Een soirée met Drs.P.

[Vanavond even een gastbijdrage aan deze blog, ingezonden door egyptologe/archeologe Sigrid van Roode, die u vorige week zag in dit filmpje.]

Een broze Drs.P. zit in een rolstoel naast de vleugel in de OBA te Amsterdam. Zijn jonge begeleider speelt De Gezusters Karamazov, de dan al demente doctorandus zingt de tekst. Kraakhelder en foutloos komen de vertrouwde woorden voorbij. Als de laatste akkoorden wegsterven, licht het gezicht van de hoogbejaarde doctorandus op. Hij straalt en zegt enthousiast: “Júist!” Het is één van de korte filmfragmenten in het eerbetoon dat Erik van Muiswinkel in de Leidse schouwburg opvoerde en waar ik in gezelschap van twee mede-adepten op een koude dinsdagavond naartoe was gegaan.

Ik hou van taal, van mensen die zich daarvan weten te bedienen en van mensen die daar net zo blij van worden als ik. Ik hou van Vondels rinkinkerende Aeneas en val als een blok voor de elegante zinnen van Frits van Oostrom in zijn Maerlants Wereld. Eén van de cassettebandjes, in onze studententijd door mijn beste vriendin meegebracht naar een opgraving, leverde eenzelfde plezier: dat was Drs.P. Compilé sur CD, of althans zoveel daarvan als op het bandje paste. De enjambementen in De Grenadiertjes, het enthousiasme in Sla, de uitsmijter van De Commensaal: ik genoot van zijn taalbehendigheid en oubollig krakende stem. Sneker Café en O wat leuk werden tot officieuze opgravingsliederen, en bij nader inzien bleek ik Dodenrit en Knolraap en Lof, Schorseneren en Prei allang te kennen. Want zo gaat dat, zei mijn gezelschap tijdens ons diner voorafgaand aan de voorstelling: Drs.P. hoef je niet uit je hoofd te leren, dat ken je op een gegeven moment gewoon.

Lees verder “Een soirée met Drs.P.”

Sint-Nikolaas

Verpletter de ketter: Nikolaas slaat een andersdenkende tegen de vlakte (Soumela-klooster, Turkije)

Iemand met de Bijbel om de oren slaan, kent u die uitdrukking? Ik moest daaraan denken omdat christenen morgen de sterfdag gedenken van de heilige Nikolaas van Myra. Het is op die dag verplicht mensen die de precieze chalkedonische formulering van de twee naturen van Christus niet kunnen reproduceren, een pets te verkopen.

Voor hun eigen bestwil en hun zielenheil uiteraard.

Lees verder “Sint-Nikolaas”

Augustinus’ olijfboom

Wat opvalt bij het lezen van Augustinus is dit: hij was rusteloos op zoek naar de waarheid. Hij bekeerde zich dus eerst (na de lectuur van Cicero’s Hortensius) tot de filosofie, bekeerde zich tot het manicheïsme, bekeerde zich tot het christendom, bekeerde zich daarbinnen weer tot de variant die we nu orthodox noemen en vond geen rust. De polemieken rond het pelagianisme zijn niet de teksten van een man die tevreden is met wat hij heeft gevonden of heeft bereikt.

Hij was bereid voor de waarheid een hoge prijs te betalen. Hij had, in de keizerlijke residentie Milaan, een voorname positie aan het hof, stond op het punt zich in te trouwen in een vooraanstaande familie en mocht vooruitzien naar lucratieve betrekkingen in het rijksbestuur, toen hij ineens een punt zette achter die loopbaan en zich terugtrok. Hij was maar een venditor verborum geweest, een kletsmajoor. Het is alsof iemand die op het punt staat de Nobelprijs voor de Letteren te krijgen, concludeert dat literatuur eigenlijk maar prietpraat is, de Zweedse Academie adviseert naar de pomp te lopen en besluit de waarheid buiten de literatuur na te jagen. Dat Augustinus zoiets deed, illustreert zijn gedrevenheid.

Lees verder “Augustinus’ olijfboom”

Augustinus’ perenboom

Een van de bekendste verhalen uit AugustinusBelijdenissen is een jeugdherinnering aan de diefstal van wat peren. Samengevat komt het erop neer dat de toekomstige bisschop van Hippo vertelt hoe hij met de opgeschoten jeugd van Thagaste (het huidige Souk Ahras, waar ik vandaag hoop aan te komen) aan het spelen was toen ze naast de wijngaard van Augustinus’ familie een boom zagen vol rijpe peren. De jongens vonden de vruchten er niet bijster smakelijk uitzien maar besloten ze toch te gappen.

Zo gezegd, zo gedaan, maar de peren smaakten zo beroerd als ze eruit zagen, dus voerden ze die maar aan de varkens. “We deden het alleen omdat we zin hadden iets te doen dat verboden was”, schrijft Augustinus, die vervolgens een jammerklacht aanheft waarin allerlei Bijbelpassages doorklinken. Die vorm is minder vreemd dan het lijkt – de man dacht nu eenmaal in Bijbeltermen en de ene allusie riep de volgende op. Wie de Belijdenissen leest, went er wel aan. Wat ik echter vreemd vind, is dat Augustinus vele jaren na de gebeurtenissen, toen hij al midden veertig was, er nog steeds oprecht ontdaan door lijkt te zijn. Ik kan me niet voorstellen dat ik ooit over de diefstal van sesamkoekjes op winkelcentrum Anklaar in Apeldoorn zal schrijven dat het schandelijk was, dat ik ervan hield, dat ik hield van ten gronde gaan, dat ik mijn ondergang beminde. Augustinus heeft voor zulk exuberant rouwbeklag genoeg aan een perelaar.

Lees verder “Augustinus’ perenboom”

Gezicht op Hippo

Gezicht op Hippo Regius

Hippo Regius, ooit door Feniciërs gesticht, was een belangrijke stad. De titel Regius, “koninklijk”, geeft aan dat het de residentie was van de vorsten van de Massylische Numidiërs, van wie Massinissa (r.202-148) de beroemdste is. De resten uit de Romeinse tijd strekken zich uit over een gebied van zeker vijf kilometer lengte en zijn, zo schijnt me toe, weer een mooi voorbeeld van het gegeven dat een antieke stad niet per se één centrum hoefde hebben. Net als Nijmegen, dat zo rond 100 n.Chr. bestond uit een legioenkamp, een handelshaven, een woonstad en een religieus centrum, was ook Hippo een conglomeraat van neerzettingen, met een civiele kern in het zuiden, een civiele kern in het noorden en daartussen een handelshaven.

De zuidelijke kern is opgegraven. Ze ligt tussen twee heuvels en hier is het forum geïdentificeerd, samen met een macellum (een soort markthal), stadsvilla’s, een enorm badhuis en een kolossale kerk. De noordelijke kern is minder goed bekend: het is de middeleeuwse en Ottomaanse stad, met een wonderbaarlijk mooie, bijna duizend jaar oude moskee die is vernoemd naar de Andalusische mysticus Sidi Bou Merouane. Gelukkig hebben we voor de reconstructie van de noordelijke kern bovenstaand mozaïek nog, dat te zien is in het museum bij de opgravingen in het zuiden.

Lees verder “Gezicht op Hippo”

De man die “ik” zei

De oudste afbeelding van Augustinus (Lateraan).

Tegen de tijd dat u dit leest, zitten mijn reisgenote en ik waarschijnlijk aan het ontbijt in een hotel in Annaba. Het is het oude Hippo Regius, de bisschopsstad van de kerkvader Augustinus (354-430). Afkomstig uit een niet al te vermogende familie mocht hij naar school, stichtte hij zelf een schooltje in Karthago en maakte hij carrière in Italië, waar hij een hoge positie wist te verwerven in de keizerlijke residentie Milaan. Juist toen hij op het punt stond zich in een vooraanstaande familie in te trouwen en vooruit mocht zien naar een leuke functie in het rijksbestuur, bekeerde hij zich tot het christendom. Dat blokkeerde zijn verdere wereldlijke carrière.

Of beter: hij bekeerde zich, op een moment dat de nieuwe Romeinse godsdienst nog niet helemaal was uitgekristalliseerd, tot een christendom dat een wereldlijke carrière blokkeerde. Hij had ook een andere keuze kunnen maken, maar koos voor een ingetogen en asketisch leven in wat we nu een klooster zouden noemen. Dat verhinderde niet dat hij bisschop werd in de havenstad Hippo – het Annaba waar we nu zitten te ontbijten dus – en een oeuvre schreef waarin hij de grondslagen legde van de westerse theologie. In Hippo dicteerde hij ook zijn beroemde Belijdenissen, een soort autobiografie waarin hij ervan getuigde dat God hem, ondanks allerlei dolingen en dwalingen, steeds nabij was geweest. De Belijdenissen zijn dus in de eerste plaats een tekst met een pastoraal doel: Augustinus wilde de gelovigen in Hippo de zorg van God tonen. Maar niet alleen dat.

Lees verder “De man die “ik” zei”

Naar Algerije

Ons diner (het derde gerecht van boven): köfte ofwel ballen des gehakts. De naam van het vierde gerecht illustreert dat de Algerijnen aan de verkeerde kant staan in de patat-en-frietse twisten.

We arriveerden in Annaba, de eerste grote havenstad in Algerije als je aankomt uit Tunesië, eerder dan we hadden gepland en dat betekent dat ik opnieuw tijd heb voor een blogje over wat ik zoal heb meegemaakt. Dat is niet zoveel hoor. Eerst had ik in Tunis een korte zakelijke afspraak en daarna kwam onze Algerijnse chauffeur ons ophalen om ons naar Annaba te rijden. Na het gebruikelijke trage rijden om een grote stad uit te rijden, bereikten we de autosnelweg, waarna we met een strakke 170 westwaarts reden, zodat ik me soms afvroeg wanneer we zouden opstijgen.

Na een vlakte volgde een wat heuvelachtig landschap dat me deed denken aan Sicilië. Op een minaret in een stadje dat Béja heette zag ik een ooievaarsnest. We staken de bergen over en bereikten de kust bij de havenstad Tabarka. Het was makkelijk te begrijpen waarom de Feniciërs deze regio hebben gekoloniseerd, want het landschap is volkomen vergelijkbaar met Libanon: beboste bergen die komen tot aan de zee.

Lees verder “Naar Algerije”