Dit is het zesde van dertien stukjes over Cornelis de Bruijn. Het eerste was hier.
***
Libanon
Cornelis de Bruijn verliet Jeruzalem op 16 november 1681 en bleef even hangen in Ramla om daar – vandaag 343 jaar geleden – Kerstmis te vieren. Nieuwjaar en Drie Koningen volgden en op 8 januari 1682 was hij weer in Jaffa, waar hij onmiddellijk aan boord van een schip ging. De volgende dag arriveerde hij in Tripoli.
Handtekeningen van kunstenaars uit de Lage Landen in de Santa Costanza; de handtekening van Cornelis de Bruijn ontbreekt
Dit is het tweede van dertien stukjes over Cornelis de Bruijn. Het eerste was hier.
***
Op reis
Ik eindigde mijn vorige stukje met de opmerking dat Cornelis de Bruijn Holland had verlaten. Op 1 oktober 1674 was hij met zijn collega Pieter van der Hulst (1651-1727) Nederland afgereisd naar Italië. Omdat de Guerre de Hollande nog steeds voortduurde, konden ze niet de weg langs de Rijn nemen, maar moesten ze een omweg maken. Ze bezochten dus eerst Leipzig en Wenen, en waren op de feestdag van Sint-Nikolaas, 6 december dus, in Venetië.
Hoe financierde De Bruijn zijn reis? Dit is een onopgelost raadsel. Mogelijk heeft hij geld gespaard en had hij rijke vrienden, maar er zijn geen aanwijzingen dat zij de reis hebben betaald. Ook stond hij niet op de loonlijst van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). We weten dat de kunstenaar tekeningen verkocht en bijverdiende met het schilderen van portretten, maar het is onduidelijk of dit voldoende was. Nog verrassender is dat hij bij terugkeer een fortuin bezat, dat hij zou investeren in de publicatie van zijn reisverslag, Reizen door de vermaardste Deelen van Klein Azië.
Zo nu en dan krijg je een uitnodiging om iets leuks te komen doen en zo nu en dan blijkt dat nóg leuker dan je verwachtte. Vorige maand kreeg ik een telefoontje van de mensen van BNR, of ik zin had een podcast te maken over de speurtocht naar het graf van Alexander de Grote. U voelt al aankomen dat die podcast inmiddels klaar is en inderdaad ga ik u straks een linkje geven. Maar eerst iets anders.
Een onwetenschappelijke vraag
Welbeschouwd is de speurtocht naar het graf van Alexander namelijk een raar onderwerp. Ik heb weleens geschreven hoe absurd het is dat de Spanjaarden op zoek gingen naar de stoffelijke resten van Cervantes. Welke vraag wilden ze beantwoorden? Of hij echt één arm had? Dat is geen grafschennis waard. En de Quichot wordt er niet grappiger door. Laat staan origineler. Er staat wetenschappelijk niets op het spel en voor zover er toeristisch belang is, moet dat wijken voor het recht op grafrust. Nog absurder was het voorstel van het Nederlandse Tweede-Kamerlid Ronald van Raak, die meende dat we het graf van Johan van Oldenbarnevelt maar moesten openen. De politiek gaat niet over archeologie. Daarvoor zijn erfgoedinstellingen.
In de alweer vijfde aflevering in de reeks over de Europese canon gaan we kijken naar de overgang van Middeleeuwen naar Nieuwe Tijd.
De Grote Ontdekkingen
Periode: Vanaf 1419
Vanaf 1419 organiseerden de Portugezen systematische verkenningstochten langs de westelijke kust van Afrika. Die werden steeds ambitieuzer. Bartolomeu Dias passeerde in 1488 Kaap de Goede Hoop, Vasco da Gama bereikte in 1497 India. In de tussentijd was Columbus namens de reyes católicos de Atlantische Oceaan overgestoken. Rond 1500 begonnen de Europeane nte begrijpen dat Columbus niet in India was aangekomen, zoals hij dacht, maar een nieuwe wereld had ontdekt.
Het wapen van de Lusignans, de heersers van Cyprus (Keryneia)
Zoals ik in gisteren vertelde, had koning Richard Leeuwenhart in 1191 Cyprus veroverd maar kon hij het niet beheren. Ook de Tempeliers zagen er geen brood in. Uiteindelijk overhandigde Richard het eiland nu aan zijn bondgenoot Guy van Lusignan, die u zich misschien herinnert uit een eerder blogje. De koning van Jeruzalem had in 1187 de slag bij Hattin verloren en had zijn stad moeten afstaan aan Saladin. Cyprus was een mooie compensatie voor Guys verloren koninkrijk. Na zijn dood in 1194 – hij werd begraven in Nicosia – kwam het eiland in handen van zijn broer Amalrik van Lusignan.
Deze twee koningen heersten allebei officieel ook in Palestina, al waren hun bezittingen gereduceerd tot de kuststrook. Hun afstammelingen regeerden alleen op Cyprus, dat onder Hugo I (r.1205-1218) en Hendrik I de Dikke (r.1218-1253) tot rust kwam. Bijvoorbeeld door een verdrag met de Seljukische Turken, waardoor beide partijen handel konden drijven. Deze twee vorsten waren allebei jong aan de macht gekomen, maar de familie Ibelin, die uit Palestina was meegekomen naar Cyprus, leverde capabele regenten die bijvoorbeeld wisten te verhinderen dat keizer Frederik II de macht overnam op Cyprus.
In mijn eerste blogje over het Byzantijnse Rijk gaf ik een algemene typering. In het tweede schetste ik de vroege bloeiperiode, de door de Avaren en Arabieren ingeleide crisis en het herstel onder de Macedonische dynastie. Op deze bloeiperiode volgde een periode van verval: de laatste van de drie perioden waarin historici het millennium van Byzantijnse geschiedenis onderverdelen.
Crisis
Door de val van Sirmium was de landweg tussen Constantinopel en West-Europa afgesloten en het Byzantijnse Rijk, met zijn eeuwige grensconflicten in het oosten, ontwikkelde zich anders dan de koninkrijken in het westen. Er bleven handelscontacten, veelal via Italiaanse steden als Amalfi en Venetië. Geleidelijk aan kregen die meer invloed, zodat de handel in de Byzantijnse wereld niet langer het monopolie was van de Byzantijnen zelf. De beginnende handelsconflicten werden aangewakkerd toen de paus en de patriarch van Constantinopel in 1054 elkaar verketterden over de natuur van de Heilige Geest. Een volgend probleem was de opkomst van Byzantijnse aristocratische families, die maar weinig bereid waren hun privébelangen ondergeschikt te maken aan het algemeen belang.
In 1998 was ik voor het eerst in Venetië en uiteraard ging ik naar de San Marco. Ik heb me destijds vergaapt aan de mozaïeken en de paarden, maar heb helaas het Tetrarchenreliëf gemist (het werd gerestaureerd) en heb de bovenstaande buste over het hoofd gezien. Ook bij een tweede bezoek heb ik het portret niet gezien, al kende ik een replica die te beobachten valt in Mainz in het onvolprezen Römisch-Germanisches Zentralmuseum.
Het portret, dat in 1204 uit Constantinopel werd meegenomen toen Kruisvaarders de boel daar plunderden, is gemaakt van porfier, een gesteente dat alleen in Egypte wordt gevonden. Dat maakt de datering simpel: het zal vermoedelijk dateren van vóór de Arabische veroveringen, want daarna nam de export van porfier sterk af. We hebben dus te maken met een vorst die voor pakweg 650 regeerde en inderdaad lijkt de buste op een keizer die we goed kennen: Justinianus. Het zou ook Justinianus II kunnen zijn, maar die leefde te laat.
Ik woon in Amsterdam. Als ik een biertje wil drinken met mijn vrienden, is dat in een café dat Bax heet. Eens in de week ga ik lunchen aan de andere zijde van het Vondelpark, in café Gruter. Mijn dagelijkse wandelingetjes brengen me naar het postkantoor, naar de supermarkt en naar een sigarenboer die ook kranten verkoopt. Als ik naar het station fiets, kom ik langs het Anne Frank-huis, maar het is ruim tien jaar geleden dat ik daar voor het laatst was.
Ik woon in de wereldberoemde toeristenstad Amsterdam. Maar met de musea, grachten en theaters heb ik weinig te maken. Als ik zou schrijven dat ik mijn vrienden ontmoet in Americain, dat ik lunch in Reijnders, dat ik al wandelend door de Grachtengordel het Paleis op de Dam en het Rijks MuseumRijksmuseum passeer, of dat ik vaste gast ben in het Stedelijk, dan zou u meteen weten dat ik niet de waarheid spreek. Alleen toeristen, rijke toeristen, houden zich aan het bovenstaande programma.
Een vriendin was zo aardig in Venetië een foto voor me te maken van een beeld dat ik zelf nooit heb gezien, omdat het lange tijd “in restauro” is geweest. De vier mannetjes hiernaast staan op een hoek van de San Marco. Ze zijn gemaakt van Egyptisch porfier en komen, net als de beroemde paarden van de San Marco, uit Constantinopel, het huidige Istanbul. Ze zijn in Venetië gekomen doordat de Venetianen zich, zoals ik al eens eerder vertelde, buitengewoon onderscheidden toen Constantinopel in 1204 werd geplunderd.
De beeldjes stellen de zogeheten tetrarchen voor, een woord dat je zou kunnen vertalen als “viervorsten”. In de derde eeuw na Chr. was het Romeinse Rijk nogal in de problemen geraakt door oprukkende barbaren, rebellerende legers, inflatie en een zó snelle opvolging van machthebbers dat de bestuurlijke continuïteit in gevaar was gekomen. Keizer Diocletianus, die in 284 aan de macht kwam, wist de oplossing: voortaan zou het Imperium vier heersers hebben.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.