Het Laatste Oordeel (Catacombe van Domitilla, Rome)
Die foto van de Duivelsbrug van afgelopen vrijdag, die maakte ik vorige week, toen ik in Breda moest zijn om een lezing te verzorgen over joodse eindtijdverwachtingen. Dat bleek een nogal complex thema, want in de Eindtijd velt de Mensenzoon het Laatste Oordeel. En dan herleven de doden, want het kan niet zo zijn dat martelaren hun beloning niet krijgen en slechte mensen onbestraft blijven. Daniël:
Velen van hen die slapen in de aarde, in het stof, zullen ontwaken, sommigen om eeuwig te leven, anderen om voor eeuwig te worden veracht en verafschuwd.nootDaniël 12.2; NBV21.
Prinses Marianne was een dochter van de Nederlandse koning Willem I en zijn echtgenote Wilhelmina. Rond haar twintigste trouwde ze met Albrecht van Pruisen, maar het huwelijk liep op de klippen en ze ontweek haar echtgenoot door vaak op reis te gaan. In juli 1849, kort na de dood van haar broer Willem II, vertrok ze weer eens, ditmaal naar Sicilië, Egypte en het Heilig Land. Reisgenoten hebben dagboeken bijgehouden en brieven geschreven, die door Kees van der Leer en Marieke Spliethoff zijn gebruikt om een mooi, pas uitgekomen boekje te maken, Op reis met prinses Marianne. Ik pik er wat krenten uit.
De negentiende-eeuwse en antieke Levant
Maar eerst wat context. Vanaf 1831 was de Levant bezet geweest door troepen van Muhamad Ali, de naar onafhankelijkheid strevende bestuurder van Ottomaans Egypte. De bezetter had het gebied in revolutionair tempo gemoderniseerd, wat had geleid tot grote onrust. In 1840 was weliswaar een einde gekomen aan het Egyptisch gezag, maar de onvrede was gebleven; ik citeerde Gérard de Nerval al eens. Traditionele leiders, die het vertrouwen van de bevolking hadden, waren verdwenen, en konden niet langer bemiddelen. Dit zou in 1860 leiden tot een geweldsuitbarsting zoals het Midden-Oosten al heel lang niet had gezien.
Herakleios verslaat de Perzische koning Khusrau II (Louvre, Parijs)
[Dit is het tweede van vier blogjes over keizer Herakleios, geschreven door Hein van Dolen, classicus, byzantinoloog en tevens de vertaler van Goden en halfgoden. Het eerste was hier.]
In Perzië regeerde Khusrau II de Overwinnaar. Toen hij het gevaar onderkende van Herakleios’ landing in het oosten van de Zwarte Zee, stuurde hij een bode naar zijn generaal Shahrbaraz, die zich aan de overzijde van Constantinopel bevond, met het bericht dat deze zo snel mogelijk met zijn leger moest terugkeren. De bode werd echter onderschept en met een door Herakleios vervalste brief verder gestuurd. Daarin stond dat de generaal moest blijven waar hij was.
De list had succes en in 62 behaalde Herakleios bij de ruïnes van Nineveh de overwinning op de Perzen. De slag had zonder onderbreking elf uur geduurd. Het afgehakte hoofd van de Perzische legeraanvoerder werd op een staak ten toon gesteld midden in het Byzantijnse kamp en er werden achtentwintig Perzische vaandels buitgemaakt. Na al die jaren was de aartsvijand eindelijk verslagen.
Herakleios en zijn zoon Konstantinos (Staatliche Münzsammlung, München)
De inwoners van Constantinopel moeten in oktober van het jaar 610 na Chr. een zucht van verlichting hebben geslaakt toen ze een vloot zagen naderen met een blonde held op de voorplecht, die de icoon van de Moeder Gods aan het boegbeeld had bevestigd. Zij gingen al ruim zeven jaar gebukt onder de knoet van een van de wreedste en onbekwaamste tirannen die op de Byzantijnse troon had gezeten: Fokas, een voormalige officier, die door het leger tot keizer was benoemd en het rijk bijna tot de ondergang had gebracht. De nieuwkomer heette Herakleios , hij arriveerde vanuit Africa, waar zijn vader exarch (gouverneur) van Karthago was en de drijvende kracht achter de revolte.
Coup
Het kostte weinig moeite om de stad binnen te dringen, want er waren nauwelijks maatregelen genomen om de muren te verdedigen. Bovendien liep de elite van de hoofdstad maar al te graag over en twee soldaten van de paleisgarde leverden de geweldenaar ontkleed aan Herakleios over. Er werden korte metten met Fokas gemaakt. Zijn ledematen werden afgehakt, en vervolgens zijn hoofd, dat op een stok door de stad werd gedragen.
Een nieuwe aflevering van de onregelmatig verschijnende reeks faits divers, met deze keer allerlei leuke archeologische berichten.
***
De eerste steden
Het traditionele, en op zich niet onjuiste, verhaal over de eerste steden is dat hun ontstaan hand-in-hand ging met de groei van sociale stratificatie. Bijvoorbeeld doordat er meer boeren waren, meer opbrengsten, meer noodzaak tot organisatie, en dus een centrale leider, die zijn macht onderstreepte met monumentale bouw. Dit is vanzelfsprekend altijd een grove generalisatie geweest. Een schema, zeg maar, om de gedachten te ordenen. De vondsten in Göbekli Tepe bewijzen dat al in een samenleving van jagers en verzamelaars monumentale architectuur mogelijk is, dus er is geen enkele reden monumentaliteit onlosmakelijk te verbinden met steden of zelfs maar landbouw.
De laatste kwart eeuw is er veel meer aandacht gekomen voor “mega-sites” die wel stedelijk ogen maar geen opvallend grote sociale stratificatie kennen. Sovjet-archeologen attendeerden er lang geleden al op dat in het gebied van de Skythen – zeg maar Oekraïne – enkele knotsen van nederzettingen bekend waren, zonder aanwijzingen voor maatschappelijke ongelijkheid. Dat paste mooi bij theorieën over een oercommunisme, dus het oogde wat verdacht. Maar inmiddels is er meer belangstelling voor, en het helpt dat onderzoekers met Lidar meer van zulke nederzettingen vinden.
Dit is het zesde van dertien stukjes over Cornelis de Bruijn. Het eerste was hier.
***
Libanon
Cornelis de Bruijn verliet Jeruzalem op 16 november 1681 en bleef even hangen in Ramla om daar – vandaag 343 jaar geleden – Kerstmis te vieren. Nieuwjaar en Drie Koningen volgden en op 8 januari 1682 was hij weer in Jaffa, waar hij onmiddellijk aan boord van een schip ging. De volgende dag arriveerde hij in Tripoli.
Dit is het vijfde van dertien stukjes over Cornelis de Bruijn. Het eerste was hier.
***
Het heilige Land
Cornelis de Bruijn wilde naar Jeruzalem, dat lag op twee dagen van de haven van Jaffa. Maar toen hij halverwege was, in Ramla, gaven de Ottomaanse gezagsdragers hem bevel te blijven waar hij was. Een epidemie in Jeruzalem maakte verder reizen onverantwoord. Pas na bijna drie maanden kon De Bruijn verder reizen en op 17 oktober 1681 bereikte hij de heilige stad. Onderweg passeerde hij het vervallen kerkje voor Sint-Joris in Lydda, waar ik vorig jaar over blogde.
De autoriteiten stonden geen privébezoek toe aan de heilige plaatsen. Ze hadden de franciscanen, die al sinds de Kruistochten de Europese christenen vertegenwoordigden, aangewezen als coördinatoren. De monniken organiseerden rondleidingen, die voor de zekerheid werden beschermd door bewapende Ottomaanse escortes. Pelgrimage was zo veilig en verantwoord, maar bezoekers kregen zo alleen te zien wat hun was toegestaan.
In 1187 veroverde Saladin de stad Jeruzalem en sindsdien ging het van kwaad tot erger voor de Kruisvaardersstaten in het Nabije Oosten. Keizer Frederik II wist weliswaar in 1229 het christelijk gezag over Jeruzalem te herstellen, maar in 1244 ging de stad voorgoed verloren. Koning Lodewijk de Heilige was een van de leiders van de Zevende Kruistocht, die probeerde Jeruzalem te heroveren, maar die uitliep op een catastrofe.
In 1250 bevond de koning zich in Akko, waar hij probeerde zijn verslagen leger te herorganiseren. Hij ontving ook een gezantschap van de Maronieten, de christenen uit het Libanongebergte, die zich al een tijdje presenteerden als westerse katholieken in een Grieks-Orthodoxe en islamitische wereld. Dat maakte hen tot geschikte bondgenoten voor de Kruisvaarders en leverde hen westerse bescherming tegen andere groepen in het gebergte.
Zulke woorden zijn afgeleid van de naam van de stam Juda, die in de IJzertijd leefde in de omgeving van de stad Jeruzalem. Koning David voegde die stad, die niet bij een van de twaalf Bijbelse stammen behoorde, toe aan zijn koninkrijk.noot2 Samuël 5.6-9. Na het uiteenvallen van dat rijk, ergens rond 930 v.Chr., bleef Jeruzalem de hoofdstad van het zuidelijke koninkrijk. Dat bestond uit twee voormalige stammen, Juda en Benjamin, en omdat die laatste nogal klein was, heette het koninkrijkje dat vanuit Jeruzalem werd bestuurd, naar de grootste stam: Juda.
In het vorige blogje legde ik uit hoe de politieke landkaart van Judea en omgeving er in de nieuwtestamentische tijd uitzag. Wat van mensen woonden hier nu? Ik denk dat wij dat eigenlijk niet goed begrijpen kunnen. Dat komt ten dele doordat niet iedere gemeenschap een politieke chroniqueur had als Flavius Josephus, of religieuze literatuur als het Nieuwe Testament, de Dode Zee-rollen of de Mishna. Maar even wezenlijk is dat wij zijn geconditioneerd door de nationale staat:noot Ik krijg dat lelijke anglicisme “natie-staat” dat de laatste jaren zo populair aan het worden is, almaar niet uit mijn pen. het idee dat in één land één door zijn taal gedefinieerd volk woonde met één min of meer dezelfde cultuur. Wij zijn slecht voorbereid op de pluriformiteit van de toenmalige wereld.
Tegenstellingen
Binnen de Herodiaanse rijken waren bijvoorbeeld joodse delen, met Jeruzalem als bekendste voorbeeld, maar ook hellenistische steden als Caesarea, Samaria, Sepforis, Tiberias en Panias. Op het platteland lijken mensen waarde te hebben gehecht aan joodse gebruiken, maar dat wilde niet zeggen dat ze geen kritiek hadden op de Tempel. (Het wil ook niet zeggen, trouwens, dat wij moeten denken dat we ze kunnen begrijpen vanuit het latere rabbijnse jodendom – een fout die nogal eens wordt gemaakt.) Omgekeerd leefden er joodse groeperingen buiten wat wij instinctief geneigd zijn te beschouwen als een joods gebied. Het kan niet vaak genoeg benadrukt worden dat Jeruzalem, welke pretenties de stad ook had, niet de enige tempel voor Jahweh was.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.