De Joodse Opstand (4)

Romeins portret, mogelijk Josephus (Les Dossiers d’ Archéologie, 2001)

[Vierde deel van een reeks over de Joodse Opstand in 66-70 n.Chr. Het eerste deel was hier.]

De Joden hadden het garnizoen van Jeruzalem uitgemoord en een Romeinse strafexpeditie verslagen. Ze wisten dat er nu geen compromis met Rome meer mogelijk was. Een nieuwe hogepriester creëerde een provisionele regering waarin ook enkele bij het volk populaire leiders waren opgenomen, zoals de al genoemde Simeon ben Gamaliël. Het nieuwe bestuur lijkt vooral de macht voor de traditionele elite te hebben willen behouden en, als ze eenmaal het radicaliserende volk weer tot de orde had geroepen, onderhandelen met Rome.

Daarom zond het nieuwe bewind generaals naar de andere delen van het land, die zowel de verdediging tegen de legioenen moesten organiseren als de eigen bevolking disciplineren. Josephus kreeg daarbij de belangrijkste sector toegewezen: Galilea in het noorden, waar hij als eerste contact zou maken met de Romeinse troepen. Voor zover bekend had hij geen militaire ervaring, maar hij had in 64 Rome bezocht  – heeft hij de stad zien branden?  – en kende de keizerin. Voor het diplomatieke spel dat een generaal moest spelen, kon dit, zoals zal blijken, aanzienlijke voordelen hebben.

Lees verder “De Joodse Opstand (4)”

De Joodse Opstand (3)

Een Romeinse aquilifer met de adelaarstandaard van zijn legioen, opgeruimd in een beschermende kooi, klaar voor transport (Apamea)

[Derde deel van een reeks over de Joodse Opstand in 66-70 n.Chr. Het eerste deel was hier.]

Onze voornaamste ooggetuige, Josephus, bevond zich op het moment van de moord op de messias Menachem in de tempel in Jeruzalem, naar eigen zeggen omdat hij was gevlucht voor de hysterische massa’s. Maar de tempel was in deze dagen wel de laatste plek om veiligheid te zoeken. Het is mogelijk dat Josephus een van de stedelingen was die in het gezelschap van Eleazar de Tempelwacht korte metten kwam maken met de plattelandsmessias. Zekerheid valt niet meer te krijgen omdat de historicus, als zijn eigen rol in het geding is, vaak nogal creatief omspringt met de feiten. Het gegeven dat hij korte tijd later generaal was en niet moe wordt de tactloosheid van de Romeinse gouverneur te benadrukken, bewijst echter dat er een moment is geweest waarop Josephus sympathiseerde met de opstand.

In elk geval moest hij, zoals elke rijke Jood, weinig hebben van het messianisme, dat de maatschappij wilde veranderen en dus niet in het belang was van de gevestigde orde. Zoals nog zal blijken, had hij ook een persoonlijke reden om te verbergen dat er een rijke theorievorming over de messias bestond. Het resultaat is in elk geval dat de Joodse historicus zijn lezers in het ongewisse laat over misschien wel de belangrijkste factor bij de escalatie: dat veel Joden in de strijd tegen Rome rekenden op bovennatuurlijke bijstand en geen reden zagen compromissen te zoeken.

Lees verder “De Joodse Opstand (3)”

De Joodse Opstand (2)

Maquette van Jeruzalem (Museumpark Orientalis)

[Tweede deel van een reeks over de Joodse Opstand in 66-70 n.Chr. Het eerste deel was hier.]

Tot nu toe was het gewapende verzet tegen de Romeinen een plaatselijke aangelegenheid geweest, beperkt tot Jeruzalem, maar de zaak werd gecompliceerd toen de Sicariërs zich in de strijd mengden. Zij vonden hun deels Joodse, deels niet-Joodse aanhang op het platteland en stonden onder leiding van afstammelingen van Judas de Galileeër, die in 6 n.Chr. leiding had gegeven aan het verzet tegen de annexatie. Zijn zonen Jakob en Simon hadden in 47 een soortgelijke opstand met de dood moeten bekopen, en in 66 was een zekere Menachem aan de beurt, een tot dan toe onopvallende schriftgeleerde.

Hij overviel het arsenaal in Masada, bewapende zijn aanhangers met Romeinse wapens en trok naar Jeruzalem, waar hij de laatste Romeinse hulptroepen in het nauw dreef en een klimaat creëerde waarin de hogepriester kon worden gelyncht. Onmiddellijk daarna zou hij het, volgens Josephus, hoog in de bol hebben gekregen. De commandant van de tempelwacht, Eleazar, was woedend en riep de families van de stedelijke elite bij elkaar.

Lees verder “De Joodse Opstand (2)”

De Joodse Opstand (1)

Nero (Glyptothek, Munchen)

Ik blogde al eens over de brand in Rome. Keizer Nero, die weliswaar liever muzikant was geweest maar als het erop aankwam een competent keizer kon zijn, nam meteen maatregelen. De pyromanen werden al snel geïdentificeerd: het zouden Joden zijn, allochtonen die woonden tegenover de plek waar de brand was uitgebroken. Preciezer nog: het waren Joden die de leer volgden van de charismaticus Jezus de Nazareeër.

De brandstichters werden levend verbrand en anderen werden voor de honden geworpen. Dat was een dramatische reconstructie van de bestraffing van Aktaion, een jager die zich in mythologische tijden had vergrepen aan de moeder van Dionysos, de god die destijds werd beschouwd als de Griekse tegenhanger van de god der Joden. Nero presenteerde zich dus als beschermer van het ware Jodendom tegen verkrachting door de christenen.

Lees verder “De Joodse Opstand (1)”

MoM | De bronnen van een bron

Schriftgeleerde met boekrol (Catacombe van Petrus en Marcellus, Rome)

Stomtoevallig ontdekte ik dat in de katholieke kerken gisteren de lezing uit het Nieuwe Testament een verhaal was waar een historicus zijn vingers bij aflikt: Marcus 12.28-34. Een waanzinnig interessante passage, maar voor we daar mee aan de gang gaan, eerst wat context. Chronologisch bevinden we ons in wat bekendstaat als de lijdensweek, de dagen tussen Jezus’ triomfantelijke intocht in Jeruzalem en zijn arrestatie en kruisiging. Marcus benut dit deel van zijn evangelie om Jezus op het tempelplein in debat te laten treden met allerlei mensen, zodat de lezer/luisteraar nog een keer een beeld krijgt van wie Jezus was, voordat het evangelie zijn ontknoping krijgt.

In deze gesprekken

  1. wimpelt Jezus een vraag naar zijn bevoegdheid af (11.27-33),
  2. bekritiseert hij de tempelautoriteiten (12.1-12),
  3. ontwijkt hij een strikvraag over het betalen van belastingen (12.13-17),
  4. ontwijkt hij een tweede strikvraag over het leven na de dood (12.18-27),
  5. voert hij een gesprek met een schriftgeleerde over de rangorde van de geboden (12.28-34) en
  6. waarschuwt hij zijn publiek voor schriftgeleerden (12.35-40).

Kortom, Marcus presenteert ons een Jezus die iedereen te slim af is: als messias is hij dé autoriteit, meer nog dan de tempel of de schriftgeleerden, en de boodschap van de messias betreft een uitleg van het voornaamste gebod. Tot zover de context. Het gaat om het vijfde gesprek.

Lees verder “MoM | De bronnen van een bron”

Jachin en Boaz

De “high place of worship” in Sfiré

Sfiré is een stadje in het noorden van Libanon, niet heel ver van de Syrische grens, waar niet minder dan zes antieke tempels staan. Eén ervan staat bekend als “het grote huis” en is naast de plaatselijke moskee: een aardig voorbeeld van een cultusplaats die al minimaal een millennium of twee in gebruik is. Een ander staat op een heuveltop die ik te ver vond om te beklimmen; drie tempels staan vlakbij elkaar en zijn eigenlijk best indrukwekkend. Tot slot is er een “high place of worship”: een rotspunt waarop ooit een altaar stond.

Zo’n altaar kon behoorlijk groot zijn en was niet zelden omgeven door een omheining die de grens markeerde tussen het profane en het heilige. Hierboven ziet u een uit de Romeinse tijd daterende muur om de high place of worship van Sfiré. En daar is iets wonderlijks mee: links en rechts staan twee symbolen afgebeeld die ik alleen kan uitleggen als gestileerde pilaartjes.

Lees verder “Jachin en Boaz”

De dood van de messias (6)

De graflegging

Het laatste stukje van vandaag kan alleen gaan over de graflegging, zoals hierboven afgebeeld door de Nigeriaanse kunstenaar George Bandele, wiens werk de aanleiding was tot deze reeks. Volgens Marcus stierf Jezus tijdens het negende uur, rond een uur of drie in de middag. Misschien was het in feite wat later, want degenen die het lichaam van het kruis haalden hadden haast om het nog voor het vallen van de avond te doen. Bij zonsondergang zou immers de sabbat beginnen, waarop werk niet was toegestaan.

Zo staat het althans in zowel Marcus als Johannes, waarvan ik al aangaf dat ze onafhankelijk van elkaar ruwweg hetzelfde vertellen. Beide auteurs vermelden ook Jozef van Arimatea, een lid van het Sanhedrin, als degene die het lichaam bij Pilatus opvroeg. Marcus voegt toe dat Pilatus verbaasd was over Jezus’ snelle dood en het lijk pas afstond toen een centurio dit had bevestigd. Marcus noemt verder Maria van Magdala en Maria de moeder van Joses als aanwezig bij de graflegging. Johannes maakt daar een mannenzaak van: Jozef kreeg hulp van Nikodemos.

Deze bracht een mengsel van mirre en aloë mee, ongeveer honderd pond. Zij namen het lichaam van Jezus en wikkelden het met de welriekende kruiden in zwachtels, zoals bij een Joodse begrafenis gebruikelijk is. Op de plaats waar hij gekruisigd werd, lag een tuin en in die tuin een nieuw graf, waarin nog nooit iemand was neergelegd. Vanwege de voorbereidingsdag van de Joden en omdat het graf dichtbij was, legden zij Jezus daarin neer.

Lees verder “De dood van de messias (6)”