[De komende tijd zal Kees Alders enkele blogseries schrijven over de antieke Chinese en Indische filosofische stromingen. Een inleiding was hier; het eerste deel over China was daar, en hieronder staat het derde deel, dat gaat over drie belangrijke geschriften uit de Zhou-tijd, en over de problemen tegen het einde van die periode.]
Waar we de Shang-tijd vooral kennen door hun inscripties van offerbotten, waren de Zhou echte schrijvers en verhalenvertellers. Veel geschriften uit de vroege Zhou-tijd, de zogeheten Westelijke Zhou, kwamen later terecht in de Chinese canonieke literatuur. Ik behandel de belangrijkste drie.noot Ik geef daarbij eerst de naam van het werk in het Nederlands, daarna de pinyin-schrijfwijze (de officiële door China gehanteerde methode om Chinees in westers schrift om te zetten), en vervolgens een paar verouderde schrijfwijzen die de lezer in oudere of minder wetenschappelijke stukken zou kunnen lezen, zodat duidelijk is dat het hier om hetzelfde gaat.
[De komende tijd zal Kees Alders enkele blogseries schrijven over de antieke Chinese en Indische filosofische stromingen. Een inleiding was hier; het eerste deel over China was daar, en hieronder staat het tweede deel.]
In de traditionele geschiedschrijving van het vroegste China viel de Shang-dynastie na een opstand van de Zhou rond 1046 v.Chr. De Zhou waren oorspronkelijk een vazalstaat van de Shang. Hun hoofdstad was Haojing, bij het huidige Xi’an in Shaanxi. Dit is westelijker en meer landinwaarts, en meer bergachtig dan Henan, en was daarom dunner bevolkt. Maar de grond is vruchtbaar, en het ligt strategischer dan de vlakten van Henan.
[De komende tijd zal Kees Alders enkele blogseries schrijven over de antieke Chinese en Indische filosofische stromingen. Een inleiding was hier; vandaag begint de eerste reeks over China met de tijd van de Shang-dynastie.]
[De komende tijd zal Kees Alders in enkele blogseries de verschillende stromingen binnen de antieke Chinese en Indische filosofie behandelen. Vandaag het slot van de inleiding, waarvan het begin hier was.]
Het gangbare beeld is dat de Griekse, Indische en Chinese filosofie tegelijkertijd, ongeveer zes eeuwen vóór het begin van onze jaartelling, zouden zijn ontstaan, onafhankelijk van elkaar, en dat ze zich in de eerste daarop volgende eeuwen vrijwel los van elkaar hebben ontwikkeld. Maar is dat wel zo?
[De komende tijd zal Kees Alders, auteur van De wereld vóór God, in enkele blogseries de verschillende stromingen binnen de antieke Chinese en Indische filosofie behandelen. Vandaag het eerste deel van de inleiding.]
Waar is de filosofie ontstaan?
Het woord “filosoof” komt uit het Grieks en betekent “liefhebber van de wijsheid”. De term is waarschijnlijk gemunt door Pythagoras. Naar verluidt gebruikte hij het woord uit bescheidenheid, omdat hij zichzelf geen “wijze” wilde noemen.
Schijf met manichese motieven (Wereldmuseum, Leiden)
Het manicheïsme is een verdwenen godsdienst uit de Late Oudheid. De stichter was de Mesopotamische profeet Mani (216-274 na Chr.), die onderwees dat het universum was verdeeld in twee strijdige kampen, de kwade materiële wereld (“de Duisternis”) en de goede wereld van de geest (“het Licht”). Dit dualisme deelde het manicheïsme met het Perzische zoroastrisme. Daarnaast accepteerde het elementen uit het neoplatonisme, het rabbijnse jodendom, de gnosis, de hellenistische godsdiensten van Mesopotamië en het vroege christendom. Mani beschouwde zich als de Trooster (Parakleet) die in het Johannes-evangelie wordt aangekondigd.nootJohannes 14.16. Mani kende ook de Indische godsdiensten en er zijn in de manichese geschriften ook boeddhistische elementen aan te wijzen.
Van Mani naar China
Het manicheïsme ontstond in het nog jonge Sassanidische Rijk, geregeerd door een dynastie die als voorvader een belangrijke priester van Anahita had. De eerste koningen waren geen scherpslijpers en kunnen Mani’s opvattingen, die een synthese vormden van alle binnen het rijk bestaande ideeën, hebben beschouwd als nuttig om eenheid te scheppen.
[Ik blogde gisteren over de Chinese boeddhistische pelgrim Xuan Zang, die een bezoek bracht aan India en daarvan verslag deed. Deel een is hier.]
Vanuit Kashmir verder reizend naar de Punjab, werden Xuan Zang en zijn reisgenoten weer eens beroofd, maar met een andere monnik wist hij te ontsnappen. Een brahmaan besloot hen te helpen. Hij verzamelde wat dorpelingen en samen redden ze de andere metgezellen. Die treurden om hun verloren bagage, maar Xuan Zang herinnerde ze eraan dat aardse bezittingen eigenlijk slechts ballast waren. De bestolenen zullen deze relativerende woorden vast hebben ervaren als een grote troost.
Via de geboorteplaats van de Sanskriet-grammaticus Panini bereikte het beroofde reisgezelschap de stad Sangala en de rivier de Beas, die min of meer het oostelijkste punt waren geweest van de tocht van Alexander de Grote. Helaas levert Xuan Zang weinig informatie die ons helpt om precies vast te stellen waar Alexander moest terugkeren – maar u begrijpt waarom ik belangstelling heb gehad voor deze tekst.
Ik ben niet zo vertrouwd met het boeddhisme, maar dankzij een blogje van Kees Alders weet ik dat in de eerste eeuw van onze jaartelling de boeddhistische stroming die bekendstaat als Mahayana zich vanuit de Punjab verspreidde tot in China. (Ik begrijp dat aanhangers van deze stroming denken dat niet alleen Boeddha, maar ieder mens in staat is verlicht te raken, en dat ze iemand die daarnaar streeft een Bodhisattva noemen.) De verspreiding van deze ideeën richting China was mogelijk doordat Centraal-Azië én de Punjab waren verenigd in het rijk van de Kushana’s.
Pelgrim en boekenzoeker
Uiteraard waren er vrome Chinese boeddhisten die geïnteresseerd waren in het land waar hun levensbeschouwelijke opvattingen waren ontstaan. Talloze pelgrims trokken over de Himalaya naar India. Ik blogde al eens over het onderzoek van de Leidse onderzoekster Marike van Aerde, die zich bezighoudt met de rotstekeningen uit het gebied van de Boven-Indus. Niet iedereen nam de weg over de hoge bergen. De Chinese reiziger Xuan Zang reisde vanuit Xinjiang langs een noordelijkere en westelijker route, door de Ferganavallei, door Sogdië en Baktrië, over de Hindu Kush en door Gandara naar de Punjab.
Portret uit Khalchayan (Nationaal Museum. Tasjkent)
Eerst even wat aardrijkskunde. Baktrië is de oude naam van het grensgebied tussen Oezbekistan en Afghanistan. De voornaamste stad is tegenwoordig Termez, waar de Vriendschapsbrug de twee landen verbindt. De rivier onder die brug heet Amurdar’ya maar is in Europa bekender onder de antieke naam Oxus, een gelatiniseerde versie van de Griekse vorm van het Sogdische Waxš, “wild”. Het is een vruchtbaar gebied, deels door irrigatie, deels door de aanvoer van water uit bergrivieren, en een daarvan is de Surkhandar’ya, die zich bij Termez met de Oxus verenigt. Het stroomdal is al even vruchtbaar.
Rond 135 v.Chr. vestigden zich hier de Yuehzi-nomaden, die afkomstig waren uit wat ik gemakshalve China zal noemen. Hun migratie is een van de vele voorbeelden van de quasi-eeuwige beweging van nomadische groepen van Manchurije naar het westen. In Baktrië woonden de nieuwkomers te midden van Sogdiërs, Saken en de afstammelingen van Perzische kolonisten en de Griekse huurlingen die Alexander de Grote hier had achtergelaten, met daartussen nog wat verdwaalde Indiërs. Een volgend, in Baktrië geformeerd leger trok later, in de eerste decennia van onze jaartelling, verder naar het zuiden en vestigde het Kushana-rijk in de Punjab.
In het vorige blogje vertelde ik, kort door de bocht, waarom de oudheidkunde zich nogal eens beperkt tot het Middellandse Zee-gebied, met op z’n best de Bronstijd van Voor-Azië en Egypte erbij. Ik legde uit dat het historisch zo is gegroeid omdat men de vraag stelde waar “onze” cultuur vandaan kwam. Dat Japan en Precolumbiaans Amerika in dit antwoord werden genegeerd, lag voor de hand. Ik legde ook uit dat wat historisch is gegroeid, daarmee niet is gerechtvaardigd. Het antwoord is immers niet wetenschappelijk te onderbouwen: West-Europeanen zijn, om zo te zeggen, breder geworteld dan in Griekenland en Rome.
Maatschappijtypen
De vraag naar het ontstaan van de eigen cultuur is vanzelfsprekend legitiem, maar we gaan er inmiddels anders mee om dan vroeger. Toen keken we hoe culturen van oud tot recent groeiden. Geschiedenis was ontstaansgeschiedenis. Je kunt echter ook kijken naar wat een gegeven maatschappij op een gegeven moment in potentie zou kunnen – denk aan het technologisch peil, handelsnetwerken, scholing… – en naar wat ze feitelijk doet. Geschiedenis is dan geen ontstaansgeschiedenis maar gaat over functioneren. Deze benadering impliceert dat je de bestudering van het verleden niet inricht naar ruimtelijk begrensde culturen als “Grieks”, “Egyptisch”, “Indisch” of “Chinees”, maar naar maatschappijtypen.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.