Stuifmeelonderzoek

Drie coupes voor pollenonderzoek (Museo de Almería)

Je ziet stuifmeel nauwelijks, maar het is vervelend poeder. Als het droog weer is en als het spul vrijuit kan zweven, kun je er hooikoorts van krijgen. Maar voor archeologen zijn stuifmeelkorrels leuk, heel erg leuk. Eenmaal onder de (elektronen)microscoop gelegd zijn de verschillende soorten stuifmeel namelijk te identificeren en dat helpt ons iets zeggen over de antieke vegetatie. Overigens gebeurt determinatie vaak niet met het menselijk oog, maar met de computer en artificiële intelligentie.

Mogelijkheden

De conclusies hebben diverse toepassingen. Je kunt niet alleen uitspraken doen over het dieet van de mensen van weleer, maar ook over het oude klimaat. Als een landschap eerst is begroeid met allerlei grassoorten, later met dennen en berken, en daarna met loofbomen, mag je aannemen dat de temperatuur is gestegen. Als er in een gebied meer en meer struikheide is geweest, is dat een aanwijzing voor ontbossing en dat kan weer een aanwijzing zijn voor landbouw. De conclusies beperken zich niet tot de vegetatie. Omdat in de voedselpiramide de flora de basis vormt voor de fauna, kunnen stuifmeelonderzoekers vertellen welke dieren waarschijnlijk in de buurt hebben gewoond.

Lees verder “Stuifmeelonderzoek”

Het Teutoburgerwoud: drie perspectieven

Kalkriese, waar sporen zijn gevonden van de slag in het Teutoburgerwoud

Wat er in een antieke tekst staat: het is maar hoe je gewend bent te lezen. Een archeoloog leest anders dan een classicus, die weer anders leest dan een oudhistoricus. Ik bedoel nu niet dat de classicus de tekst leest in de originele taal en nuanceringen herkent die zijn collega’s niet zien. Het gaat me om een wezenlijker punt. Ik zal het illustreren met een voorbeeld uit de Romeinse geschiedschrijver Tacitus.

In zijn Annalen, gepubliceerd rond 120 na Chr., blikt hij terug op de regering van keizer Tiberius, een eeuw daarvoor. Generaal Germanicus was bezig met enkele expedities om de veldtekens te heroveren die de Germanen hadden buitgemaakt tijdens de slag in het Teutoburgerwoud:

Ze waren nu niet ver van het Saltus Teutoburgiensis waar, naar men zei, de overblijfselen van Varus en zijn legioenen nog onbegraven lagen.noot Tacitus, Annalen 1.60.3.

Lees verder “Het Teutoburgerwoud: drie perspectieven”

Hypothese en hulphypothese

Gezichtsmasker van een Romeinse helm, gevonden te Kalkriese

Niet ver ten noorden van Osnabrück ligt het dorpje Engter met daarnaast een plek die Kalkriese heet. Archeologen hebben daar een enorme hoeveelheid Romeinse militaria aangetroffen, gelegen tussen een moeras en de resten van een aarden wal op een heuvel. Wie op een landkaart van oost naar west kijkt, ziet de vondsten in een soort rechte lijn liggen tot hij aankomt bij het smalle stuk tussen wal en moeras. Daarvandaan waaieren de vondsten in twee richtingen uit: naar het noordwesten en naar het zuidwesten.

Engte

Al jaren wordt deze plek geassocieerd met de Slag in het Teutoburgerwoud in het najaar van 9 na Chr. De Romeinen kwamen uit het oosten, moesten hier langs het moeras en werden vanachter de wal bestookt door Germaanse krijgers. De legertros viel uiteen: een groep ging naar het noordwesten, de andere naar het zuidwesten. De vondsten duiden op de aanwezigheid van voetvolk, ruiters, administratief personeel en vrouwen. De naam “Engter” is een letterlijke vertaling van het eerste woord van Saltus Teutoburgiensis, want saltus betekent niet alleen “woud” maar ook “weide”, “pas” of (in dit geval) “engte”. Het Teutoburgerwoud is dus geen woud en stuifmeelonderzoek heeft bevestigd dat er weinig bosvegetatie was.

Lees verder “Hypothese en hulphypothese”

Siciliaanse scheepsrampen

Model van een enterbrug (Martin Lokaj)

Een tijdje geleden wijdde ik twee stukjes aan de expeditie van de Romeinse consul Regulus naar Tunesië. Na een vlootoverwinning op de Karthagers stak hij over naar het huidige Kelibia, plunderde onder andere Kerkouane, versloeg zijn tegenstanders, veroverde Tunis en werd uiteindelijk in 255 v.Chr. door de Spartaanse huurling in Karthaagse dienst Xanthippos verslagen. Ik heb er morgen ook nog iets over te vertellen, maar vandaag iets anders.

Storm

Regulus’ expeditieleger werd geëvacueerd door een Romeinse vloot, die echter in de Siciliaanse wateren verging. Slechts tachtig van de 364 schepen zouden de natuurramp hebben doorstaan. In 253 gebeurde dat nog eens: nog een uit Afrika teruggekeerde vloot liep op de klippen. Weer gingen 150 schepen naar de kelder. Vier jaar later, in de vroege zomer van 249, was het opnieuw raak en daarna zagen de Romeinen voor enkele jaren af van vlootexpedities. Als het waar is, moeten tienduizenden mannen zijn verdronken. En vermoedelijk is het waar. De door Titus Livius overgeleverde censuscijfers tonen namelijk dat het aantal geregistreerde burgers, aan het begin van de Eerste Punische Oorlog nog 382.234, in het jaar 253 was teruggelopen tot 297.797. Of dat voor of na de tweede ramp is gemeten, weet ik niet, maar het verlies aan mensenlevens was catastrofaal.

Lees verder “Siciliaanse scheepsrampen”

Het Spainkbos in Apeldoorn

De grote grafheuvel in het Spainkbos in Apeldoorn

Het Spainkbos in Apeldoorn is een piepklein parkje in de richting van de Loolaan, een van de mooie boulevards van de Veluwestad. Tot nog niet zo heel lang geleden was dit parkje het paradijs voor mountainbikers. Ze konden er lekker crossen over het licht geaccidenteerde terrein. Daaraan kwam in 2006 echter een einde toen archeologen vaststelden dat de hellinkjes in feite vier oeroude graven waren.

Zoals u op de bovenstaande foto ziet, zijn er sindsdien lage houten hekjes omheen gezet. Nodig was het eigenlijk niet. Toen de fietsers hoorden op welke grond ze reden, waren ze zelf al op zoek gegaan naar een andere plek. De jeugd van tegenwoordig heeft gewoon verantwoordelijkheidsgevoel.

Lees verder “Het Spainkbos in Apeldoorn”

Fenicische kolonisatie

Standbeeld van een magistraat (“suffeet”) uit Lepcis Magna (Nationaal Museum, Tripoli)

Zoveel is zeker: de Feniciërs hebben, komend vanuit wat nu Libanon is, een aantal nieuwe steden gesticht. Kition op Cyprus; Palermo en Marsala op Sicilië; nederzettingen op Malta, Gozo en Sardinië; Lepcis Magna, Oea en Sabratha in Libië; Karthago en Utica in wat nu Tunesië heet; steden langs de Algerijnse en Marokkaanse kust; Málaga en Cádiz in Andalusië.

Het bewijs is voor een groot deel archeologisch maar ook teksten spelen een rol, terwijl sommige kolonies pure speculatie zijn, gebaseerd op namen. Kart Hadašt betekent “Nieuwe Stad” en dat is dus Karthago, en wellicht herkennen we het eerste element ook in de stadsnaam Córdoba, maar dat dit een Fenicische stadstichting is, is niet bewezen. Er zijn daar weliswaar Fenicische vondsten gedaan maar die kunnen duiden op zowel kolonisatie als handel. Dat “Marseille” is afgeleid van Marsa’il ofwel “haven van god” is nog minder zeker. Ik geloof wel in Córdoba, zij het met een voorbehoud, en niet in Marseille.

Lees verder “Fenicische kolonisatie”

De slag in het Teutoburgerwoud (4)

Kalkriese, vandaag de dag; rechts werd, op de dag dat we deze foto maakten, nog onderzoek gedaan

[Er is een nieuwtje over de slag in het Teutoburgerwoud. Maar eerst een verslag van wat daar gebeurde. In het eerste en tweede stukje beschreef ik hoe de Romeinen het gebied van de Main en Lippe veroverden. Het derde deel bestond uit het verslag van Velleius Paterculus. We weten echter meer.]

In zijn selectie van de gebeurtenissen concentreert Velleius Paterculus zich op de verraderlijkheid van een onmenselijke vijand “die behalve een stem en ledematen niets menselijks hadden”, op de moed van de soldaten en op het feit dat sommige officieren het hoofd niet koel hielden. Het resultaat is meer een pleitrede dan geschiedschrijving, temeer daar het is gebaseerd op de verslagen van ooggetuigen die, zoals te verwachten viel, alleen konden vertellen wat ze hadden gezien in hun eigen sector van het slagveld.

Cassius Dio, die twee eeuwen later schreef, biedt wel een echt overzicht. Zijn bron, een auteur die de verslagen van enkele ooggetuigen met kennis van zaken tot een geheel wist te smeden, is vermoedelijk Plinius de Oudere, een cavalerie-officier die zich een generatie na de gebeurtenissen in het Rijnland bevond, overlevenden van de ramp hielp bevrijden en een Geschiedenis van de Germaanse oorlogen schreef. Hoewel Dio een nauwgezet auteur is, lijkt hij bepaalde informatie niet goed te hebben begrepen en maakt hij soms vergissingen als hij aanvullende informatie biedt. Dat is ook gebeurd in zijn verslag van het gevecht. De vertaling is van Gé de Vries.

Lees verder “De slag in het Teutoburgerwoud (4)”

Caesar in Noord-Gallië (4)

Caesar (Museum van Korinthe)

[Dit is het vierde uit een korte reeks stukjes waarin de Vlaamse archeoloog Guido Cuyt en ik de recente identificatie van Caesars slagveld bij Kessel proberen te plaatsen in de wijdere context van het onderzoek. In het eerste deel behandelden we dat de archeologische vondsten het verslag in Caesars Gallische Oorlog niet bevestigden, in het tweede zochten we naar het slagveld aan de Sabis en naar het heuvelfort van de Aduatuci, terwijl we in het derde bekeken of Atuatuca kon worden gezocht bij Kanne-Caestert.]

De kampen van Labienus en Cicero (54-53 v.Chr.)

In dit vierde stukje nog even wat losse eindjes voor we later vandaag kunnen ingaan op de betekenis van de identificaties voor de ontwikkeling van de oudheidkundige vaktheorie. Eerst het kamp van Labienus, die de winter van 54/53 doorbracht in het grensgebied van de Remers en de Treveren. Het is denkbaar dat ze verbleven in Cugnon, waar een heuvelfort uit de Late IJzertijd is gevonden. Een voorde in de rivier de Semois past bij Caesars beschrijving van de plek waar de Treverische vorst Indutionarus sneuvelde. Op dit punt is meer onderzoek noodzakelijk.

Lees verder “Caesar in Noord-Gallië (4)”

Tacitus’ Germanen (5)

Beslag van Plinius’ paard (British Museum, Londen)

[Onder de onheilspellende titel In moerassen en donkere wouden heeft de Nijmeegse classicus Vincent Hunink vertalingen samengebracht van alle teksten die de Romeinse historicus Tacitus wijdde aan de Germanen.

Daarover valt een hoop te zeggen. Dit is het vijfde van zeven à acht stukjes, waarmee ik u wil verleiden dat boek te lezen. Het is namelijk echt interessante materie. En nee, ik krijg voor deze blogstukjes – net als voor mijn reeksen over de Historia Augusta en Het leven van Apollonius – geen commissie.]

Eigenlijk zouden we moeten ophouden Tacitus aan te duiden als historicus. Voor zover hij bijvoorbeeld nadenkt over een fundamenteel onderwerp als de tijdrekening, benut hij die om een politiek punt te maken: hij dateert gebeurtenissen, zoals senatoren vanouds deden, aan de hand van de namen van degenen die in een bepaald jaar het consulaat bekleedden. Ons jaar 15 na Chr. heet dus “tijdens het consulaat van Drusus Caesar en Gaius Norbanus”. Met deze keuze wijst Tacitus de door keizer Augustus geautoriseerde jaartelling “sinds de stichting van de stad” af. Tacitus’ voorgangers Titus Livius en Velleius Paterculus deden dat eveneens, maar waar je bij deze auteurs nog kunt vermoeden dat ze het deden omdat ze de fouten in Augustus’ systeem begrepen, lijkt Tacitus’ keuze vooral te zijn ingegeven doordat hij hechtte aan aloude senatoriële voorrechten.

Lees verder “Tacitus’ Germanen (5)”

De Eburonen

Het standbeeld van Ambiorix in Tongeren. Ik zeg dit er voor de zekerheid even bij: dit is dus een negentiende-eeuwse reconstructie en de Belgische held zal er in het echt heel anders hebben uitgezien.

Ik heb al een tijdje drie boekbesprekingen in de pen – over het ontstaan van het Palestijnse vluchtelingenvraagstuk, over het verdwijnend christendom in het Midden-Oosten en over het verdwijnend christendom in West-Europa – maar er springt even een klusje in de weg. De Eburonen.

***

In 57 v.Chr. veroverde Julius Caesar het gebied van de Boven- en Midden-Maas. In zijn beroemde boek De Gallische Oorlog noemt de Romeinse generaal de Eburonen voor het eerst in 2.4, waar hij ze vermeldt als een van vier volken die met de vijanden van de Romeinen, de Belgen, mee streden. Volgens Caesar was het viertal “Germaans”, wat waarschijnlijk niet meer wil zeggen dan dat zijn Keltischsprekende tolken hen niet konden verstaan. Ze kunnen inderdaad Germanen zijn geweest, maar de weinige Eburoonse namen die we kennen, lijken alle een Keltische etymologie te hebben.

Lees verder “De Eburonen”