Kwartetten

thysdrus_house_months_mosaic_muses_c255-300ce_clio_1_mus_eldjem
Kleio, muze van de geschiedvorsing (El Djem, Huis van de Maanden)

Ach, de canon. Tja. We zijn weer aan het kwartetten. “Mag ik van jou van de zestiende eeuw Karel de Vijfde? Dan krijg jij van mij de Grachtengordel.” Over het idee om in het onderwijs een canon te gebruiken valt een boom op te zetten. Ik breng in herinnering dat het tegelijk is voorgesteld met plannen voor een Nationaal Historisch Museum dat de Nederlandse nationale identiteit behoorde te versterken. Als dit het doel was, is het inderdaad zinvol kinderen dezelfde vijftig dingen te leren, zodat in elk geval dat vijftigtal verbindend is. Helaas is dat doel onzinnig, aangezien geschiedenis een wetenschap is, “de nationale identiteit versterken” politiek is en wetenschap los behoort te staan van de politiek.

De Canon die de Commissie Van Oostrom opstelde was, gegeven de idiotie van de opdracht, niet de slechtste. Er was bijvoorbeeld voor gekozen om de onvermijdelijke subjectiviteit te verkleinen door eerst enkele leidende thema’s vast te stellen, zoals verstedelijking. En daar was de oudhistoricus die ik ben nogal verbaasd, want waarom werd voor de Romeinse tijd dan in vredesnaam de limes een Canon-venster en niet – ik noem eens wat – de stad Nijmegen? Welke oudhistoricus was eigenlijk geraadpleegd? Er zaten immers geen oudheidkundigen in de Commissie Van Oostrom. Kortom, ik schreef Van Oostrom, die nodigde me bij hem thuis uit en we hadden een prettig gesprek.

Lees verder “Kwartetten”

Misverstand: Rammende galeien

Model van een triëre (Mon repos, Korfu)

Na de Perzische Oorlogen zetten de Atheners de strijd tegen het Perzische wereldrijk voort. Ze hadden de triëren, ze hadden een zilvermijn om de roeiers te betalen, ze hadden de wouden waar het scheepshout groeide, en ze waren voor de duvel niet bang. Wie zich als bondgenoot bij hen wilde aansluiten moest daarvoor betalen, maar kon dan rekenen op bescherming. Een en ander geschiedde tegen concurrerende prijzen, want de Atheners waren goedkoper dan zelf een vloot onderhouden.

Onnodig te zeggen dat er daarna voor een bondgenoot geen weg terug was: wie uit het bondgenootschap wilde stappen, had meestal geen eigen schepen meer, ja had zelf betaald voor de vloot waarmee Athene de achterstallige betalingen kwam innen. Met deze gelden financierde Athene de roeiers: meestal gewone Atheense burgers, die in de volksvergadering niet zelden stemden voor agressieve militaire expansie. Dat leverde immers een leuk inkomen op.

Lees verder “Misverstand: Rammende galeien”

De falende erfgoedbescherming

Dakpan met stempel “EXGERINF” (Exercitus Germaniae Inferioris, “leger van Beneden-Germanië). Voor het goede begrip: deze is én echt én onderdeel van een keurige museale collectie (Swaensteyn, Voorburg). Maar zoiets is me vrijdag dus aangeboden.

Vrijdagmorgen werd ik voor de derde keer deze maand benaderd door iemand die illegaal verworven voorwerpen aanbood. Dakpannen en bakstenen met de stempels van een Romeins legeronderdeel. Dit maak ik vaker mee maar dit keer begon de illegale handelaar de onderhandelingen met een volkomen gêneloos: “heb je belangstelling voor…” Ik heb niet gereageerd (of u moet dit stukje beschouwen als reactie).

Soms begint iemand met “ik vond dit op mijn land” en vraagt hij (altijd een hij) wat het kan zijn. Ik verwijs dan meestal naar een archeohotspot, naar een museum of naar PAN. Als ik daarna niets meer hoor, weet ik dat het geen onschuldige oppervlaktevondst was. Er zijn overigens voldoende vondsten die wél bona fide zijn en de genoemde instellingen helpen bona fide vinders doorgaans graag, professioneel en snel.

Lees verder “De falende erfgoedbescherming”

De gesel Gods (7)

Het graf van Theodorik in Ravenna

[Laatste deel van een zevendelige reeks over Attila de Hun. Het eerste deel was hier en ik behandelde de slag op de Catalaunische Velden, waarin Aetius de Hunnen versloeg.]

Een jaar later, in 452, probeerde Attila Italië binnen te vallen, maar zijn leger was al niet meer zo groot en hij keerde terug. Deze expeditie lijkt bedoeld te zijn geweest om het prestige van de Hunnen op te vijzelen en de coalitie bij elkaar te houden. Niet veel later overleed hij, naar verluidt tijdens zijn huwelijksnacht met een prinses die Hildico heette. (Ze is een van de historische personages achter de Kriemhild van het Nibelungenlied.) De Hunse federatie spatte uit elkaar en al in 454 liepen de Ostrogoten, die tot dan toe Attila hadden gediend, over naar Rome. Later zouden ze onder leiding van koning Theodorik trekken naar Italië.

Zo eindigde de slag op de Catalaunische Velden in een Romeinse zege, zij het mede behaald door legers van Germaanse afkomst. Hoe noodzakelijk was de West-Romeinse overheid eigenlijk nog? Voor de rijksverdediging en de rechtspraak had ze weinig betekenis meer en het gezag van de keizers reikte niet ver. Dat bleek in 455.

Lees verder “De gesel Gods (7)”

De gesel Gods (6)

Een Frankische krijger: de Heer van Morken (Johnny Shumate)

[Voorlaatste deel van een zevendelige reeks over Attila de Hun. Het eerste deel was hier en behandelde het begin van de veldslag op de Catalaunische Velden.]

De anekdote over de stroom bloed waarmee het vorige stukje eindigde oogt onwaarschijnlijk, maar zwaardwonden zijn over het algemeen vrij groot en antieke veldslagen lijken buitengewoon bloedig te zijn geweest. Als er ook nog paarden zijn doodgebloed, is er geen enkele reden om te twijfelen aan Jordanes’ macabere beschrijving.

Het landschap is licht glooiend en toen de Visigotische en Romeinse ruiters hun tegenstanders achternazetten, raakten ze het contact met de Hunnen kwijt, bijvoorbeeld door aan de andere zijde langs een heuvel te rijden. Bij het vallen van de avond bleken ze het kamp van de Hunnen te zijn gepasseerd. Thorismund, de zoon van de gesneuvelde Visigotische koning Theodorik, reed in de nacht argeloos het kampement van zijn vijanden binnen en werd maar met moeite door zijn volgelingen bevrijd. Het woord is opnieuw aan Jordanes (in de vertaling van Hein van Dolen).

Lees verder “De gesel Gods (6)”

De gesel Gods (5)

Kroon uit het graf van een Hunnenleider (Nationaal Museum van Hongarije, Boedapest)

[Vijfde deel van een zevendelige reeks over Attila de Hun. Het eerste deel was hier en ik was gekomen tot Attila’s inval van Gallië in 451 n.Chr. Hij had niet al zijn doelen kunnen bereiken en zocht een plaats om slag te leveren tegen een coalitie van de Romeinen en hun Germaanse bondgenoten, geleid door generaal Aetius.]

Attila meende dat hij een goed slagveld had gevonden op de eindeloze grasvlakte tussen het huidige Troyes en Châlons-sur-Marne: de Catalaunische Velden. Alles draaide om het bezetten van een heuvelrug. Als de soldaten van de Romeinse coalitie die als eersten bezetten, zouden hun bogen een draagwijdte krijgen waarmee ze gelijk kwamen aan de Hunnen; omgekeerd, als Attila’s krijgers de heuvelrug bezetten, dan restte de tegenstanders niets anders dan de aftocht. Jordanes, die in de zesde eeuw een Geschiedenis van de Goten schreef, doet verslag van de veldslag die hier op 20 juni 451 plaatsvond. De fragmenten zijn vertaald door Hein van Dolen.

Theodorik bezette met de Visigoten de rechtervleugel en Aetius met de Romeinen de linker. Ze lieten Sanguibanus in het midden plaatsnemen (hij was de aanvoerder van de Alanen). Dat gebeurde uit strategische voorzorg om de man in wiens moed zij weinig fiducie hadden door een massa getrouwen te omringen. Immers, wie nauwelijks kans krijgt te vluchten, strijdt noodgedwongen mee.

Lees verder “De gesel Gods (5)”

De gesel Gods (4)

Bourgondische gesp (Musée d’Archéologie nationale, Saint-Germain-en-Laye)

[In dit vierde deel van deze zevendelige reeks over Attila de Hun maakt hij dan eindelijk zijn opwachting. Het eerste deel was hier. Ik behandelde de geleidelijke desintegratie van het West-Romeinse Rijk tot 444.]

Dat de afstammelingen van de Germaanse migranten die zich in Gallië hadden gevestigd, merendeels loyaal waren, bleek in 451, toen ze mede in het krijt traden om de Romeinse wereld te verdedigen tegen de Hunnen. De kern van deze stammenfederatie was door Oekraïne en Roemenië naar het westen getrokken, had aanvallen uitgevoerd op het Oost-Romeinse Rijk en had zich gevestigd in het gebied dat eeuwen later, toen de Magyaren dezelfde route aflegden, werd vernoemd naar hun vijfde-eeuwse voorgangers: Hunnenland ofwel Hongarije.

Door isotooponderzoek is bevestigd hoe fluïde deze etnische groep was. Daar waren al aanwijzingen voor, zoals een anekdote van de Byzantijnse auteur Priscus over een bewoner van een stad aan de Donau die erkend werd als Hunse krijger, maar nu zijn er dus ook laboratoriumresultaten die bevestigen dat mensen met een akkerbouwersvoedingspatroon hun sedentaire bestaan inruilden voor een leven als nomadische ruiter, en vice versa. Het is hoe het eeuwenlang is gegaan op de Centraal-Euraziatische steppe.

Lees verder “De gesel Gods (4)”

De gesel Gods (3)

Frankische ruiter op een mantelspeld (Archeologisch park, Xanten)

[Derde deel van een zevendelige reeks over Attila de Hun. Het eerste deel was hier en ik was gekomen tot de plundering van Rome door Alariks Visigoten, die plaatsvond in 410.]

Orosius had, zoals gezegd, een goede reden om de schade van de plundering van Rome in 410 te presenteren als minimaal. Onmiddellijk na de plundering van de stad hadden traditionele Romeinen beweerd dat deze ramp was veroorzaakt doordat de eredienst voor de oude goden was verwaarloosd. Om die kritiek te pareren, schreef Orosius dus zijn Wereldgeschiedenis tegen de heidenen, waarin hij beargumenteerde dat de rampen die de Romeinen sinds de opkomst van het christendom hadden getroffen, wel meevielen en dat vroeger alles slechter was geweest.

Hoewel de tijd deze visie heeft weersproken, had Orosius het in zijn analyse van de plundering van Rome wel ruwweg bij het rechte eind. Alarik wilde land en om die boodschap over het voetlicht te krijgen hoefde hij geen apocalyps te ontketenen. Rome herstelde van de klap en toen de Visigoten in Aquitanië eenmaal hun land hadden gekregen, werden ze trouwe bondgenoten van Rome. Hetzelfde gold voor andere stammen: de Sueben kregen Galicië, in het noorden richtten de Franken verschillende koninkrijkjes in, de Bourgondiërs vestigden zich aan de Midden-Rijn, en aan het land van de Vandalen herinnert nog altijd de naam [V]Andalusië. Met uitzondering van de laatsten, die onrustig bleven, stelden deze stammen zich in deze regel loyaal op en archeologisch gezien zijn er niet zulke grote verschillen tussen een autochtone Romeinse edelman in Gallië en een Visigotische krijger.

Lees verder “De gesel Gods (3)”

De gesel Gods (2)

Petrus en Paulus op een glazen penning van bisschop Damasus (Vaticaanse Musea, Rome)

[Tweede deel van een zevendelige reeks over Attila de Hun. Het eerste deel was hier en behandelde de doorbraak van enkele Germaanse stammen over de Rijn, het Romeinse Rijk binnen. In 410 viel Rome.]

De inname van Rome was voor de Visigoten en hun leider Alarik een middel om een regeling af te dwingen. Ze wilden land. De Romeinse auteur Orosius beschrijft de gebeurtenissen in zijn Wereldgeschiedenis. De vertaling is van Hein van Dolen.

Lees verder “De gesel Gods (2)”

Kamelen en dromedarissen

De twee kamelen uit Egypte op de Zwarte Obelisk (British Museum, Londen); erboven is het tribuut van Jehu van Israël te zien – hier meer.

Wie belangstelling heeft voor de Oudheid en geen academische studie kan of wil doen, kan het beste lid worden van verenigingen als de Archeologische Werkgemeenschap Nederland, Ex Oriente Lux, het Nederlands Klassiek Verbond of de vriendenverenigingen van onze musea. Al die clubs organiseren lezingen en geven tijdschriften uit, zoals Archeologie in Nederland, Phoenix, het onlangs in een nieuwe stijl verschenen Hermeneus en de bladen van die museumverenigingen. Verder zijn er Archeologie Magazine en algemeen historische tijdschriften als Geschiedenis Magazine, het Historisch Nieuwsblad en National Geographic Historia. Ik zal nog wel het een en ander missen.

En dan is er Met andere woorden, het tijdschrift van het Nederlands Bijbelgenootschap. Van de diverse bladen is dit het aardigste en dat zeg ik niet omdat het in principe gratis is maar omdat het net wat meer verdieping biedt dan de andere bladen. Dat hangt mede samen met het feit dat het gaat over een betrekkelijk klein hoekje van de Oudheid: de joodse en christelijke literatuur. Dan kun je net wat dieper gaan. Klein als dat hoekje is, is het natuurlijk wel het hoekje waar de afgelopen eeuwen het meest is op teruggegrepen.

Lees verder “Kamelen en dromedarissen”