Barcelona naar Paderborn trok om zich te plaatsen onder bescherming van Karel de Grote. Die brak zijn campagnes tegen de Saksen af en stak in 778 de Pyreneeën over met – zo vertelt Karels biograaf Einhard – “een zo groot mogelijke troepenmacht”.

Lees verder “Karel de Grote in Spanje” →

Patat met

Teresa van Avila bakt patat

Tijd om een belangwekkende historische kwestie aan te snijden: wie is de uitvinder van de patat? Iemand moet als eerste op het idee zijn gekomen aardappelen te schillen, te snijden en in olie te bakken. De Vlaamse kunsthistoricus Paul Ilegems denkt het antwoord te weten: niemand minder dan Teresa van Avila (1515-1582), de Spaanse mystica.

Ze moet een formidabel persoon zijn geweest: degene die de orde der karmelietessen deed terugkeren naar de oorspronkelijke opzet. Omdat zo’n hervorming een nauwelijks impliciet te noemen verwijt inhield aan andere kloosters, die immers maar wat hadden aangerommeld, werd ze geconfronteerd met nogal wat weerstand, temeer daar het hervormen van religieuze instellingen riekte naar protestantisme. Ga er maar aan staan, als vrouw in de zestiende-eeuwse mannenwereld. Ze werd echter, zo las ik onlangs in een boek over de hertog van Alva, gesteund door belangrijke politici (zoals opgemelde hertog) en bereikte haar doelen.

Lees verder “Patat met” →