Ik hoef u niet uit te leggen wie Roald Dahl was. U heeft vast weleens een kort verhaal gelezen of een kinderboek voorgelezen. En anders geef ik u bij dezen wat huiswerk op. Vóór Dahl schrijver werd, was hij piloot bij de Britse luchtmacht. Dat was tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Libanon behoorde vanaf 1940 tot het gebied van Vichy-Frankrijk, dat ook Syrië als mandaatgebieden beheerde. Omdat de Arabieren in deze gebieden een eigen staat was toegezegd en zij een diepe weerzin voelden voor de mandatarissen, vreesden de Geallieerden een pro-Duitse staatsgreep. Daarom besloten ze in 1941 om Syrië en Libanon te bezetten. De Britse troepen zouden oprukken vanuit Palestina en Jordanië en de macht daar overdragen aan de Vrije Fransen van Charles de Gaulle, die de bewoners vrije verkiezingen moest toezeggen. (Ik vertelde een paar maanden geleden dat de beroemde zangeres Asmahan een rol speelde als geheim agent.)
Het zal de vaste lezers van deze blog niet zijn ontgaan dat ik de laatste tijd wat vertaalde reisverslagen over Libanon heb geplaatst. Die zullen het geweld daar niet ten einde brengen, maar ik hoop dat ik u kan tonen wat het is dat er momenteel wordt weggebombardeerd: een land met een eigen, historisch gegroeide, opvallend pluriforme cultuur. Die stukjes eindigen met een verzoek om te doneren. Niet iedereen kan geld missen, maar kennis delen kan altijd en reisverslagen zijn tenminste lichtvoetig.
De situatie nu
Vandaag toch even een stukje dat niet lichtvoetig is. Zoals u weet bestookt de Israëlische luchtmacht het sjiitische zuiden en de sjiitische wijken van Beiroet zo ongeveer elke dag. Honderdduizenden mensen zijn uitgeweken naar het noorden. Er is sprake van een miljoen mensen, van anderhalf miljoen mensen. Ik weet niet hoe ze dat tellen, maar al zou het de helft zijn: dit is onthutsend. In Libanon wonen vier miljoen Libanezen, anderhalf miljoen Syrische vluchtelingen en een kwart miljoen Palestijnse vluchtelingen. Zelfs als er “maar” een half miljoen displaced persons zijn, is dat een extreem probleem.
De Amerikaanse schrijver Mark Twain (1835-1910) behoeft natuurlijk geen introductie: hij is vooral bekend als de auteur van Tom Sawyer en Huckleberry Finn. Kort na de Amerikaanse Burgeroorlog stuurde een Amerikaanse krant hem als een hedendaagse pelgrim naar het Heilig Land. Hij bundelde later zijn reisbrieven in The Innocents Abroad (1867). Als een man van zijn tijd, die over het Midden-Oosten vooral was geïnformeerd door de Bijbel, contrasteerde hij voortdurend de Oudheid met het Ottomaanse heden.
Op weg van Beiroet naar Baalbek, en na een oponthoud in het huidige Chtaura, bereikten Twain en zijn reisgenoten in de Bekaavallei het graf van Noach. Het naamloze dorpje heet tegenwoordig Karak Nuh en – om de waarheid te zeggen – het graf van Noach is geen omweg waard. Twains ironie is verfrissend.
De Franse schrijver Gustave Flaubert, wiens Salammbô u lezen moet als u geïnteresseerd bent in de Oudheid en ook als u daar niet in bent geïnteresseerd, maakte in 1849/1851 een lange reis door het Midden-Oosten. Hij bezocht ook Baalbek en stak daarvandaan de Libanon over naar de Qadishavallei, de heilige vallei van de maronieten. Voyage en Orient bevat zijn aantekeningen, die nooit voor publicatie bestemd zijn geweest. Het boek is postuum verschenen.
***
De Libanon
Vertrokken uit Baalbek. Dinsdag rond 10 uur ’s ochtends verlieten we onze witgebaarde gastheer, die ons na de veertig piasters die we hem gaven overlaadde met zegeningen. Rechtstreeks op weg naar Deir el-Ahmar. We deden er drie uur over om de vlakte over te steken. Niets bijzonders gezien, behalve de Libanon tegenover ons: groen tot het midden van de hellingen, daarboven helemaal grijs. Vrouwen met grauwe gezichten en witte sluiers op hun hoofd, die tarwe maaien in het droge vlakke grasland. Ze stopten allemaal en staarden ons smachtend en verbaasd aan, met de sikkel in de hand.
Zo nu en dan haalt de Bekaavallei (wat je in het Libanees overigens uitspreekt als Be’aa) het Nederlandse of Belgische nieuws. En dat is meestal geen goed nieuws. Het betekent doorgaans dat Israëlische straaljagers stellingen hebben gebombardeerd van de Hezbollah, een door Iran bewapende en gesteunde sji’itische militie, die zich ten doel heeft gesteld een einde te maken aan de zionistische entiteit in Palestina. De Bekaavallei was al in de eerste jaren van de Libanese Burgeroorlogen het doelwit van zulke acties.
Van noord naar zuid
Zo is het ook vroeger geweest en zo zal het ook nog wel even zijn, want de Bekaavallei is van enig strategisch belang. Het is namelijk een belangrijke noord-zuid-verbinding. Ook heden ten dage is, zelfs wanneer er geen grenzen zouden zijn, de kustweg van Turkije naar Egypte moeilijk begaanbaar. De Libanonbergen reiken namelijk in het westen tot aan de zee. Daarom is, voor wie uit Turkije naar het zuiden reist, de weg door het binnenland, aan de oostelijke zijde van het gebergte, het eenvoudigste. Je reist dan als het ware door een sleuf, van de zee gescheiden door de Libanon, en van de Syrische woestijn gescheiden door de Antilibanon. Anders geformuleerd: de weg van Antiochië (het huidige Antakya) naar het zuiden loopt door een slenk. Feitelijk is de Bekaa het noordelijkste deel van de verzameling slenken die zich uitstrekt tot in Mozambique.
Judaea Capta, “Judea is onderworpen” (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)
[Tweede blogje over Romeins Judea; het eerste was hier.]
Het keerpunt
De Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus beweert dat er vanaf de dood van Herodes de Grote een rode draad was van aanhoudend geweld, dat uiteindelijk culmineerde in de Joodse Opstand van 66-70 na Chr. alsmede het einde van de eredienst in de tempel in Jeruzalem. Josephus kan voor het eerste en langste deel van die periode echter geen voorbeelden noemen en zijn tijdgenoot en collega Tacitus is overtuigd van het tegendeel: sub Tiberio quies, ten tijde van keizer Tiberius heerste er rust.noot Tacitus, Historiën 5.9. In 36/37 was er voor het eerst een incident, toen een samaritaanse messias naar de wapens liet grijpen. Pontius Pilatus onderdrukte de revolte voor ze gevaarlijk werd.
Enkele jaren later, in de winter van 40/41 na Chr., wilde keizer Caligula zijn standbeeld hebben in de tempel in Jeruzalem. Dat leidde tot protesten en de eerste interventie van de legioenen. De dood van de keizer verhinderde een bloedbad, maar voortaan was het gedaan met de rust.
De nieuwe keizer, Claudius, zocht een alternatief voor het prefecten-bestuur en benoemde een kleinzoon van Herodes de Grote tot koning: Herodes Agrippa I. Deze regeerde van 41 tot 44 en kreeg niet alleen de gebieden in handen die ooit door Archelaos bestuurd waren geweest, maar ook die van Antipas en Filippos. Bovendien kreeg zijn broer, Herodes van Chalkis, het bestuur toegewezen van de Arabische Itureeërs in de Bekaavallei. Het Joodse koninkrijk was opnieuw intact en Agrippa lijkt zichzelf te hebben beschouwd als een soort messias, die Israël had hersteld. De auteur van de Handelingen van de apostelen, die een andere messias vereerde, vermeldt zijn onverwachte dood niet zonder leedvermaak.nootHandelingen 12.23.
Romeinse munt uit het jaar 47 v.Chr. (Teylers Museum, Haarlem)
Als ik u zeg dat het 6 maart was, als ik toevoeg dat het was in het jaar waaraan Quintus Fufius Calenus en Publius Vatinius als consuls nog hun naam zouden geven, en als ik dat omreken naar 16 januari 47 v.Chr. op onze kalender, dan weet u dat u bent beland in een nieuwe aflevering van de niet geheel accuraat als “Wat deed Julius Caesar vandaag 2069 jaar geleden?” aangeduide reeks blogjes.
Ik schrijf “niet geheel accuraat” omdat ook vandaag Caesar geen hoofdrol speelt. We laten hem, met de zwangere Kleopatra VII en haar broertje Ptolemaios XIV, achter in het koninklijke paleis in Alexandrië, waar hij wacht op de versterkingen die hij heeft gevraagd. En het is naar die versterkingen, die Caesar eind september (onze kalender) had ontboden, dat we gaan kijken.
[Laatste blogje in een vijfdelige reeks over Fakhr-ad-Din Ma’n (1572-1635), de Druzische krijgsheer die een tijd woonde in Italië en de Levant zou hebben kunnen moderniseren. Het eerste blogje was hier.]
Sultan Murad IV
De bloei van het rijk van Fakhr-ad-Din was mogelijk doordat het Ottomaanse Rijk bezig was met oorlog tegen de Perzen en Russen. Bovendien waren de sultans niet bijster competent, terwijl grootviziers en andere bestuurders elkaar zo snel afwisselden dat zelden sprake was van consistent beleid. In 1623 trad echter een sultan aan die uit ander hout was gesneden: Murad IV. Hij stuurde al snel een vloot om de al te autonome emir tot de orde te roepen, maar Fakhr-ad-Din zorgde dat hij ergens in het binnenland verbleef en tipte de admiraal dat er christelijke piraten in de buurt waren. De admiraal ging er achteraan, zijn ondergang tegemoet. Fakhr-ad-Din had namelijk ook de piraten gewaarschuwd en die onthaalden de Ottomaanse vloot met dodelijke efficiëntie.
Ik heb op deze plek weleens geschreven over het Verhaal van Wen-Amun, een Egyptische diplomaat die in het buitenland ontdekt dat mensen buiten het eigen land weleens anders naar de dingen kunnen kijken dan hij gewend is. Het is een voorbeeld van het Egyptische genre dat wel is aangeduid als “reisliteratuur”. Andere voorbeelden zijn het Verhaal van de schipbreukeling en het Verhaal van Sinuhe. De pointe van die verhalen is niet heel anders dan die van onze reisliteratuur: de hoofdpersoon verwerft in den vreemde een bepaald inzicht.
Meestal is dat overigens een inzicht dat de hoofdpersoon zonder al dat gereis ook wel thuis zou hebben kunnen opdoen. Maar ja, dan hadden wij geen verhaal vol avonturen en couleur locale gehad. Het is dus maar goed dat de hoofdpersoon doorgaans niet al te snugger is.
Net als in het Verhaal van Wen-Amun lijkt het Verhaal van Sinuhe op het eerste gezicht echt gebeurd. Er wordt verwezen naar historische gebeurtenissen, zoals het overlijden van farao Amenemhet I in 1952 v.Chr., en naar reëel bestaande plaatsen. Ik zal straks nog een detail noemen dat goed getroffen is.
Moderne dansers voor een filmpje dat ongetwijfeld in Libanon nog eens op TV te zien zal zijn
Drie jaar geleden toonde de Bekaavallei nog allerlei soorten akkerbouw en veeteelt, maar inmiddels zijn er alleen graanvelden. Een monocultuur. Door de enorme economische crisis heeft Libanon de valuta niet meer om voedsel te importeren en het land schakelt steeds meer over op de productie van het eigen eten. Dat betekent dat het geen agrarische producten heeft om te exporteren, wat weer betekent dat er geen vreemde valuta binnenkomen, zodat het aanschaffen van buitenlandse producten lastig wordt.
Baalbek
Enfin. We reden naar Baalbek, waar een van de grootste tempelcomplexen uit de oude wereld is te zien. Dit was de vrije dag in mijn programma, dat verder toch vooral om Byblos draait. Er waren in Baalbek weinig toeristen en degenen die we zagen, waren allemaal jonge Libanezen, afgewisseld met een fotograaf die een kapiteel vanuit alle mogelijke en onmogelijke hoeken stond te fotograferen. Een archeoloog dus, die werkte aan AutoCad-data.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.