Romeinse kamelen

Trajanus en een kameel (© VCoins)

In 161 vielen de Parthen, de bewoners van het antieke Irak en Iran, onverwacht het Romeinse Rijk binnen. Minimaal één legioen werd vernietigd maar de Romeinse keizer Lucius Verus en generaal Avidius Cassius stelden orde op zaken. Op de militaire successen volgde een literaire catastrofe. Iedereen die de schrijfkunst machtig was, schreef namelijk een geschiedenisboek. Het ene was nog slechter dan het andere, meent de geestige Grieks-Romeinse schrijver Lucianus, die een heel traktaat over geschiedschrijving wijdde aan de kwakhistorici van zijn tijd. In de vertaling van Gé de Vries:

Ik heb een historicus moeten aanhoren die nota bene de toekomst beschreef, namelijk de gevangenneming van [de Parthische koning] Vologesus … en dan als hoogtepunt de overwinningsparade waar we zo verlangend naar uitzien. Zo, helemaal bezeten van zijn zienerschap, haast hij zich naar het einde van zijn geschrift. … Hij heeft beloofd over de toekomstige gebeurtenissen in India te zullen schrijven en over de tocht om de aarde via de Buitenste Zee. De Inleiding van zijn ‘Veldtocht tegen India’ is al klaar: het Derde Legioen, met Kelten en een kleine afdeling Mauretaniërs, is onder bevel van Cassius al de Indus overgestoken. Hoe het daar allemaal afloopt en hoe ze de aanval van de olifanten zullen opvangen… onze briljante historicus zal het ons binnenkort vertellen in een brief uit Mouziris of het gebied van de Oxydraken.

Lees verder “Romeinse kamelen”

Sterft “dromedaris” uit?

Pasgeboren dromedarisjes kunnen meteen lopen, zoals deze in een karavanserai in Iran.

Om redenen die u morgen zult begrijpen, ben ik eens gaan turven of de dromedaris in het Nederlands aan het uitsterven is. Ik heb namelijk al jaren de indruk (en blogde daar al over) dat steeds meer mensen het normaal vinden een eenbulter aan te duiden als kameel, hoewel dat een totaal ander dier is, en niet alleen door het dubbele bultenaantal. De dromedaris leeft in het hete Syrië terwijl de kameel is gebouwd op de koude van Centraal-Azië. In mijn herinnering werd het onderscheid vroeger veel preciezer gemaakt. Niemand zou toen hebben gezegd dat het normaal is een dromedaris een kameel te noemen.

Maar goed, dat is slechts mijn indruk. Hoe weet je zeker of die indruk klopt? Ooit zou het uitzoeken eindeloos veel werk hebben gekost maar tegenwoordig zijn er allerlei digitale databanken en doe je het in een paar minuten. Ik heb het eerst geprobeerd bij Nederlab, wat beslist het leukste speeltje is in de taaltuin, maar dat bleek nog niet alle kranten van na 1900 te hebben, terwijl ik die het liefste had. Delpher bood uitkomst, het enorme archief van gedigitaliseerde kranten in de Nationale Bibliotheek.

Lees verder “Sterft “dromedaris” uit?”

De ondergang van Jeruzalem

Het “verbrande huis” in Jeruzalem: een van de herinneringen aan de verwoesting van Jeruzalem in 70.

[Laatste deel van een reeks over de Joodse Opstand in 66-70 n.Chr. Het eerste deel was hier.]

Met de brand in de tempel van Jeruzalem (plattegrond) was de catastrofe nog niet voorbij. Nadat de legionairs bij de smeulende tempelruïne een offer hadden gebracht aan hun adelaars, vernietigden ze de wijken ten westen en ten zuiden van de tempel, daalden af naar de Benedenstad (de huidige Joodse Wijk), waar Simon bar Giora nog altijd de macht had. Na die te hebben verwoest, trokken de legionairs naar de Bovenstad (de Armeense Wijk) en bouwden een dam naar het paleis waar ooit de Romeinse procurator had gewoond. Dit keer was er minder tegenstand van de uitgeputte verdedigers. Op 8 september was de hele stad, of wat daarvan restte, in Romeinse handen.

De Joodse leiders trachtten te ontkomen door rioleringen en andere onderaardse gangen, maar omdat de uitgangen waren geblokkeerd, moesten ze ook gangen graven, wat niet altijd lukte. De eerste die zich door de honger gedwongen overgaf was Johannes van Gischala. Daarna was het de beurt aan Simon bar Giora en Josephus houdt weer relevante informatie achter:

Lees verder “De ondergang van Jeruzalem”

Illegale handel, alweer

Het voorbeeld is wat verouderd maar wel duidelijk: als je in pakweg 1990 op straat in Amsterdam een fiets kocht voor vijfentwintig gulden, dan wist je zeker dat die was gestolen. Je was dus heler. Geen Amsterdammer wist dat niet. Ik moest daar even aan denken toen ik op de website van de NOS las over een kunstverzamelaar die roofkunst teruggeeft aan het land van herkomst, China.

Henk Nieuwenhuys wilde niet langer naar zijn stukken kijken, toen bleek dat de papierwinkel van zijn kunstaankopen niet op orde was. Hij brengt zijn verzameling nu terug naar China en schenkt de collectie aan het Shanghai Museum.

Toen bleek dat de papierwinkel van zijn kunstaankopen niet op orde was? Ik ben geen expert in Chinese kunst, maar ik heb in Londen weleens een Iraanse IJzertijd-ring gekocht en neem van mij aan: daar kwam wat papierwerk bij kijken. Er stond keurig netjes op uit welke opgraving het voorwerp kwam en er was een verwijzing naar de exportvergunning die de regering van zijne keizerlijke majesteit de sjah had afgegeven voor de vondsten uit die opgraving. Dat zal bij de handel in Chinese oudheden niet anders zijn.

Lees verder “Illegale handel, alweer”

Tisha b’Av

Maquette van het tempelcomplex met de burcht Antonia rechts (Israel Museum, Jeruzalem)

[Dertiende deel van een reeks over de Joodse Opstand in 66-70 n.Chr. Het eerste deel was hier.]

Op de honderdste dag van de belegering van Jeruzalem (plattegrond), 24 juli, waren de Romeinse belegeringsdammen zo dicht bij het tempelterras gekomen dat de Joden zelf een van de zuilengangen aan de vlammen prijsgaven. Drie dagen later volgde een tweede, maar het hielp niet veel. De Romeinen naderden gestaag, en op 8 augustus bereikten ze het tempelplein. Josephus meldt dat de hoogste officieren op de volgende dag met elkaar overlegden en dat Titus besloot dat de Romeinen de tempel niet in brand zouden steken. Maar op 10 augustus 70 gebeurde tijdens een gevecht het onvermijdelijke:

Zonder op een bevel te wachten en zonder zich te bekommeren om de gevolgen van zijn daad greep een soldaat, als door een bovenmenselijke hand gestuurd, een stuk hout. Hij klom op de schouders van een medesoldaat en slingerde het brandende projectiel tegen een gouden deurtje dat toegang verschafte tot de tempelvertrekken aan de noordkant. Zodra ze het vuur zagen oplaaien, steeg er onder de Joden een navenant geschreeuw op. Ze renden erop af om de zaak te redden zonder ook maar één moment aan het gevaar voor hun eigen leven te denken of hun krachten te sparen, nu ze zagen dat het gebouw dat ze altijd zo energiek hadden bewaakt, met verwoesting werd bedreigd.

Titus lag net in zijn tent uit te rusten, toen er haastig iemand naar hem toe kwam om hem het bericht vertellen. Hij sprong onmiddellijk op en rende naar de tempel om het vuur tot staan te brengen. (Josephus, Joodse Oorlog 6.252-254; vert. Wes/Meijer)

Dit verhaal, met de suggestie dat God de tempel zelf in brand zou hebben gestoken, is vrijwel zeker onwaar.

Lees verder “Tisha b’Av”

Boekhandelverdriet

Aischylos (Neues Museum, Berlijn)

Er gaan dagen voorbij zonder dat ik een Griekse tragedie lees, maar soms kun je ineens AischylosDe Perzen willen lezen. Gewoon hardop, heen en weer benend, en dus uit een papieren boek. Maar in Gemmenich, waar ik nu een maand woon, is een papieren boek nog niet zo makkelijk te verkrijgen. Vaals heeft het leuke antiquariaat Belcampo, maar ik meende meer kans te hebben dat ik mijn boek zou kunnen kopen als ik het in Aken zou proberen.

Aken heeft een kwart miljoen inwoners. Aken is een universiteitsstad. Aken trekt tienduizenden toeristen. Aken heeft dus goede boekhandels, zoals de Mayersche Buchhandlung, die ooit de grootste boekenzaak van Duitsland was. En Duitsland is het paradijs voor oudheidkundigen. Het Duits was tot de Eerste Wereldoorlog immers dé taal van de Altertumswissenschaft en veel van wat nu in het Engels wordt gepubliceerd, is een herhaling van zetten van wat allang in het Duits gepubliceerd is geweest. Nog altijd is de Griekse Oudheid in Duitsland, meer dan elders, deel van de algemene ontwikkeling. Kortom, ik was optimistisch dat ik in Aken mijn boek wel zou vinden, temeer omdat het volgens de website op voorraad was.

Lees verder “Boekhandelverdriet”

Het beleg van Jeruzalem (3)

Maquette van de burcht Antonia (Israel Museum, Jeruzalem)

[Twaalfde deel van een reeks over de Joodse Opstand in 66-70 n.Chr. Het eerste deel was hier.]

De belegering van Jeruzalem (plattegrond) was voortvarend begonnen en de Romeinen hadden de noordelijke Nieuwe Stad en de Voorstad al ingenomen, maar de belegeringsdammen waarmee ze de burcht Antonia bij de Tempel wilden veroveren, waren door de Joodse verdedigers verwoest.

De Romeinse generaal Titus kon niet anders dan de bestorming uitstellen. Het was, zolang de verdedigers nog energie hadden, geen bruikbare methode. Bovendien waren al zoveel mensen de stad ontvlucht met verhalen over voedselgebrek, dat op den duur uithongering succesvol moest zijn. In drie dagen omringden de legionairs en de hulptroepen de stad met een acht kilometer lange palissade. Josephus vermeldt dat in de wijde omgeving alle bomen waren gekapt, zodat het land er troosteloos bij lag. En hij beschrijft opnieuw de gruwelijkste taferelen: hongerige stedelingen die zich bij de omwalling zonder verzet gevangen lieten nemen, kregen iets te eten, maar gulzig als ze waren namen ze meer dan verstandig was en hun gezwollen buiken barstten open. Daardoor werd ontdekt dat velen goudstukken hadden ingeslikt, en dus werden de lijken opengesneden. Titus durfde de lijkschenners niet te bestraffen omdat het er zoveel waren.

Lees verder “Het beleg van Jeruzalem (3)”