Kwakgeschiedenis: Griekse theaters

Het theater van Epidauros

(1)

Eigenlijk was ik best een leuke middag aan het hebben, maar toen las ik het bericht dat Eindhovense onderzoekers hebben vastgesteld dat de akoestiek in de Griekse theaters tegenviel. Dat weten we natuurlijk allang. Ik herinner me van mijn studie, eind jaren tachtig, dat mijn docent Grieks, professor Schenkeveld, uitlegde dat die theaters geluidstechnisch niet zo heel best waren.

Wat nog interessanter was: ook de Atheense democratie had akoestische problemen. Op de Pnyx, waar de volksvergadering samenkwam, was het onmogelijk dat alle mensen verstonden wat er werd gezegd. Met andere woorden, ze stemden in feite niet hoofdelijk maar volgden mensen die vooraan stonden en wél verstonden wat er was gezegd. Dat was, als ik me goed herinner, ooit eens uitgevogeld door een Amerikaanse prof en een hoop vrijwilligers.

Lees verder “Kwakgeschiedenis: Griekse theaters” →

Het proactieve Asterix-stukje

Over een week, op 19 oktober, verschijnt de nieuwe Asterix. Ik heb daar wat gemengde gevoelens bij. Dat is niet omdat ik niet van de stripverhalen houd, maar omdat ik nu al kan uittekenen dat ik benaderd zal gaan worden door journalisten die me vragen wat ik er als oudhistoricus van denk. Nu is het altijd leuk om op de radio te komen – deze pagina gaat terug op een radiocommentaar dat ik insprak vanaf een hotelkamer in Isfahan – en bovendien is het contact met journalisten altijd prettig ontspannen, maar ik vind het jammer dat elke Asterix aanleiding is tot vragen over de Oudheid. Daarmee doen we de strip tekort.

Zoals de Flintstones vooral een Amerikaanse familie zijn uit de jaren zestig, zo is Asterix een strip over de twintigste en eenentwintigste eeuw. Als Obelix in Asterix in Hispania aan het dorpshoofd vraagt “u wil dus óók weten waarom we vechten”, is de verwijzing naar de Vietnam-oorlog. Als de Galliërs in Asterix en het ijzeren schild voorwenden niet te weten waar Alesia ligt, is dat geen grap over Galliërs die niet willen weten dat ze zijn verslagen, maar over Vichy, waar dit album zich afspeelt. Asterix is gewoon veel geestiger als je de antieke achtergrond negeert en kijkt naar de eigen tijd.

Lees verder “Het proactieve Asterix-stukje” →

Archeologie, voor wie doen we dat ook alweer? (3)

[Afgelopen zaterdag verzorgde ik een lezing voor de alumnivereniging van het Groninger Instituut voor Archeologie. Dat bood me de gelegenheid een reeks thema’s in één verhaal onder te brengen die op deze blog al vaker zijn behandeld. Het eerste deel is hier.]

Groeiende scepsis

Het is een bekende constatering dat er steeds meer hoogopgeleiden komen. In Vlaanderen heeft 50% van de schoolverlaters een hogere opleiding; in Nederland is de ambitie 50% in 2020. Deze mensen herkennen problemen als wetenschappers fouten maken – of beter: ze dénken problemen te herkennen – en dat leidt tot groeiende scepsis over bijvoorbeeld UMTS-masten en de klimaatverandering of tot wantrouwen als een wetenschapper zegt dat er geen verband is tussen vaccinatie en autisme.

Als u voorbeelden wil uit de archeologie, denk dan aan de Nijmeegse aquaductenaffaire, aan het voortleven van de ideeën van Delahaye, aan het afrocentrisme, aan de Macedonische kwestie, aan het krankjorume verhaal dat Trouw onlangs publiceerde over Mithras of de waanideeën van Mark Rutte over de val van het Romeinse Rijk. Of denk aan de problemen die andere oudheidkundigen ondervinden met creationisten of Iraanse nationalisten die de Cyruscilinder beschouwen als mensenrechtendocument. Kortom: mensen denken wetenschappelijke wartaal te herkennen, beginnen voor zichzelf en verspreiden vervolgens zelf wartaal. Hoe komt dat? Anders gezegd: als de archeologie er is voor de burger, en als we de archeologie hebben ingebed in de ruimtelijke ordening en als we burgers steeds hoger opleiden – kortom, als we het zo slecht niet doen, waarom merkt iedereen die actief is in de voorlichting dan dat de burger almaar sceptischer wordt?

Lees verder “Archeologie, voor wie doen we dat ook alweer? (3)” →

Echt vals

Zo af en toe is er iemand die weer oppert dat ’ie echt is geweest, de Deuteronomium-rol die de Jeruzalemse oudhedenhandelaar Mozes Shapira in 1883 aanbood aan enkele Europese musea. Het is een dramatisch verhaal. Shapira was al eens – wellicht te goeder trouw – betrokken geweest bij de handel in vervalste oudheden en was bovendien van joodse afkomst: twee factoren die in negentiende-eeuws Europa niet bijdroegen aan zijn geloofwaardigheid. Toen hij dus aankwam met antieke boekrollen met bijbelse teksten die zouden zijn gevonden bij de Dode Zee, wilde niemand hem geloven. Eenmaal door het British Museum als vervalser gebrandmerkt en met antisemitische stereotypen bespot, vluchtte hij naar het continent en schoot hij, geheel ten einde raad, zichzelf dood in een Rotterdams hotel.

Maar waren de rollen wel vals? Toen de Dode Zee-rollen waren gevonden, klonk het ineens een stuk waarschijnlijker dat Shapira werkelijk antiek materiaal had aangeboden. In elk geval de Deuteronomium-rol zou weleens echt kunnen zijn geweest. Al denken de meeste onderzoekers er anders over, er zijn ook serieuze geleerden die de authenticiteit willen overwegen.

Lees verder “Echt vals” →

De Petrus van Fik Meijer (3)

Byzantijns mozaïek met Petrus (Chora-kerk, Istanbul)

[Ik wijd vandaag een stuk aan het boek Petrus. Leerling, leraar, mythe van Fik Meijer. Ik wil tonen dat er voor geschiedschrijving en wetenschapscommunicatie kwaliteitsnormen zijn. Meijer haalt die niet, zal bij menig lezer scepsis oproepen en draagt zo bij aan het afkalvende draagvlak voor de oudheidkundige wetenschappen. Het eerste deel is hier.]

Einfühlen en de sociale wetenschappen

Ik verraad geen geloofsgeheim als ik zeg dat Petrus en Paulus elkaar niet lagen. Meijer noemt het slot van Paulus’ Brief aan de Romeinen, waarin de auteur iedereen de groeten doet maar niet Petrus, van wie de katholieke kerk aanneemt dat hij in Rome is geweest. Meijer:

De mogelijkheid dat [Petrus] zich wel in Rome bevond, maar actief was onder gelovigen die zich … hadden verenigd in een soort Petrus-partij, die op een andere golflengte zat dan de Paulus-groep, is nagenoeg uit te sluiten. Paulus zou zich wel erg hebben laten kennen als hij om die reden Petrus niet had genoemd. Meer voor de hand ligt dat Petrus op dat moment, in 56-57, niet in Rome was. (blz.107-108)

Dit is een schoolvoorbeeld van de stap in de hermeneutische cyclus die bekendstaat als einfühlen: de historicus wil iets verklaren, onderzoekt de situatie, leeft zich in de actoren in en beredeneert waarom een persoon als deze onder omstandigheden als deze zal handelen op deze manier. Een man als Paulus zou, zelfs als hij meningsverschillen had met Petrus, hem de groeten hebben gedaan. Het subjectieve karakter moge duidelijk zijn: een onderzoeker die houdt van harmonie, zal een ander type actor reconstrueren dan een onderzoeker die bereid is de hakken in het zand te zetten. Zeker als het gaat om de oude wereld, waarover we weinig informatie hebben, is einfühlen geen heel betrouwbare methode.

Lees verder “De Petrus van Fik Meijer (3)” →

De Petrus van Fik Meijer (2)

Petrus (gevelsteen Prinsengracht 1, Amsterdam)

[Ik wijd vandaag een stuk aan het boek Petrus. Leerling, leraar, mythe van Fik Meijer. Ik wil tonen dat er voor geschiedschrijving en wetenschapscommunicatie kwaliteitsnormen zijn. Meijer haalt die niet, zal bij menig lezer scepsis oproepen en draagt zo bij aan het afkalvende draagvlak voor de oudheidkundige wetenschappen. Het eerste deel is hier.]

Verouderde interpretaties

Zie ik het goed, dan citeert Meijer niet-Griekstalige joodse teksten (apocriefen, Dode Zee-rollen en rabbijnse literatuur) allemaal uit de secundaire literatuur. Net als in Jezus en de vijfde evangelist is Petrus dus een boek over een jood, geschreven zonder te kijken naar de joodse bronnen. De uitzondering die deze regel bevestigt is de Grieks-schrijvende joodse historicus Flavius Josephus, die Meijer vrijwel letterlijk volgt.

Josephus was een aristocraat die zich aan zijn privileges verplicht voelde op te komen voor de Joden én hun leiders. (Daarin was hij overigens niet anders dan zijn tijdgenoten Tacitus en Ploutarchos.) In Josephus’ visie waren niet alle Joden anti-Romeins, maar was het verzet beperkt tot een kleine groep, die niet luisterde naar het goedbedoelde leiderschap van de joodse elite. Die kleine groep zou sinds de Romeinse annexatie voortdurend de orde hebben verstoord: in de jaren tussen 6 en 66 na Chr. zou het van kwaad tot erger zijn gegaan tot de Joodse Oorlog was uitgebroken en in 70 Jeruzalem was verwoest. Althans volgens Josephus.

Lees verder “De Petrus van Fik Meijer (2)” →

De Petrus van Fik Meijer (1)

Wie via een boek van Fik Meijer kennismaakt met de Oudheid, herkent misschien dat de auteur een karikatuur biedt van wat wetenschap is. Dat is een probleem. Hij kan zich namelijk ook presenteren als lid van de academische gemeenschap, waardoor (ten onrechte) de indruk ontstaat dat oudhistorici wetenschappelijk niet meekomen, wat er op zijn beurt toe leidt dat bona fide oudheidkundigen niet de aandacht krijgen die ze verdienen.

Meijers vorige boek, Jezus en de vijfde evangelist, illustreerde het mechanisme. Het bood Jezusmythicisten op een presenteerblaadje de argumenten om te concluderen dat de emeritus-hoogleraar, en dus de wetenschap waarin hij een leerstoel bekleedde, het spoor volkomen bijster is. Helemaal onterecht is die conclusie niet: vijfendertig jaar academisch wanbeleid trekken hun sporen. Desondanks is oude geschiedenis nog altijd een serieuze activiteit. Dat wil ik tonen aan de hand van Meijers Petrus. Leerling, leraar, mythe.

Het gaat me daarbij niet om Meijers o zo zichtbare slordigheden. Ook gaat het niet om het feit dat hij (zoals wel meer oudhistorici) het grote publiek denkt te kunnen informeren op een wijze die al een kwart eeuw verouderd is. Ik wil me in plaats daarvan concentreren op fouten die voortkomen uit het onvoldoende toepassen van de historische methoden. Daardoor is Petrus, net als Jezus en de vijfde evangelist, geen geschiedenisboek zoals je van een historicus verwacht maar in feite een boek met een christelijke agenda.

Lees verder “De Petrus van Fik Meijer (1)” →

Erich von Däniken

De piramide van Cheops

Sommige artikelen zou je zelf geschreven willen hebben, zoals het stuk van Martijn van Calmthout in De Volkskrant van afgelopen zaterdag over Erich von Däniken. Terwijl Van Calmthout enerzijds duidelijk maakt hoe pseudowetenschappelijk Von Dänikens idee is dat de aarde ooit is aangedaan door buitenaardse bezoekers, schetst hij een uiteindelijk sympathiek portret.

Daar is niets mis mee, maar door dit accent is er geen aandacht voor de negatieve impact van Von Dänikens gefantaseer. Die is echter onverminderd actueel.

Een misantroop met invloed

Eén probleem is makkelijk te benoemen. Von Däniken heeft een charmante belangstelling voor het erfgoed van exotische culturen, waar hij verbaasd naar kijkt. Die piramiden, zoiets indrukwekkends kunnen die Egyptenaren natuurlijk nooit zélf hebben gebouwd. Die wereldkaart van de Ottomaanse admiraal Piri Reis is zó nauwkeurig dat een Turk het niet kan hebben vervaardigd. Je zou haast denken dat Von Däniken een eurocentrist is die de niet-Europese culturen elke creativiteit ontzegt.

Lees verder “Erich von Däniken” →

De Everest Fallacy (opnieuw)

isfahan
Natuurhistorisch museum, Isfahan

1.

Bijna zes jaar geleden schreef ik:

Als ik bergen zou onderzoeken, zou de Mount Everest mij meteen opvallen, omdat het nu eenmaal de hoogste top ter wereld is. Maar zou ik al mijn kennis op deze berg baseren, dan gaat het mis: de Mount Everest is bijvoorbeeld grotendeels bedekt met sneeuw, en de meeste andere bergen zijn dat niet.

Het verschijnsel dat we het opvallendste ook belangrijk vinden, staat bekend als de “Everest Fallacy”. Deze neiging is vooral relevant voor de media, want nieuws is per definitie opvallend, extreem en dus niet-representatief. Een bomaanslag is extreem en daarom nieuws, maar is niet typerend voor wat er feitelijk gebeurt in een stad. Ik heb nooit de illusie gehad dat we ooit zonder de Everest Fallacy zouden leven. We zullen ons wereldbeeld altijd baseren op te extreme observaties.

2.

In het stukje waar ik zojuist naar linkte, gaf ik ook enkele voorbeelden van de Everest Fallacy. Voorbeelden die zes jaar geleden actueel waren. En over een daarvan wil ik het vandaag hebben.

Lees verder “De Everest Fallacy (opnieuw)” →

Het proactieve Masada-stukje

Masada

Volgende week houdt Donald Trump tijdens zijn staatsbezoek aan Israël een toespraak in Masada, een fort dat de Romeinen ooit hebben belegerd. Aangezien de media een toespraak door de president van de Verenigde Staten laten afhandelen door de redactie buitenland en niet door de wetenschapsredactie, mogen we aannemen dat een berucht kwakhistorisch verhaal kritiekloos zal worden gereproduceerd: dat de Romeinen te Masada een einde maakten aan het laatste Joodse verzet.

Maar zo simpel is het niet. Bij wijze van voorwaartse verdediging tegen de naderende desinformatie: wat weten we wél over Masada?

Wat was Masada?

Masada was een op een rotsplateau gelegen paleis-fort van koning Herodes de Grote, die kort voor onze jaartelling regeerde over Judaea. In het jaar 66 na Chr., toen het (inmiddels door Rome geannexeerde) gebied in opstand kwam, bezette een groep Sicariërs Masada. Nadat een poging ook de macht in Jeruzalem over te nemen was uitgelopen op een debacle, hielden zij zich verder afzijdig van de grote opstand tegen de Romeinen.

Lees verder “Het proactieve Masada-stukje” →