Het Rijk van Toulouse (1)

In Toulouse geslagen munt van Valentinianus III (Residenzschloss, Dresden)

Achteraf geloof ik dat er, toen ik kort na 1990 een afstudeerscriptie schreef waarin ik de romanisering van het Iberisch Schiereiland vergeleek met de arabisering, iets gaande was dat je zou kunnen aanduiden als het ontstaan van een nieuwe visie op laatantiek Iberië. Je zou het zelfs een revolutie mogen noemen, als die term niet zo vaak werd misbruikt. Feit is dat een traditioneel beeld werd omgekeerd en dat daarbij twee boeken centraal stonden: Roger Collins’ Early Medieval Spain (1983) en zijn The Arab Conquest of Spain, 710-797 (1989).

Het waren geen volmaakte boeken. Collins had de neiging economische factoren te bagatelliseren, met de overigens overtuigende toelichting dat er over bijvoorbeeld de belastingheffing in het Rijk van Toledo weinig méér bekend was dan dat ze had bestaan. Toch heb ik de boeken met veel plezier gelezen, niet het minst omdat Collins lef toonde en alles op z’n kop zette. Eerdere auteurs hadden laatantiek Iberië getypeerd als een geïsoleerd gebied; Collins benadrukte het tegendeel. Eerdere auteurs hadden beweerd dat het Rijk van Toledo gescheiden rechtsstelsels voor Germanen en Romeinen had gehad, volgens Collins was het één rechtssysteem.

Lees verder “Het Rijk van Toulouse (1)”

1700 jaar Nikaia (3): het concilie begint

Constantijn (let op het embleem op de helm; Staatliche Münzsammlung, München)

Het is vandaag 1700 jaar geleden dat in Nikaia, het huidige İznik in Turkije, de grote kerkelijke vergadering begon die bekendstaat als het Eerste Oecumenische Concilie. Nu zou het zomaar eens kunnen zijn dat u nog nooit een oecumenisch concilie hebt bijgewoond, dus leek het me zinvol eens te vertellen wat er zoal gebeurde. Hoewel de handelingen (actae) verloren zijn gegaan en we dus geen primaire bron hebben, zijn er redelijk wat secundaire bronnen, waarover ik later nog zal bloggen.

Voorbereidingen

Uiteraard werden eerst uitnodigingen verstuurd. Toevallig is een zo’n uitnodiging overgeleverd in een in de vijfde eeuw door een Armeense geleerde aangelegde verzameling. Het was Constantijn (en niemand anders) die de bisschoppen uitnodigde, en uitlegde dat de locatie in Nikaia was gekozen omdat de stad voor Italische bisschoppen makkelijk bereikbaar was, omdat er een gunstig klimaat was en omdat hij zelf ook van plan was vanuit Constantinopel langs te komen. De genodigden – zoals gezegd: niet iedereen die zich christen noemde – ontvingen behalve reisvouchers ook de agenda. Die is verloren, maar Eusebios van Caesarea vermeldt dat er reden was om te overleggen over de relatie tussen God de Vader en God de Zoon, over bisschoppen die (zoals Meletios van Lykopolis) hun autonomie wilden handhaven en over de kwestie van de paasdatum.

Lees verder “1700 jaar Nikaia (3): het concilie begint”

De verdwijning van het Gallisch

Een in Griekse letters geschreven Gallische inscriptie uit Alesia

De Romeinen kwamen, zagen en overwonnen nogal eens, maar de overwinning had vele vormen. Rond 146 v.Chr. lijfden ze bijvoorbeeld Griekenland in, waar de taal van de overwonnen bleef bestaan. Syrië volgde in 64 v.Chr. en Egypte in 31 v.Chr., en ook daar overleefden de oorspronkelijke talen. Aramees wordt nog steeds gesproken, al is het marginaal, en het Koptisch bleef als schrijftaal bestaan tot de dertiende eeuw en als spreektaal tot in de zeventiende.

Elders bereidde de Romeinse overwinning echter de overheersing voor van het Latijn, zoals in de Keltische gewesten. De gestage verdwijning van het Gallisch is goed te volgen. Aan inscripties zie je dat de oude tweestammige namen plaats maken voor tria nomina. Dat proces was nog niet voltooid toen dat Romeinse namensysteem in onbruik raakte, maar dan herken je de verdwijning van het Gallisch aan bijvoorbeeld vertalingen. Zo vermeldt een inscriptie uit Trier dat een Artula, Gallisch voor “kleine berin”, een dochter Ursula had, wat in het Latijn hetzelfde betekent.noot EDCS-10600882. Hier werd een Keltische persoonsnaam aangepast aan het inmiddels dominante Latijn. De overgang duurde een paar eeuwen, maar het resultaat is daar: zowel Spanjaarden als Fransen spreken een romaanse taal.

Lees verder “De verdwijning van het Gallisch”

Vragen rond de jaarwisseling (3)

Reconstructie van het gezicht van Sensaos (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

Ik nodigde u onlangs uit om vragen te stellen voor het lijstje “Vragen rond de jaarwisseling” van 2024. De eerste zes vragen beantwoordde ik hier, de volgende zes daar, en hier zijn er nog eens zes.

13. Hoe gradueel ging het klassieke Latijn als voertaal uit West-Europa over in de Romaanse talen?

Voor zover ik weet ligt er een probleem met onze data: we hebben alleen geschreven teksten. Uiteraard bevatten die regelmatig opmerkingen over de spreektaal, maar de schrijftaal kennen we wel beter dan de dagelijkse omgangstaal. Het klassieke Latijn en het klassieke Grieks bleven lang in gebruik omdat dit de talen waren waarmee de elites met elkaar communiceerden. Ze hadden een positie die vergelijkbaar is met het hedendaagse standaard-Arabisch.

Lees verder “Vragen rond de jaarwisseling (3)”

De Karolingische Renaissance: slot

De Dom van Aken, met achteraan het graf van Karel de Grote

[Dit is het slot van een blogreeks over de Karolingische Renaissance. Het eerste van de vier blogjes was hier.]

De naam “Karolingische Renaissance” is eigenlijk wat misleidend. Het woord “renaissance” betekent immers zoiets als “wedergeboorte” en het is overdreven te zeggen dat de antieke cultuur herleefde. De kloosterscholen waren een noodoplossing omdat het onmogelijk was het aloude onderricht in de steden een nieuwe impuls te geven. Het stedelijk leven was immers in verval geraakt. Wat in de abdijen mogelijk was aan onderwijs, was bovendien erg beperkt. Feitelijk werden van zeven vrije kunsten er slechts vier beoefend: sterrenkunde en de triviale vakken. Over arithmetica, geometria en musica vernemen we weinig. Het wiskundeonderwijs zou nog eeuwen stiefmoederlijk worden bedeeld.

Johannes Scottus

Desondanks wist Karel de Grote het scholingspeil te verhogen, al bleef het niveau lager dan het was geweest in de tijd van Boëthius en Cassiodorus, de vroege zesde eeuw. Uitzonderingen daargelaten waren de Karolingische geleerden vooral bezig zich het oude Latijnse materiaal opnieuw eigen te maken. Bijna niemand beheerste het Grieks en vertalers stonden daarom in hoog aanzien. Illustratief is de negende-eeuwse filosoof Johannes Scotus. Deze publiceerde enkele oorspronkelijke ideeën, maar daarin waren slechts weinigen geïnteresseerd; dat zijn naam niet werd vergeten, is vooral te danken aan zijn vertaling van enkele Griekse neoplatoonse werken.

Lees verder “De Karolingische Renaissance: slot”

De Karolingische Renaissance (3)

Misschien wel de beste representatie van de Karolingische Renaissance: geleerden presenteren een nieuw leerboek

[Dit is het derde blogje over de Karolingische Renaissance. Het eerste deel was hier.]

De Karolingische geleerden, die ik in mijn vorige stukje introduceerde, beperkten zich niet tot het toezicht op de monniken. Ze vervaardigden ook nieuwe leermiddelen, stortten zich onbesuisd op de neoplatoonse filosofie en bestudeerden het Latijn.

Leermiddelen

Eerst de leermiddelen van de Karolingische Renaissance. Voor het eerst in ruim twee eeuwen werden die weer vervaardigd. Zo kwamen er bloemlezingen uit het oeuvre van de kerkvaders, waaruit de leerling geacht werd de Latijnse spelling te leren en de juiste wijze om een betoog te ordenen. Als de leerling hiervan kennis had genomen, kon hij zich richten op de argumentatieleer. Daarbij moest hij op vragen antwoorden door passages aan te halen uit erkende autoriteiten als Martianus Capella, Boëthius, Cassiodorus en Isidorus van Sevilla. Alcuinus schreef enkele leerboekjes en verzamelde bovendien vraagstukken om de leerlingen te oefenen in logisch denken, zoals ons raadsel van de wolf, de kool en de geit.

Lees verder “De Karolingische Renaissance (3)”

De uitspraak van “Caesar”

De naam Caesar gespeld als Caisar verraadt de uitspraak.

Waarom wordt de naam Caesar soms uitgesproken met /ts/ en /e/ aan het begin (‘Tsesar’) en soms met /k/ en /ai/ (‘Kaisar’)? En Cicero soms met /ts/ of /s/ aan het begin (‘Tsitsero’ of ‘Sisero’), soms met /k/ (‘Kikero’)? Hoe kunnen we weten hoe de Romeinen destijds spraken, we hebben toch geen opnames uit die tijd?

Dat is waar natuurlijk, maar we kunnen desondanks de uitspraak tot op zekere hoogte reconstrueren. Zo is de naam Caesar in verschillende moderne talen overgenomen als term voor de hoogste heerser, namelijk als ‘keizer’ in het Nederlands en als ‘tsaar’ in het Russisch. Uit de zeer verschillende spelling en uitspraak blijkt dat de termen in beide gevallen in zeer verschillende perioden werden overgenomen. Toen de Germanen het woord ‘keizer’ overnamen, werd Caesar door de Romeinen blijkbaar nog met /k/ en een tweeklank uitgesproken. Toen de Russen het woord overnamen, werd het uitgesproken met /ts/ en een eenvoudige klinker.

Lees verder “De uitspraak van “Caesar””

Het einde van de Oudheid

Toen Romulus Augustulus in 476 werd afgezet, was Julius Nepos nog steeds de officiële keizer van het West-Romeinse Rijk (Bodemuseum, Berlijn)

Het handboek van Luuk de Blois en Bert van der Spek, Een kennismaking met de oude wereld, eindigt met een beschouwing over het einde van de Oudheid. Die begint met de opmerking dat het een onmogelijke taak is het einde van het behandelde tijdperk te markeren. Elke periodisering, zo schrijven de auteurs, heeft immers iets onnatuurlijks. Ze geven ook aan dat het jaartal 500 na Chr. alleen maar de gewoonlijke keuze is, en behandelen dan diverse mogelijkheden.

Politiek en religie

Wie kijkt naar de politiek, kan kiezen voor het einde van het Romeinse Rijk, maar dan deugt 500 niet. In plaats daarvan zou je 1453 moeten kiezen, als Mehmet de Veroveraar de laatste Romeinse hoofdstad Constantinopel inneemt. Het einde van het West-Romeinse Rijk in 476 is ook al een rare keuze, schrijven de auteurs, want feitelijk stelde dat politiek al een tijdje niet meer zo veel voor, terwijl de ideologie van de ene wereldheerser nog bleef bestaan. Dus wat wilde het afzetten van Romulus Augustulus zeggen? De Arabische veroveringen in de zevende eeuw vormden volgens de schrijvers wél een belangrijke politieke breuk. Ze geven althans geen redenen waarom het belang van dit proces genuanceerd zou moeten worden. Ik denk: terecht.

Lees verder “Het einde van de Oudheid”

De kat en haar naam

Biologen geven dieren en planten geleerde Latijnse namen en u zult bij het horen van het woord Felis wel vermoeden dat het gaat om de kat. Is het niet om de kattenbrokjes, dan wel om de tekenfilmpjes. Omdat de Romeinen er een naam voor hadden, wisten ze van het bestaan van het dier.

De verspreiding van de kat

Dat blijkt niet alleen uit teksten, maar ook uit archeologische vondsten. Een geschiedenis van de kat in de Oudheid zou kunnen beginnen in de Late Steentijd, toen wilde katten in het Nabije Oosten zich aangetrokken voelden door de muizen op de eerste boerderijen. Daar zijn ze door de bewoners gedomesticeerd. Of misschien domesticeerden de katten wel de mens, opdat die voor hen zou zorgen in tijden van muizenschaarste.

Lees verder “De kat en haar naam”

Deus, theós en de klankwetten

Een deva uit India: Vishnu (Rautenstrauch-Joest Museum, Keulen)

Het was een bewering die onlangs op deze plek werd gedaan. Eigenlijk ging het om het Gallische woordje devos, dat ‘god’ betekent.

“Dat is inderdaad het Latijnse deus, het Griekse theós (θεός), het Indische deva”, meende de schrijver.

De redenering van de auteur zal zijn geweest: ‘devos, deus, theos en deva komen uit verwante talen, ze betekenen alle vier hetzelfde, en ze lijken ook nog eens behoorlijk op elkaar. Conclusie: ze zijn verwant.’

Lees verder “Deus, theós en de klankwetten”