Alashiya

De “Zeus-krater” uit Enkomi (Cyprusmuseum, Nicosia)

In de loop van het tweede millennium v.Chr., de Midden- en de Late Bronstijd, werden twee Cypriotische havensteden belangrijk: Kition in het zuidoosten, ruwweg het huidige Larnaka, en Enkomi in het oosten, gelegen achter wat nu Famagusta heet.

Van Enkomi wordt wel aangenomen dat het de hoofdstad kan zijn geweest van een koninkrijk genaamd Alashiya, dat staat vermeld in diverse bronnen uit de Late Bronstijd, geschreven in het Hittitisch, het Ugaritische, het Egyptisch, het Akkadisch en het Mykeense Grieks. Het kan zeker waar zijn. Tegenwoordig wordt ook wel aangenomen dat een Bronstijdnederzetting bij het huidige Alassa, ten noorden van Limassol, een andere plausibele mogelijkheid is. We zullen het ooit nog wel leren.

Lees verder “Alashiya”

Cyprus in de Bronstijd

Cypriotische bronsbaar (Neues Museum, Berlijn)

Tegen het einde van het vierde millennium v.Chr. begonnen de bewoners van Cyprus met de exploitatie van de koperafzettingen in het Troodos-gebergte. Verschillende mijnen uit deze tijd zijn geïdentificeerd en de naam van het eiland, Cyprus dus, is zelfs afgeleid van het metaal dat vanaf nu zo belangrijk was voor de economie. Het lijkt erop dat Cyprus in deze tijd heel nauwe culturele contacten heeft gehad met het zuiden van Anatolië, dus zeg maar Cilicië. Vrijwel zeker gaat het om migratie. Het is maar tachtig kilometer van het vasteland naar Cyprus.

De foto hierboven toont een Cypriotische bronsbaar die ik ooit fotografeerde in het Neues Museum in Berlijn. Op de expositie in het Rijksmuseum van Oudheden die de aanleiding is om deze reeks stukjes te schrijven, hangen er een paar aan een muur. Ik verklap geen groot geheim als ik u zeg dat ze niet echt zijn. De rest van de voorwerpen zijn overigens wel echt. Ik meen dat het Cyprus Museum meer dan 300 voorwerpen aan de collega’s in Leiden heeft uitgeleend en dat is echt veel.

Lees verder “Cyprus in de Bronstijd”

Prehistorisch Cyprus

Cchoirokoitia

Overmorgen opent in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden de expositie “Cyprus, eiland in beweging” en het leek me aardig iets te vertellen over het verleden van dat mooie eiland. Dat moet beginnen met de Prehistorie en dan is Choirokoitia de plaats om te beginnen. Hierboven ziet u enkele gereconstrueerde huizen uit de tijd die archeologen aanduiden als het einde van het Pre-keramische Neolithicum, ofwel de eeuwen tussen 7000 en 6800 v.Chr.

De naam is een beetje raar, maar het komt erop neer dat het Neolithicum oorspronkelijk werd gedefinieerd als dat deel van de Steentijd waarin er aardewerk was. Ook de landbouw ontstond en de sedentaire levenswijze. Later werd duidelijk dat er toch een fase was geweest waarin aan alle kenmerken van het Neolithicum was voldaan, behalve aardewerk. Vandaar: de pre-keramische fase van het Neolithicum. Göbekli Tepe, waarover ik al eens schreef, behoort ook tot die fase, die in Turkije overigens eerder wordt geplaatst.

Lees verder “Prehistorisch Cyprus”

Fenicische kolonisatie

Standbeeld van een magistraat (“suffeet”) uit Lepcis Magna (Nationaal Museum, Tripoli)

Zoveel is zeker: de Feniciërs hebben, komend vanuit wat nu Libanon is, een aantal nieuwe steden gesticht. Kition op Cyprus; Palermo en Marsala op Sicilië; nederzettingen op Malta, Gozo en Sardinië; Lepcis, Oea en Sabratha in Libië; Karthago en Utica in wat nu Tunesië heet; steden langs de Algerijnse en Marokkaanse kust; Malaga en Cadiz in Andalusië.

Het bewijs is voor een groot deel archeologisch maar ook teksten spelen een rol, terwijl sommige kolonies pure speculatie zijn, gebaseerd op namen. Kart Hadašt betekent “Nieuwe Stad” en dat is dus Karthago, en wellicht herkennen we het eerste element ook in de stadsnaam Cordoba, maar dat dit een Fenicische stadstichting is, is niet bewezen. Er zijn daar weliswaar Fenicische vondsten gedaan maar die kunnen duiden op zowel kolonisatie als handel. Dat “Marseille” is afgeleid van Marsa’il ofwel “haven van god” is nog minder zeker. Ik geloof wel in Cordoba, zij het met een voorbehoud, en niet in Marseille.

Lees verder “Fenicische kolonisatie”

Nonfictie

Marcel Hulspas ergerde zich. Daar was ook wel enige aanleiding voor, want het was een wonderlijk bericht dat hij had gelezen. De Bookspot-literatuurprijs had de jury uitgebreid met een historicus om ook eens een onderscheiding te geven aan nonfictie. Niet dat de mensen van de Bookspotprijs niet het beste bedoelden, dat begreep Hulspas wel. Het was een goed idee nonfictie eens in het zonnetje te zetten. De Eureka-prijs, die hier altijd voor had gediend, was immers ter ziele en het was netjes dat Bookspot de lacune wilde vullen.

Toch lag er een probleem. De jury van de Bookspot-nonfictieprijs veronderstelde dat uitgevers hun boeken zouden insturen. Maar stel dat u de uitgever bent van Getallen zijn je beste vrienden van Vincent van der Noort, zou u dat boek inhoudelijk laten beoordelen door een historicus? Kan een geschiedkundige een oordeel geven over Martijn van Calmthouts Echt quantum of Het groot Nederlands vloekboek van Marten van der Meulen e.a.? Het zat Hulspas echt dwars en dus schreef hij op de blog van de VWN (de Vereniging voor Wetenschapsjournalistiek en -Communicatie Nederland) dat die ene historicus

blijkbaar geacht wordt chemie, wiskunde, theologie, biologie, sociale wetenschappen, natuurkunde en rechtswetenschappen er ‘even bij te doen’. Dit is nou adding insult to injury.

Lees verder “Nonfictie”

Drie stammen

Romeinse ruiterij (Institut archéologique du Luxembourg, Arlon)

Het zijn zomaar de namen van drie van de vele etnische groepen die worden genoemd in de Griekse en Romeinse bronnen: de Sunuci, de Frisiavonen en de Baetasii. De oudere Plinius noemt ze één keer. Achter de Schelde, zo schrijft hij, wonen de Catoslugi, de Atrebaten (in Artesië), de Nerviërs (in Henegouwen), de Vermandui (rond Noyon), de Suaeuconen, Suessiones (rond Soissons), de Ulmanectes, de Tungri (rond Tongeren), de Sunuci, de Frisiavones (Nederlandse archeologen zoeken die, om redenen die ik niet ken, in Zeeland), de Baetasi, de Leuci (in Lotharingen), de Treveri (rond Trier), de Lingones (bij Langres), de Remers (rond Reims), de Mediomatrici (rond Metz), de Sequanen (in de Jura), de Raurici (achter Bazel) en de Helvetiërs (langs de Boven-Rijn).

Waar alle groepen uit deze grotendeels systeemloze lijst woonden, is een van de vele geografische puzzels uit de Oudheid, waarbij onderzoekers hypothese op hypothese stapelen. Als de Ulmanectes een schrijffout zijn voor Sulbanetes, dan leefden ze rond Senlis, waar een inscriptie die naam vermeldt. Als, als, als. We zullen vandaag eens speculeren over de Sunuci, Baetasi en Frisiavones.

Lees verder “Drie stammen”

MoM | Hyperdiffusie

Fenicische munt met de afbeelding van een schip en een zeewezen

Ik heb al een paar keer beschreven dat de negentiende-eeuwse oudheidkundigen erin slaagden empirisch bewijs te vinden voor het Verlichtingsidee dat de menselijke geschiedenis bestond uit vooruitgang. Van de Steentijd waren we geëvolueerd naar de Bronstijd en de IJzertijd, wereldrijken waren gekomen en zo voort en zo verder tot aan de Industriële Revoluties in Groot-Britannië en vervolgens, toen de negentiende eeuw ten einde liep, in de Verenigde Staten en in Duitsland.

Je kunt de vraag stellen wat de motor achter de vooruitgang was: spanning tussen individuen (zoals de liberalen meenden) of frictie tussen de diverse klassen (zoals de socialisten dachten) of samenwerking tussen alle lagen van de bevolking, zoals christendemocraten en de anarchist Kropotkin meenden. Wat het antwoord op die vraag ook zij, de groeiende materiële welvaart opende de mogelijkheid tot het maken van ethische keuzes die voordien niet had bestaan, zodat men ook sprak van een toenemend zedelijk peil. Dit alles stond niet ter discussie. Wat wel ter discussie stond was hoe, als de menselijke geschiedenis werd gedomineerd door vooruitgang, de mensheid zulke grote culturele verschillen vertoonde. Verliep de evolutie dan niet gelijkmatig? Waarom dan?

Lees verder “MoM | Hyperdiffusie”