Wie de Senaatszaal verliet, kwam op het Comitium. Na de renovatie door Julius Caesar en Augustus was van het oorspronkelijke plein, dat ten tijde van de Republiek ruimte had geboden aan de Volksvergadering, weinig over. Destijds hadden om het ronde terrein, dat een doorsnede had van vijfentwintig meter, lage tribunes gestaan en eretekens voor verdienstelijke mensen en de profetessen die Sibillen werden genoemd. De Romeinse encyclopedist Plinius de Oudere stuitte op een vermelding van nog twee beelden:
Ik heb ontdekt dat aan weerszijden van het Comitium beelden van Pythagoras en Alkibiades hebben gestaan, omdat de Delfische Apollo ons tijdens de Samnitische Oorlog gelastte op een opvallende plaats standbeelden op te richten van de machtigste en de verstandigste onder de Grieken. Ze hebben er gestaan totdat de dictator Sulla het Senaatsgebouw vergrootte tot op die plaats. Het is overigens wonderlijk dat de vroede vaderen Pythagoras hoger aansloegen dan Sokrates, die door dezelfde god toch als meest verstandige is aangewezen, dat ze Alkibiades verdienstelijker vonden dan zoveel anderen, en dat ze iemand hoger achtten dan Themistokles, die machtig én verstandig was.nootPlinius de Oudere, Natuurlijke Historie 34.26.
Een van de opvallendste gebouwen op het Forum Romanum, althans in de huidige staat, is het Senaatsgebouw, de Curia. Het ziet eruit als een grote bakstenen kubus. Daarvóór lag het Comitium, waar vertegenwoordigers van het volk zich bij officiële gelegenheden verzamelden.
Senaat en Volksvergadering
Volgens de staatsrechtelijke fictie die is verwoord in de formule Senatus PopulusQue Romanus (S.P.Q.R.), regeerden “Senaat en Volk van Rome” samen over het wereldrijk. Comitium en Senaatsgebouw vormden daarom hét bestuurscentrum van de Mediterrane wereld – althans in theorie. In de praktijk was het de keizer die het beleid bepaalde. Het échte hart van het imperium was dan ook het Auditorium op de Palatijn, waar de vorst overlegde met zijn adviseurs.
Ook al had de Senaat in de Keizertijd nog maar weinig invloed, toch deed de heerser er goed aan het college met respect te bejegenen. De zeshonderd multimiljonairs die er zitting in hadden, konden het ook iemand die dertig legioenen commandeerde immers knap lastig maken.
Zomaar een Romein, niet per se Titus Livius (Museum für Kunst und Gewerbe, Hamburg)
[Vierde blogje in een reeks over de Romeinse geschiedschrijver Titus Livius. Het eerste deel was hier.]
Avaritia & crudelitas
Ik was vanmorgen begonnen met een samenvatting van het geschiedwerk van Titus Livius en had de tweede eeuw v.Chr. bereikt. Nu volgt het conflict tussen twee rivaliserende Romeinse staatslieden: Marius en Sulla. De boeken 66-70 gaan over de opkomst van Marius en worden gevolgd door zes boeken over de Bondgenotenoorlog, waarin de Romeinen moeten vechten tegen hun Italische medestanders, die burgerschap eisen. Na een Romeinse zege voeren de Romeinen oorlog tegen koning Mithridates van Pontus, zonder hem te overwinnen. Generaal Sulla neutraliseert het probleem, keert terug naar Italië en bestuurt de republiek als dictator.
Dit deel van de geschiedenis van Rome vanaf de oprichting, dat de verdeeldheid van de Romeinse elite hekelt en eindigt met de dood van Sulla, werd waarschijnlijk aan het begin van onze jaartelling gepubliceerd. De Periochae maken duidelijk dat Livius vaak aangaf dat politieke vraagstukken werden opgelost per vim, “met geweld”. Andere terugkerende begrippen zijn avaritia en crudelitas, “gierigheid” en “wreedheid”. Het was dus geen opbeurende lectuur, al zal Livius hebben opgemerkt dat met Augustus alles beter was geworden.
De ondergang van de Republiek
De boeken 91-105, gepubliceerd rond 5 na Chr., gaan over de opkomst van Pompeius, Crassus en Julius Caesar. We vernemen hoe de jonge Pompeius met succes vecht tegen de rebellenleider Sertorius in Hispania, zich bindt aan Crassus en consul wordt, en later vecht tegen de Cilicische piraten, Mithridates en de Joden. Hierop volgt de formatie van het Eerste Driemanschap, door Livius getypeerd als “een samenzwering tegen de staat door de drie voornaamste burgers”. Caesars sensationele Gallische oorlog eindigt met een climax: de Romeinen steken in Boek 105 niet alleen de Rijn maar ook het Kanaal over. Deze ontknoping suggereert dat Livius’ boodschap was dat Romeinen, als ze hun verdeeldheid maar overwonnen, de grootste dingen konden bereiken. Het is interessant dat Boek 104 een digressie heeft gehad geweest over Germaanse gewoonten, wat suggereert dat Livius de rapporten heeft gelezen van de Romeinse generaals Drusus en Tiberius.
De volgende decade gaat over de staatsgreep van Caesar. Boek 106 begint met de dood van Julia, Caesars dochter en de echtgenote van Pompeius. Vanaf nu zijn de harmonieuze relaties tussen de Romeinse leiders verdwenen. Ramp volgt op een ramp. De Belgische leider Ambiorix verslaat de legioenen van Caesar en de Parthische commandant Surena verslaat de soldaten van Crassus in Carrhae. Er is onrust in Rome, Caesar wordt verslagen bij Gergovia, en hoewel hij in Boek 108 de Galliërs verslaat, verslechtert zijn relatie met Pompeius nog verder. De Tweede Burgeroorlog breekt uit. Ik citeerde in een eerder blogje al Livius’ jeugdherinnering aan een waarzegger die in Padua de uitkomst van de slag bij Farsalos “zag”. Boek 115, waarschijnlijk gepubliceerd in 8 na Chr., eindigt met Caesars viervoudige triomf. Het moet bemoedigend zijn geweest voor Livius’ tijdgenoten, die net ernstige militaire tegenslagen in Illyricum hadden geleden.
Boek 116 begint met het complot tegen Caesar. Livius’ oordeel over de dictator: “Het valt niet uit te maken of het beter was voor de republiek dat Caesar werd geboren of dat beter was geweest als hij nooit was geboren.” De hele pentade (dus de boeken 116-120) beschrijft dan het conflict tussen Marcus Antonius en Octavianus. Vijf boeken is veel ruimte voor slechts twee jaar, maar Padua, waar Livius is geboren, speelde in deze oorlog een rol en Livius had het meegemaakt. Hij zal de gebeurtenissen belangrijker hebben gevonden dan wij. Boek 120 beschrijft hoe de twee kemphanen met Lepidus het Tweede Driemanschap sluiten.
Augustus
Livius publiceerde deze pentade in ca.10 na Chr. en het is mogelijk dat hij opnieuw benadrukte dat heersers samenwerken, een thema dat in deze jaren steeds belangrijker was in de Augusteïsche propaganda. Uit deze jaren stamt een tempel voor Concordia en ook werd Tiberius ingewerkt als opvolger.
Maar ook al stemde Titus Livius in met de heerschappij van Augustus, hij wilde ook niet ontkennen dat diens regering met geweld was begonnen. Moderne oudheidkundigen wijzen wel op de opmerking in de Periochae dat Boek 121 en de volgende boeken zijn gepubliceerd “na de dood van Augustus”. Dat hoeft niet te betekenen dat Livius censuur vreesde; hij lag ongeveer op schema.
De boeken 121-133 vertellen over de oorlog van de Driemannen tegen Brutus en Cassius, culminerend in de Dubbele veldslag bij Filippoi (Boek 124). Daarop volgen Marcus Antonius’ oorlog tegen de Parthen (Boek 128) en Octavianus’ oorlogen tegen Sextus Pompeius en in Illyricum. Lepidus verdwijnt van het toneel (Boek 129) en Marcus Antonius ontmoet Kleopatra. De Zeeslag bij Aktion rondt het verhaal af.
Misschien was dit het oorspronkelijke eindpunt van Livius’ project. Hij was ooit begonnen met een geschiedenis van Rome, en had nu het moment bereikt waarop hij zich aan dat werk had gezet. Hij had toen gedacht dat na de burgeroorlogen een ethisch reveil mogelijk was. De Romeinse wereld was inderdaad vreedzamer geworden, maar hij moet hebben opgemerkt dat de republiek, met zijn publieke debatten, was veranderd in een monarchie, waar beslissingen werden genomen door één man. En in het geheim.
Livius was daardoor niet in staat iets te produceren zoals de voorgaande drieëndertig boeken, waarin hij vierentwintig jaar had beschreven. Na boek 134 verviervoudigt het tempo van zijn verhaal: hij beschrijft tweeëntwintig jaar in slechts negen boeken. Het verhaal was nu heel anders dan het voorafgaande en het is mogelijk dat Livius zijn belangstelling begon te verliezen. Het is waarschijnlijk dat boek 134 begon met de woorden van fragment 58:
Ik heb inmiddels genoeg roem verdiend en zou een punt achter mijn geschiedwerk kunnen zetten, maar mijn rusteloze geest voedt zich met het schrijven.
Titus Livius bleef dus schrijven. De Periochae van de laatste boeken zijn zeer kort en suggereren niet dat het opwindende lectuur was. Dat was niet Livius’ schuld. De tijden waren aan het veranderen. De trieste paradox van de geschiedschrijving is immers dat alleen oorlogen en rampen materiaal leveren voor een boeiend narratief. Als de laatste boeken van de Geschiedenis van Rome sinds de stichting van de stad wat saai waren, was het omdat Livius tot zijn geluk niet leefde in interessante tijden.
Het hing al een tijdje in de lucht, maar de universiteit van Cardiff sluit inderdaad alle oudheidkundige opleidingen. Een nieuwe bijdrage aan het lijstje hier.
Ik ken maar weinig plaatsen waar zoveel lieux de mémoire bij elkaar zijn te vinden als op het Forum Romanum: het centrale plein van de stad Rome.
De vorige zin is wat paradoxaal, want het woord forum betekent eigenlijk zoiets als “buiten” (vgl. ons woord forens) en verwijst dus allerminst naar iets middenin een stad. De verklaring is dat het alleroudste Rome lag op de heuvel Palatijn en dat het latere Forum Romanum inderdaad daar buiten lag. Het was de drassige vallei, die afwaterde naar de Tiber door het dal tussen Palatijn en Capitool. Archeoloog Giacomo Boni vond in dit dal allerlei archaïsche graven.
Vervalste munt uit het jaar 46 v.Chr.: bewijs voor de economische problemen van de Tweede Burgeroorlog (Münzkabinett, Dresden)
[Slot van het op de deze blog onvermijdelijke overzichtsartikel over Julius Caesar. Het eerste deel was hier.]
De Tweede Burgeroorlog
In Rome keerde na een half jaar de rust terug en Pompeius, inmiddels hertrouwd, liet zijn nieuwe schoonvader tot consul kiezen: de behoudende Quintus Caecilius Metellus Pius Scipio. In de volgende maanden werden de regels voor de verkiezingen zó aangepast dat Caesar zich moeilijk kandidaat kon stellen. De Senaat was op ramkoers gegaan met de succesvolle generaal, die zijn troepen samentrok in de Moezelvallei en daar plannen voor een oorlog lijkt te hebben voorbereid. Het kamp bij Hermeskeil bij Trier is geïdentificeerd.
Vroeg portret van Julius Caesar (Museum van Korinthe)
In de donderdagse reeks over het handboek van De Blois en Van der Spek, Een kennismaking met de oude wereld, vandaag een stukje dat ik vreesde: Julius Caesar. Over hem – of beter: over de door hem ontketende Tweede Burgeroorlog – heb ik het immers al zo vaak in mijn reeks #RealTimeCaesar. En over zijn Gallische Oorlog heb ik het ook al vaker gehad, zoals hier en hier en hier en hier en daar. Maar vandaag dan toch: wat ging vooraf aan de Gallische Oorlog en de Tweede Burgeroorlog?
De opkomst van Julius Caesar
Caesar werd een bekende Romein in het jaar 69 v.Chr., toen zijn tante Julia overleed, de weduwe van Gaius Marius. Het jaar daarvoor hadden Pompeius en Crassus de rechten van de door Sulla gekortwiekte Volksvergadering hersteld. Daarover blogde ik al eens. In zijn grafrede bracht Caesar de aanwezigen Marius’ verdiensten in herinnering. Zo verwierf Caesar, die al een reputatie had als oorlogsheld, vrij eenvoudig een eigen achterban. Het betekende ook dat hij voor zijn verdere politieke loopbaan veroordeeld was tot een bestaan als popularis.
Gnaeus Pompeius (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)
Zoals de trouwe lezers van deze blog weten, schrijf ik elke week rond donderdag over het handboek oude geschiedenis van De Blois en Van der Spek. Een kennismaking met de oude wereld was het boek waaruit ik eerstejaarsonderwijs kreeg. Omdat ik professioneel in een impasse verkeerde, ben ik het eens gaan herlezen om te zien of mijn kennis niet tekortschoot. Vaak zie ik iets dat ik niet wist en soms denk ik dat ik het beter weet. Deze weken ben ik vooral bezig met aanvullingen. Gewoon, omdat het interessante stof is.
Zoals over de instorting van het systeem waarmee Sulla de Romeinse Republiek had gereorganiseerd. De meeste macht was bij de Senaat komen liggen en alle magistraturen waren aan strikte regels gebonden. Er waren bijvoorbeeld minimumleeftijden voor allerlei functies. Sulla was echter nog maar nauwelijks gecremeerd of het systeem bezweek.
In het vorige stuk zagen we dat de Romeinse generaal Lucius Cornelius Sulla, voordat hij naar de oorlog tegen Mithridates VI Eupator van Pontus was afgereisd, de macht had gegeven aan de Senaat. Op de revolutie volgde een contrarevolutie, want toen Sulla nog maar nauwelijks was vertrokken, grepen zijn tegenstanders hun kans.
De Eerste Burgeroorlog: Cinna versus Sulla
De Volksvergadering hernam haar rechten en wees haar oude leiders opnieuw aan. Velleius Paterculus oordeelt:
Vervolgens betraden Lucius Cornelius Cinna voor de tweede maal en Gaius Marius voor de zevende maal het ambt van consul, een blamage voor zijn vorige zes maal. Maar bij het begin ervan werd hij ernstig ziek en zo kwam een eind aan het leven van een man die in oorlog de grootste tegenstander was van de vijanden en in vrede van zijn medeburgers. (Romeinse Geschiedenis 2.23; vert. Hunink)
De problemen waarmee de Romeinse Republiek in het laatste kwart van de tweede eeuw v.Chr. werd geconfronteerd, waren na de eindeloze reeks consulaten van Gaius Marius niet langer beheersbaar. De republiek was uit balans gebracht door een man die voor het bestel te machtig was geworden. Een van de meest acute kwesties was de relatie tussen de Romeinen en de door hen achtergestelde Italische bondgenoten, die tot een gewelddadige uitbarsting kwam in 91 v.Chr.
Bondgenotenoorlog
Het conflict staat bekend als de Romeinse Bondgenotenoorlog. Rome moest het opnemen tegen een federatie van oud-bondgenoten, die zich in een nieuwe staat hadden georganiseerd met als hoofdstad Capua. Ze hadden eigen magistraten, sloegen eigen munten en waren – kortom – een anti-republiek. Luuk de Blois en Bert van der Spek, de auteurs van Een kennismaking met de oude wereld (waarover ik ’s donderdags blog), schrijven:
Een zegevierende Numidische ruiter (Bardomuseum, Tunis)
Op donderdag blog ik meestal over Een kennismaking met de oude wereld, het handboek van De Blois en Van der Spek waaruit ik ooit oude geschiedenis leerde. Soms vermeld ik dingen die ik niet had meegekregen, soms ben ik het oneens met de auteurs en vaak vul ik aan met iets dat ik leuk vind. Ik constateerde al eerder dat Numidië in Een kennismaking met de oude wereld ten onrechte weinig aandacht krijgt. Dat is jammer, want het was een agrarisch rijk, verstedelijkt gebied. Wie bijvoorbeeld onvermeld blijft, is koning Jugurtha. Vandaag dus een aanvulling.
Voorgeschiedenis
Numidië, zeg maar het huidige Algerije, was onder koning Massinissa uitgegroeid tot de machtigste staat in de Maghreb. Bij zijn dood liet hij het koninkrijk aan drie zonen, die een pro-Romeins beleid voerden. Maharbal lijkt al snel te zijn overleden; diens kinderen groeiden op aan het hof van Micipsa (eigenlijk Mikiwsan). Een van hen was de rond 160 v.Chr. geboren Jugurtha, die van zijn oom een militaire training kreeg en vervolgens diende in het leger waarmee de Romeinse generaal Scipio Aemilianus de Iberische stad Numantia belegerde.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.