Archetype en ‘initiële tekst’

De geleerde Jean Miélot verricht kopiistenwerk

In zijn blog van 11 juli 2022 legt Jona Lendering uit wat een archetype is. Bij het reconstrueren van antieke teksten is het archetype het handschrift waarvan alle bekende handschriften afstammen. Dit archetype is meestal hypothetisch (een reconstructie), maar het komt ook voor dat een van de bewaarde handschriften het archetype is.

In de nieuwtestamentische tekstkritiek gebruikt men tegenwoordig de term ‘initiële tekst’ (Ausgangstext, initial text). Wat is het verschil met ‘archetype’ en waarom is die nieuwe term nodig?

Het probleem

De Lachmannmethode is fraai door eenvoud en inzichtelijkheid, maar de praktijk is vaak weerbarstiger. De methode kan bijvoorbeeld moeilijk omgaan met contaminatie, het fenomeen dat een handschrift is gekopieerd uit meer dan één ander handschrift.

Lees verder “Archetype en ‘initiële tekst’”

MoM | Archetype

Laatmiddeleeuws Juvenalis-manuscript, compleet met correcties en commentaar (Tresoar, Leeuwarden)

Hé, dat is grappig: ik heb hier weleens uitgelegd hoe classici reconstrueren wat in antieke teksten heeft gestaan – de Lachmannmethode – maar ik heb nooit de term “archetype” uitgelegd.

Kopiisten

Hoe zat het ook alweer? Tot vér in de Romeinse keizertijd schreven antieke auteurs op vellen papyrus. Of beter: iemand dicteerde een tekst aan een secretaris die de woorden op het kwetsbare materiaal schreef. Dat was nog steno. De eigenlijke publicatie bestond er daarna uit dat iemand de tekst in het net uitschreef en die voorlas aan mensen die het dictaat uitwerkten. Zo konden een stuk of dertig kopieën worden gemaakt. Die werden op hun beurt weer overgeschreven. De totale oplage zal nooit heel hoog zijn geweest. (Voor de Koran weten we dat het gaat om in eerste instantie drie plus één exemplaar – u leest het hier maar in detail.) In de Middeleeuwen maakte men vaker één op één kopieën. Een monnik, een Byzantijnse geleerde of een Syrische klerk schreef een eerdere tekst eenmaal over. Lees verder “MoM | Archetype”

MoM | Muurschilderingen

In Leiden is men al een tijdje bezig om op blinde muren schilderingen van natuurkundige formules aan te brengen: Snellius, Huygens, Lorentz, Einstein, Oort, Goudsmit, ze zijn er allemaal, Lorentz zelfs twee keer. Ik vind het een leuk initiatief en weet dat het mensen nieuwsgierig heeft gemaakt. Doel gehaald, project geslaagd. Elders in Leiden zijn op muren gedichten aangebracht. Dat is een even leuk initiatief, maar het pakte wat minder uit. Het bovenstaande Arabische gedicht van de Libanees Adonis is bijvoorbeeld weergegeven in het Engels, als om expats duidelijk te maken dat ze zich niet hoeven verrijken door Nederlands te leren. Wat een haat toch voor onze taal. Niemand mag dan weten waar het graf van Stevin is, de grote Leidse wetenschapper draait zich erin om.

Terug naar de wetenschapsfresco’s, zoals ik ze maar zal noemen: in Utrecht zag ik er ook twee, ter ere van Buys Ballot en Ornstein. Zie mijn vorige blogje. En ik vroeg me af: wat zou je, wetenschapsfrescogewijs, kunnen doen voor de oudheidkunde?

Lees verder “MoM | Muurschilderingen”

MoM | Hoe kennen we Herodotos?

Modern beeld van Herodotos (Bodrum)

Een kleine twee jaar geleden publiceerde ik een stukje, eigenlijk meer een bedelbrief, waarin ik u vertelde dat we filmpjes waren begonnen te maken om u uit te leggen hoe oudheidkundigen komen tot hun conclusies. Hoe weten wetenschappers nou wat ze weten? Wat maakt oudheidkunde tot een wetenschap?

Ik denk (en niet als enige) dat het belangrijk is dat we dit soort dingen uitleggen. Niemand schiet er immers iets mee op als deze of gene u vertelt wat er in de Oudheid is gebeurd of hoe men dacht of handelde. Dat zoekt u immers wel op het internet op. Een wetenschap die haar naam waard is, legt zich professioneel uit en toont het wetenschappelijk proces.

Sindsdien hebben we – mede dankzij uw bijdragen – kunnen filmen in Amsterdam, in Museumpark Oriëntalis en het Valkhofmuseum in Nijmegen, in het Huis van Hilde in Castricum, nog een keer in Museumpark Oriëntalis bij Nijmegen, in het Thermenmuseum in Heerlen, in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden en bij Second Sun in Eindhoven. Daarna begon de montage en nu, na bijna twee jaar na het begin, is het eerste filmpje daar: classicus Hein van Dolen legt uit hoe het mogelijk is dat we na vijfentwintig eeuwen nog altijd de Historiën van Herodotos kunnen lezen. Antieke literaire teksten zijn immers overgeleverd in middeleeuwse handschriften vol kopiistenfouten, maar toch kunnen classici de oudere voorbeelden reconstrueren. Hoe, ziet u hieronder.

Lees verder “MoM | Hoe kennen we Herodotos?”

MoM | Lectio difficilior

De geleerde Jean Miélot verricht kopiistenwerk

Omdat ik woensdag een praatje houd over wetenschapsbloggen, meer in het bijzonder over uitleg van de methode, besprak ik afgelopen weekend mijn activiteiten met een paar mensen, en iemand wees me erop dat uitleg weleens een soort opstapeling is: soms kun je pas over iets bloggen als je bepaalde basiskennis kunt aannemen bij de lezers.

Ik herken het: regelmatig krijg ik reacties die duidelijk maken dat mensen eerdere stukken niet kennen. Je kunt dat redelijkerwijs ook niet verwachten. Des te leuker is het natuurlijk als iemand me eraan herinnert dat ik eerder iets anders heb beweerd, wat ik ook regelmatig meemaak.

Vandaag stapel ik maar eens een stukje op een eerder stukje: namelijk hierop, een blogje over de Lachmann-methode, de manier waarmee classici aan de hand van de fouten in middeleeuwse handschriften de tekst reconstrueren (“constitueren”) die antieke auteurs hebben geschreven.

Lees verder “MoM | Lectio difficilior”

MoM | Conjecturen en kritische apparaten

Een paar weken geleden blogde ik op deze plaats over de Lachmannmethode, waarmee filologen vaststellen hoe antieke teksten, die we vooral kennen uit middeleeuwse handschriften, precies moeten zijn geweest. De truc is kopiistenfouten te gebruiken om een stamboom van handschriften te maken. Daar blijft het werk van filologen echter niet toe beperkt, zoals blijkt uit een voorbeeld dat ik ontleen aan de Anabasis, de biografie die de Grieks-Romeinse auteur Arrianus wijdde aan Alexander de Grote.

Hij meldt dat bij de stad Babylon een kanaal lag en dat heet in de handschriften nu eens Pollakopas en dan weer Pollakottas. Wie met de Lachmannmethode een archetype reconstrueert, komt er niet echt uit. Er zijn niet voldoende handschriften om één variant de voorkeur te geven en het woord is niet Grieks, dus dat helpt ook al niet. De filoloog zal op dit punt een keuze moeten maken. Gelukkig is dat niet moeilijk, want het kanaal is bekend uit kleitabletten en heet daarin Pallukkatu. We mogen aannemen dat Arrianus een correcte vorm heeft gebruikt en dat er twee groepen handschriften zijn ontstaan doordat een kopiist het ongebruikelijke woord verkeerd las. Het verschil tussen π en ττ is immers niet zo heel erg groot. De tekstcriticus zal daarom “Pollakottas” beschouwen als authentiek.

Lees verder “MoM | Conjecturen en kritische apparaten”

De Lachmannmethode

We hebben weinig teksten uit de Oudheid over. Wat we wél hebben, zijn kopieën uit de Middeleeuwen, die echter vol schrijffouten zitten. Ik blogde vorige maand over zo’n manuscript. Lange tijd hebben oudheidkundigen gedacht dat hoe ouder de handschriften waren, hoe kleiner de kans was op vergissingen. Daar is wel iets voor te zeggen, maar in de Renaissance realiseerde de Italiaanse geleerde Angelo Poliziano zich dat dit niet het laatste woord behoeft te zijn.

Stel je voor dat een Romeinse schrijver twee klerken heeft, een nauwkeurige en een slordige, en dat die elk een kopie maken van een tekst. Latere generaties lazen die teksten, ze sleten, en er kwamen kopiisten die ze opnieuw overschreven, waarna de oude kopieën werden weggegooid. In de vijfde eeuw n.Chr., toen er een einde kwam aan de antieke overschrijfactiviteit, waren er zo twee families van manuscripten, een die was afgeleid van de slordige kopie en een die afstamde van de nette. In de Vroege Middeleeuwen gingen de meeste manuscripten verloren, maar in de tijd van Karel de Grote kwamen er weer kopiisten, die toevallig een net exemplaar vonden en kopieerden, waarmee de tekst weer onder de mensen kwam en kopiisten kreeg, tot tijdens de Renaissance de eerste wetenschappelijke uitgave werd gemaakt. Wanneer nu een classicus anno vandaag een vierde-eeuws exemplaar zou vinden uit de slordige manuscriptenfamilie, zou hij daaraan, volgens het principe “ouder is beter”, de voorkeur moeten geven, hoewel het in feite gaat om een tekst vol slordigheden.

Lees verder “De Lachmannmethode”

Carotta

Caesar; portret uit Nijmegen (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

Er valt in onze tijd al zo weinig te lachen, dus we moeten zuinig zijn op onze pseudohistorici. Maar ze zijn aan het uitsterven, zoals de meeste pseudowetenschappers. Toen het Roswellincident een halve eeuw geleden was, vielen de ooit zo talrijke ufologen vooral op doordat ze zwegen. Voorbij, voorbij, ach en voorgoed voorbij. Gelukkig hebben we Francesco Carotta nog, die beweert dat de cultus van Julius Caesar niet door iedereen goed werd begrepen en dat zo het christendom is ontstaan.

Het verkeerde begrip zou zijn voortgekomen uit verschrijvingen in antieke handschriften: ‘Galilea’ lijkt bijvoorbeeld wel wat op ‘Gallia’, dus als de ‘echte’ verlosser uit Gallia naar Rome kwam en daar werd vermoord, kon het gebeuren dat halfgeletterde vissers en timmerlieden dat uitlegden als een messias die uit Galilea kwam om in Jeruzalem te worden geëxecuteerd. Dat is ongeveer de theorie van Carotta, die is geïnspireerd door het soort fouten dat hij computers zag maken. Ik verzin het ook niet.

Lees verder “Carotta”