Lukas, arts en evangelist?

Zesde-eeuwse muurschildering van Lukas, gevonden in zijn zogenaamde graf in Efese (Kunsthistorisches Museum, Wenen)

Maar de apostel Lukas, die van het evangelie, die was toch arts? Ik hoorde het deze week weer iemand zeggen. Het is twee, misschien drie keer niet waar. In de eerste plaats was Lukas geen apostel. In de tweede plaats is hij niet de auteur van het evangelie dat zijn naam draagt. En of hij arts was, dat weten we eigenlijk ook al niet.

Drie vermeldingen

Lukas staat drie keer genoemd in de Bijbel. Paulus vermeldt een medewerker met die naam aan het slot van de korte Brief aan Filemon: een zekere Epafras doet de geadresseerde de groeten, en Paulus’ medewerkers Marcus, Aristarchus, Demas en Lukas sluiten zich daarbij aan.

Lukas duikt ook op in twee aan Paulus toegeschreven brieven. (Het maken van teksten in andermans naam was in de Oudheid niet ongebruikelijk. De auteur vertelt dan wat hij denkt dat de echte auteur zou hebben kunnen schrijven. ) In de Brief aan de Kolossenzen staat het enige biografische detail: Lukas “de arts” en Demas doen de groeten. In de Tweede Brief aan Timotheüs vertelt Paulus dat hij door Demas in de steek is gelaten, dat andere metgezellen verder zijn gereisd en dat alleen Lukas nog bij hem is.

Lees verder “Lukas, arts en evangelist?”

De Grote Volksverhuizingen

Momenteel lees ik de Geschichte der Völkerwanderung. Europa, Asien und Afrika vom 3. bis zum 8. Jahrhundert n.Chr., waarin de Duitse oudhistoricus Mischa Meier, een overzicht biedt van wat momenteel bekend is over de Grote Volksverhuizingen. Wellicht heeft Meier niet voldoende te doen aan de universiteit van Tübingen, want het boek telt een lieve 1500 bladzijden: 1100 bladzijden tekst en nog 400 pagina’s noten. Het is fascinerende lectuur want er is geen tegel die Meier niet even optilt om te zien wat er onder zit. En wat hij eronder vandaan haalt is altijd de moeite waard. Er is bijvoorbeeld een even uitvoerige als boeiende beschrijving van wat een “volk” nu eigenlijk is en wat “verhuizing” nog betekent nu duidelijk wordt hoe mobiel mensen in de Oudheid waren.

Het boek is thematisch van opbouw. Na een dikke honderd pagina’s waarin hij uitlegt dat de bronnen niet zomaar geloofd mogen worden en dat archeologie ook niet alles is, was in elk geval deze lezer al totaal onder tafel gebeukt. Ik meende dat we, als het ging over de Grote Volksverhuizingen, toch wel wat zekerheden hadden, maar dat de val van Rome in 410 – zo’n beetje het hoogte/dieptepunt van het tijdvak in kwestie – eigenlijk nauwelijks in de bronnen staat vermeld, had ik me nog nooit zo gerealiseerd. Zeker, oudheidkundigen citeren Hieronymus’ verdrietige uitbarsting en Orosius’ verslag van de plundering, maar eigenlijk stellen die bronnen zoveel niet voor. De ene is geschreven in Betlehem, dus bepaald geen ooggetuigenverslag, en de andere is christelijke propaganda van vele jaren later.

Lees verder “De Grote Volksverhuizingen”

De trein. Nog steeds ellende

O ja, de trein. Al een tijd niet over geschreven. Ik zal de schade even inhalen. U bent het ten slotte van me gewend.

De leutige conducteur

Elke conducteur leest, als de trein ergens aankomt, een verhaaltje voor. Dat je je bagage moet meenemen, dat je moet uitchecken. Dat is een standaardpraatje maar sommige conducteurs vinden het prettiger het op hun eigen manier te vertellen. Zo ook in de trein die mij onlangs bracht naar Schagen. Op zeker moment riep de conducteur “Heerhugowaard” om en ik keek verstrooid uit het raam. Wat leken al die Vinexwijken toch op elkaar, dacht ik, maar de consequentie zonk niet bij me in omdat de conducteur niet zijn standaardriedeltje afdraaide maar iets origineels zei dat mijn aandacht vroeg. Even later zette de trein zich in beweging en begreep ik waarom die stadswijk me zo bekend was voorgekomen: ik was in Schagen.

(Advies aan de conducteurs: doe geen eigen verhaal. Ik waardeer de persoonlijke noot wél maar het leidt af. Zeg wat je zeggen moet goed.)

Ik was niet de enige die in Anna Paulowna uitstapte om terug te sporen naar Schagen. Als om in te wrijven dat de Nederlandse Spoorwegen lak aan hun reizigers hebben, reed de trein die we moesten hebben, recht voor onze neus weg.

Toen ik door iemand met een auto werd afgehaald, stonden er nog mensen op het perron. Het regende zachtjes. Het kleine restaurantje op het perron waar je anders even een bak troost pakt, was gesloten.

Lees verder “De trein. Nog steeds ellende”

De sarcofaag van Tabnit

Sarcofaag van Tabnit (Archeologische musea, Istanbul)

De negentiende eeuw zag het ontstaan van de wetenschappelijke archeologie. Was het opgraven van oude voorwerpen altijd een speurtocht naar kunst geweest, nu groeide het besef dat het bodemarchief meer bood dan alleen mooie voorwerpen. In Italië valt te wijzen op de opgravers van Herculaneum, waar kunsthistorische rovers het al in de achttiende eeuw aflegden tegen mensen met een algemenere ontwikkeling. Voor zover ik weet waren zij de eersten die de Griekse term die ze in hun Latijnse correspondentie gebruikten voor hun werkzaamheden, ook gebruikten in de volkstaal: ze waren archeologen, “oudheid-kundigen”, en bestudeerden de archeotetes, “oudheden” omwille van de logos, de wetenschap. In Nederland was de Valtherbrug bij mijn weten de eerste opgraving met een wetenschappelijke inslag.

Ottomaanse archeologie

Ook in het Ottomaanse Rijk ontstond wetenschappelijke belangstelling voor het materiële aspect van de antieke cultuur. Je denkt “ze imiteerden westerse ideeën” en je hebt gelijk, maar het is complexer dan dat. Het boek Scramble for the Past toont dat de diverse volken in het rijk van de Sultan – de Grieken, de Arabieren, de Armeniërs, de Joden – al eerder belangstelling ontwikkelden voor hun verledens. Maar het was niet alleen daar dat de nieuwe wetenschappelijke inzichten konden rekenen op warme belangstelling. De centrale overheid was eveneens geïnteresseerd. De grootste speler was Osman Hamdi. Zijn buste verwelkomt nog altijd de bezoekers in de musea die hij in Istanbul stichtte.

Lees verder “De sarcofaag van Tabnit”

De maan en de ster van Byzantium

Munt uit Byzantion

Hé, dat wist ik niet. Dat van die munt hierboven dus. Ik had altijd gedacht dat de Turkse vlag, met die maansikkel en die ster op een rode achtergrond, een Ottomaans ontwerp was. De legende, waarover ik weleens heb geblogd, wil dat de Turkse sultan Mehmet de Veroveraar, toen hij Constantinopel had ingenomen, de reflectie van de maan en een ster zag in een plas bloed en dat dit de reden was waarom de Turkse vlag eruit ziet zoals ze eruit ziet. Legende, zeker, maar in elk geval een verhaal uit de Ottomaanse tijd. Nooit heb ik gedacht dat het ontwerp ouder zou kunnen zijn.

De combinatie van ster en maan is echter al te vinden op munten die in de eerste eeuw v.Chr. in Byzantium zijn geslagen. Anderhalf millennium dus vóór de val van Constantinopel. Ook hierover bestaat een legende.

Lees verder “De maan en de ster van Byzantium”

MoM | Een molensteen en wat dat betekent

Molensteen uit Ezinge (Museum Wierdenland, Ezinge)

De Tweede Hoofdwet van de Archeologie luidt “wat een archeoloog ook vindt, hij zal het belang altijd groter voorstellen dan het is, zelfs als hij rekening houdt met de Tweede Hoofdwet van de Archeologie”. Een treffend voorbeeld is de Amerikaanse archeoloog Lewis Binford, die in de jaren zestig een New Archaeology propageerde.

Overdrijving één: zo nieuw was de Nieuwe Archeologie nou ook weet niet. Europese archeologen als Grahame Clark waren Binford al voorgegaan op de door hem voorgestelde weg. Ik blogde daar al over en zal die materie nu laten rusten. Overdrijving twee is vandaag waar het om gaat: de claim dat aan de materiële cultuur voldoende informatie viel te onttrekken om n’importe welke vraag te beantwoorden. In zijn intellectuele autobiografie, An archaeological perspective (1972), schreef Binford:

It is highly improbable that the multiple, independent variables which determined the form of any item or distribution of items should be restricted to only one component of a cultural system. This means that data relevant to most, if not all, the components of a past sociocultural system are preserved in the archaeological record. Lees verder “MoM | Een molensteen en wat dat betekent”

De identiteiten van Hariulf

Grafschrift van Hariulf (Landesmuseum, Trier)

De Romeinse bronnen noemen eindeloos veel Germaanse volken en stammen. Een zo’n groep is die van de Bourgondiërs, die we, op gezag van de geograaf Ptolemaios van Alexandrië, in de tweede eeuw n.Chr. ergens tussen de Oder-Neisse en de Weichsel kunnen plaatsen. Later, in de crisis van 406/407 (meer…), zou deze groep naar het westen trekken. Dit is een andere manier om te zeggen dat de Bourgondische elite aansluiting zocht bij het netwerk van de Romeinse elites. Ze kregen land toegewezen langs de Rijn, vrijwel zeker rond Worms, waar archeologen inderdaad Oost-Germaanse voorwerpen hebben gevonden. Het Nibelungenlied bevat echo’s uit deze tijd.

Al eerder waren Bourgondiërs naar het westen getrokken. Ze golden als de aartsvijanden van de Alamannen, zoals de Romeinen de bewoners van het huidige Baden-Württemberg aanduidden. Toen keizer Valentinianus I aan de macht was gekomen en zich in 367 via een machtsdemonstratie verder wilde legitimeren, zocht hij een van de Alamannische leiders, een zekere Macrianus, uit als vijand en rukte tegen hem op, samen met de Bourgondiërs. Ergens aan de Neckar versloegen de Romeinen en Bourgondiërs hun tegenstanders.

Lees verder “De identiteiten van Hariulf”

Een oudheidkundige groepsblog

Een tijdje geleden vertelde ik dat ik me op mijn toekomst aan het bezinnen was. Mijn twijfel kwam ook aan bod in het interview dat ik afgelopen maandag mocht geven aan het Handelsblad. Mijn ongemak: er verbetert niets. In alle bescheidenheid denk ik dat ik een paar redelijke boeken heb geschreven en dat mijn rubriek Methode op Maandag toont dat de bestudering van de Oudheid een wetenschap is. Maar wat we hiermee winnen gaat zó verloren als ondeskundige deskundigen op TV zwatelen over de vloek van de farao, over een Jezus zonder halachische opvattingen of over de val van het Romeinse Rijk door Germaanse invallen. Zolang zulke publiciteit domineert, domineert ook het beeld dat de oudheidkundige disciplines intellectueel de moeite niet waard zijn.

Hoe diep de minachting voor de wetenschap inmiddels is, leert de herziening van de historische canon. De commissie vond het overbodig classici, oudhistorici of archeologen om advies te vragen. (Toen ik vroeg welke adviseurs waren geraadpleegd, kreeg ik als ontwijkend antwoord te horen waarom de gemaakte keuze verdedigbaar was. Als oudheidkundige ken ik de contra’s en pro’s natuurlijk niet. Daarvoor moeten oudheidkundigen te rade bij een specialist in de naoorlogse geschiedenis van Nederland.) Zolang er zo veel meer pulp dan kwaliteit is, is verdergaan verspilling van energie. Het is waarom de Livius Nieuwsbrief al een tijdje stil ligt.

Lees verder “Een oudheidkundige groepsblog”

Een wonderlijk altaar uit Hatra

Altaar uit Hatra (Museum van Bagdad)

Wat een raar ding, dit – eh, hoe zal ik het noemen? – altaar uit Hatra, de hellenistische stad in het noorden van Irak. Het is misschien het beste het te bekijken van onder naar boven. Onderaan bevindt zich een grijswit, marmeren, vierkant huisje met nissen. Dit huisje, omgeven door acht pilaren, is in feite het model van een heiligdom. In de vier nissen staan goddelijke figuren, zoals een adelaar: een gebruikelijk soort afbeelding in deze contreien, meestal uitgelegd als het voertuig van de ziel.

Op zeven van de zuilen staan – wat lastig te herkennen – standaards afgebeeld, min of meer zoals op dit reliëf. De standaards representeren de hemelgoden: aan de ene zijde (links achter, voor ons onzichtbaar) zijn dat de Maan en Mercurius; aan de zijde op de foto zijn dat Venus, de Zon en Mars; aan de rechterzijde Jupiter en Saturnus. De achtste zuil, helemaal achteraan, is onversierd.

Lees verder “Een wonderlijk altaar uit Hatra”

Cornelis de Bruijn in Giza

Afbeelding uit “Reizen van Cornelis de Bruyn door de vermaardste Deelen van Klein Asia” (1698)

Ik heb een paar helden. Montesquieu, Winckelmann, de cirkel rond Von Humboldt, Droysen, Schliemann, Weber, Millar, Sancisi-Weerdenburg. En Cornelis de Bruijn. Lees de biografie van de Haagse reiziger en tekenaar die als eerste tekeningen van Jeruzalem en Persepolis naar Europa bracht en u begrijpt waarom.

In 1681 bezocht hij Giza. Ik geloof niet dat hij zich realiseerde dat drieënveertig eeuwen naar hem terugkeken, maar hij ging de piramiden binnen en tekende bijvoorbeeld de Grote Galerij die leidt naar het oorspronkelijke graf van Cheops. Dat is nog decennia lang uniek beeldmateriaal gebleven. De schets hierboven heeft hij toen ook gemaakt. En er is natuurlijk iets raars mee aan de hand. De piramiden zijn te puntig.

Lees verder “Cornelis de Bruijn in Giza”