Romaanse kunst uit Keulen

Romaans kapiteel

Deze week ging ik twee dagen kerken kijken in Keulen, waar behalve een beroemde Dom ook twaalf kerken zijn te zien uit de romaanse tijd, dus zeg maar 1000-1200 plus of min wat decennia. Met een oppervlak van 400 hectare was Keulen destijds een van de belangrijkste steden in Europa. Ter vergelijking: Utrecht was met 100 hectare de grootste stad in Nederland.

De aartsbisschop van Keulen was een van de zeven keurvorsten en kroonde de koning van Duitsland (die zich vervolgens in Rome liet kronen tot keizer). De stad had het muntrecht en was de basis voor de Eerste Kruistocht. Na 1164 werd de stad ook nog een van de belangrijkste pelgrimsoorden, toen aartsbisschop Reinald van Dassel het gebeente van de Drie Koningen – uiteraard net zo echt als andere middeleeuwse relikwieën – vanuit Milaan overbracht naar de Keulse Dom.

Lees verder “Romaanse kunst uit Keulen”

Ella en Elegast (4)

[In het eerste, tweede en derde deel van het verhaal over koningin Ella vertelde ik dat ze, verkleed als ridder, midden in de nacht op pad was gegaan omdat ze wilde gaan inbreken. In het bos ontmoette ze haar oude vriend Elegast, die ze ooit had weggestuurd uit haar kasteel maar die een heel eerlijke man bleek te zijn. Toen ze inbraken in het kasteel van Eggerik, hoorde Elegast dat die van plan was koningin Ella gevangen te zetten.]

Niemand zag dat Elegast over de muur terug klom, het kasteel uit. “En?” vroeg Ella, opnieuw met een mannenstem, “Heb je goed kunnen inbreken? Heb je mooie dingen gestolen?”

Elegast zei niets. “Elegast!”, zei Ella, “Wat zie je eigenlijk bleek. Alsof je een spook hebt gezien! Is alles wel goed met je?”

“Met mij gaat het wel goed,” zei Elegast, “Maar ik heb een vreselijk verhaal gehoord, beste Ellus. Ik hoorde dat Eggerik morgen met al zijn ridders naar het kasteel van koningin Ella wil gaan, de koningin wil verrassen en gevangen nemen. Dan wil hij zelf koning zijn.”

Lees verder “Ella en Elegast (4)”

Ella en Elegast (3)

[In het eerste en tweede deel van het verhaal over koningin Ella vertelde ik dat ze, verkleed als ridder, midden in de nacht op pad was gegaan omdat ze wilde gaan inbreken. In het bos ontmoette ze haar oude vriend Elegast, die ze ooit had weggestuurd uit haar kasteel maar die een heel eerlijke man bleek te zijn. Samen gingen ze inbreken in het kasteel van Eggerik, die was getrouwd met Ella’s zus Gisella.]

Elegast sloop over de binnenplaats van het kasteel. De maan was al een beetje aan het ondergaan, het was donker en niemand zag hem. Daar zag hij een raam openstaan. Snel klom hij naar binnen. Het was een donkere, lege kamer, leek het. Hij stak een kaars aan en zag toen ineens dat hij recht tegenover het bed stond van Eggerik en Gisella. Oei! Daar was hij zomaar de slaapkamer binnengeklommen! Als ze wakker zouden worden, zouden ze hem vast snel kunnen vangen. Hij hield zijn adem dus in en blies de kaars weer uit.

Aan de muur had hij echter een prachtig paardenzadel zien hangen. Dat wilde Elegast wel stelen. Als hij het kon verkopen, zou hij zeker voor een maand te eten hebben en niet hoeven inbreken. Maar hij had pech. Omdat de kaars uit was, had hij niet gezien dat er aan het zadel belletjes zaten vastgemaakt. Toen hij het zadel van de muur af haalde, rinkelden die. In het bed werd Eggerik wakker.

Lees verder “Ella en Elegast (3)”

Ella en Elegast (2)

Dit is niet Elegast maar het had gekund

[In het eerste deel van het mooie en ware verhaal over koningin Ella vertelde ik dat ze, verkleed als ridder, midden in de nacht op pad was gegaan omdat ze wilde gaan inbreken. In het bos kwam ze een ridder tegen in een zwart harnas.]

“Wie ben jij, ridder in je stralende gouden harnas?” vroeg de zwarte ridder. Ella dacht: “Ik kan niet zeggen dat ik koningin Ella ben en dat ik ben gaan stelen.” Snel sloeg ze het vizier van haar helm neer, zodat de ridder haar gezicht niet kon zien. Ze zetten een zware mannenstem op en riep terug: “Zeg eerst maar wie jij bent en vertel ook waarom je midden in de nacht hier in het bos bent. Normale mensen liggen te slapen.”

“Ik heet Elegast,” zei de zwarte ridder. “Vroeger was ik een ridder van koningin Ella, maar toen ik een keer ziek was, ben ik in slaap gevallen terwijl ik op wacht stond. Ze heeft me toen weggestuurd en nu woon ik in een boshut en moet ik leven als dief. Ik moet toch te eten hebben hè. Maar zeg mij nu wie jij bent en wat jij ’s nachts doet in het bos. Je gouden harnas schittert alsof het de zon zelf is!”

Ella dacht even na. Ze was blij dat het Elegast was maar ze kon natuurlijk niet vertellen dat zij, de koningin, was gaan stelen. Opnieuw zette ze haar mannenstem op: “Ik heet El-…, eh, ik heet Ellus! En ik ben ook dief.”

Lees verder “Ella en Elegast (2)”

Ella en Elegast (1)

Koningin Ella

Er was eens, lang geleden, in de tijd van ridders en kastelen, een koningin en die heette Ella. Over haar weet ik nog een mooi verhaal, en het is nog echt gebeurd ook! Op een nacht lag koningin Ella in haar kasteel te slapen toen ze een stem hoorde die ze nog nooit eerder had gehoord. “Ella,” zei de stem, “Je moet gaan stelen!”

Ella schrok wakker en dacht “Dat kan niet, ik heb vast gedroomd.”

Ze draaide zich dus nog eens om, maar net toen ze in slaap viel, hoorde ze de stem opnieuw: “Ella, je moet gaan stelen!”

Nu was Ella klaarwakker. Ze dacht: “Dit kan ik niet echt horen. Een koningin heeft al alles. Die gaat toch niet stelen!”

Dus deed ze haar ogen weer dicht, maar toen ze bijna in slaap viel, hoorde ze de stem weer: “Ella, je moet gaan stelen!”

Lees verder “Ella en Elegast (1)”

De zeven keurvorsten

De zeven keurvorsten op het Grashaus in Aken

Het was niet mijn planning afgelopen woensdag naar Heerlen te gaan, maar ik had voor mijn werk onverwacht foto’s nodig en daarvoor moest ik naar het Thermenmuseum. Ik had een fiets bij me en omdat je die niet tussen 16 en 18 uur mag meenemen in de trein, kon ik niet meer snel naar Amsterdam terug. Ik kon dus net zo goed een eind gaan fietsen en zo spoelde ik aan in Aken.

Vlakbij de Dom (met de graven van Karel de Grote en Otto III) staat het zogenaamde Grashaus, het oudste raadhuis van wat in feite de eerste hoofdstad van Duitsland is geweest. Het is althans waar ooit de vorsten werden gekroond en hun opwachting maakten. Op de gevel van het Grashaus zijn de oudste afbeeldingen te zien van de zeven Keurvorsten: de aartsbisschoppen van Trier, Keulen en Mainz, de koning van Bohemen, de hertog van Saksen, de markgraaf van Brandenburg en de paltsgraaf van het Rijnland. Dit zevental diende, als de koning overleed, een nieuwe heerser te kiezen, die dan later naar Rome ging om ook de keizerkroon te bemachtigen. U ziet hierboven links de drie geestelijke vorsten (met bisschopsstaf), middenin de koning (met de Heilige Lans), en rechts de drie andere wereldlijke vorsten (met zwaarden).

Lees verder “De zeven keurvorsten”

Henri Pirenne

St.-Pietersnieuwstraat 132, Gent

Afgelopen zondag en maandag ben ik in Gent een paar keer langs het huis aan de Sint-Pietersnieuwstraat 132 gewandeld waar de Belgische historicus Henri Pirenne (1862-1935) woonde, de auteur van Mahomet et Charlemagne. Het bleek een moderne bouwval. Zelfs geen gevelsteentje herinnerde aan de ooit beroemde bewoner, maar eigenlijk verbaasde dat me niet. Wie een écht belangrijk boek schrijft, zal zien dat zijn inzichten zó ingeburgerd raken dat niemand meer herkent dat je er anders over kunt denken, waarna degene die het heeft bedacht kan worden vergeten.

De vraag die Pirenne wilde beantwoorden, was waarom de Middeleeuwen zo’n ander karakter hadden dan de Oudheid. Er was een transitie geweest, zoveel was duidelijk. In het Romeinse Rijk was er interregionale handel, bloeiden de steden, betaalden de mensen met munten, beloonde de overheid zijn functionarissen in geld; in de Middeleeuwen was de handel beperkter, waren de steden kleiner, ruilde men producten en compenseerde de vorst zijn graven en hertogen door ze land in leen te geven. Wat was er gebeurd?

Lees verder “Henri Pirenne”

Friezen en Franken (2)

Frankische mantelgesp (Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel)
Vermogende Franken droegen mantelspelden als deze (Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel)

In het vorige stukje behandelde ik, aan de hand van de boeken van Luit van der Tuuk, de Friezen: de bewoners van het gebied langs de Noordzeekust vanaf Walcheren tot de Deense istmus. Dit keer wil ik het hebben over de tweede groep in de Lage Landen: de Franken. Dit is een van de stamfederaties die in de derde eeuw na Chr. zijn ontstaan uit oudere stammen: de Amsivariërs langs de Eems, de Chattuariërs langs de Hase, de Chamaven in de Achterhoek. Archeologisch is er geen verschil met de bewoners van het oude Drenthe, waarvan we de naam niet kennen. Misschien hoorden de Tubanten er eveneens bij en gingen ook de Chauken en Friezen op in deze federatie toen zij in de derde eeuw het kustgebied verlieten en het binnenland introkken.

De nieuwe federatie heet, misschien wel naar een van de deelnemende stammen, de Saliërs, de “Salische Franken”.Er waren meer groepen Franken. Ook de oude Bructeren uit het Roergebied en de Chatten van het Taunusgebergte werden Frankisch genoemd.

In het midden van de vierde eeuw trokken de Salische Franken het Romeinse Rijk binnen. Generaal Julianus – de latere keizer – stond ze toe zich te vestigen in wat nu Brabant heet. Ze waren overigens niet de eersten: uit aardewerkstudies waarover ik al eerder blogde, weten we dat al in de derde eeuw mensen vanuit Drenthe naar het Scheldegebied verhuisden. Door deze migraties verschoof de Taalgrens naar waar ze nu ligt.

Lees verder “Friezen en Franken (2)”

Supermacht Benelux

Onvoltooid portret van Vitellius (Archeologisch Museum van Plovdiv)
Onvoltooid portret van Vitellius (Archeologisch Museum, Plovdiv)

Als er één gebied ter wereld is waar het goed wonen is, is het Noordwest-Europa. De delta’s van de Rijn, Maas en Schelde ontsluiten een achterland dat zich uitstrekt tot diep in Frankrijk en tot voorbij Duitsland. Langs de corridor van Rijn en Rhône kan bovendien handel worden gedreven met het Middellandse Zee-gebied. De zeehavens, die West-Europa verbinden met de oceanen, zijn al eeuwenlang economische krachtcentrales: Rotterdam en Antwerpen, Brugge en Dordrecht, Tiel en Dorestad.

Voeg toe: de agrarische weelde van de lössgronden langs de Maas, de mineralen van de Ardennen en de winsten uit de stedelijke nijverheid. Dan weet je dat er voor welvaart altijd een basis zal zijn in de Lage landen. Als er dan ook nog goede soldaten zijn, zoals in de zeventiende eeuw, staat zelfs weinig een machtsontplooiing in de weg. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was echter niet de eerste die deze mogelijkheden uitbuitte.

Lees verder “Supermacht Benelux”

Karel ende Elegast (3)

Karel ende Elegast is geschreven in de twaalfde eeuw maar veronderstelt een verhaal dat al de ronde deed:

Wat den konink daar gevel,
dat weten nog die menige wel.

Het verhaal van Karel ende Elegast bevat inderdaad oudere elementen. Daarbij denk ik niet meteen aan een historische kern, al is er misschien (en zonder dat we dat ooit zeker kunnen weten) wel een stille echo van een historische gebeurtenis. Die ligt vanzelfsprekend niet in Karels avonturen op het dievenpad, maar wel in wat daarop volgt: de ondergang van Karels verwant Eggerik, tijdens een hofdag in Ingelheim. Karel heeft namelijk in die palts in 788 een einde gemaakt aan de carrière van een van zijn voornaamste en invloedrijkste familieleden, Tassilo van Beieren. Meer denkbare historische echo’s kan ik echter met de beste wil van de wereld niet aanwijzen en zoals gezegd is ook deze niet bewijsbaar.

Lees verder “Karel ende Elegast (3)”