Ik weet niet hoe het u vergaat, maar het nieuws uit Groot-Brittannië schokt me nauwelijks. Niet dat ik me er niet betrokken bij voel, maar het zijn dingen waarvan we wisten dat ze eraan zaten te komen. Eind jaren negentig had ik een Britse vriendin en kwam ik regelmatig in Londen, en de mensen die ik sprak neigden naar een vreemd soort hysterie. Of het nu ging om de Spice Girls, Tony Blair, Britpop of de dood van prinses Diana: er zat geen rem op de meningen. Dit moest wel verkeerd gaan.
En zo geschiedde. De Brexit is maar een voorbeeld. Met rare kwesties zoals de eenzijdige aanpassing van de regels rond Noord-Ierland en nu de verontwaardiging over het Europees Hof. Een substantieel deel van de Britse bevolking denkt dat afspraken die internationale relaties regelen, er niet zijn voor Britten.
De Iraakse rechter heeft Jim Fitton veroordeeld tot vijftien jaar gevangenis. Dat is nogal wat, want de Britse geoloog is al zesenzestig jaar oud. En zijn vergrijp lijkt te zijn dat hij twaalf scherven heeft meegenomen uit Eridu. Een plek waar scherven en inscripties aan de oppervlakte liggen.
De kwestie intrigeert me. Om te beginnen is er Fittons verweer dat zijn gids hem had gezegd dat je wel wat scherven mocht meenemen. Toevallig heb ik die gids gekend: de onlangs overleden Geoff Hann. Die vertelde ons, toen wij in oktober met hem op pad waren, dat we geen oudheden moesten wegnemen. Iets dat elke reisleider je zal zeggen. Gewoon omdat het zo hoort. Iets dat te lezen staat in elk boek over Irak. Of in elke reisgids voor welk land met een antiek verleden dan ook. Het is ook iets waar in Irak met posters voor wordt gewaarschuwd. Je moet onder een steen hebben gewoond als je dit niet weet. Een ander deel van Fittons verweer, dat hij niet op de hoogte was van de regelgeving, treft mij als ongeloofwaardig.
Toen ik de Livius-nieuwsbrief nog samenstelde, verwees ik af en toe naar de Elgin Soap. Dat was de eindeloze discussie over de marmeren sculptuur die ooit op het Atheense Parthenon heeft gestaan. Er is eigenlijk altijd wel iets over te doen. De beelden, die bekendstaan als de Elgin Marbles, zijn al een eeuw of twee in het British Museum in Londen en Griekenland wil ze graag terug. De argumenten daar voor en daar tegen zijn al heel lang bekend. Ze overtuigen wel of ze overtuigen niet. Het is allang geen kwestie meer waar de argumenten ertoe doen. Of ze ooit terug zullen gaan, is vooral afhankelijk van de politiek.
En de politiek gaat ook over andere zaken, die niet per se belangrijker zijn maar doorgaans wel urgenter. Kortom, er is feitelijk nooit echt nieuws.
Er was vorig jaar veel te doen over The Dig, een film waarin de opgraving van Sutton Hoo een rol speelt. Het graf van de vroeg-zevende-eeuwse Angelsaksische vorst Rædwald geldt als een van de grote archeologische ontdekkingen van de vorige eeuw. De bijzetting zou te vergelijken zijn met die van andere heersers uit de Late Oudheid, zoals Childerik in Doornik en het grafveld bij het Zweedse Vendel, ware het niet dat dit graf alles in omvang overtreft: Rædwald is begraven in een schip van een slordige zevenentwintig meter lang. Het is begrijpelijk dat de opgravers die er in 1938 en 1939 werkten, lang overwogen dat het een Vikinggraf was.
Sutton Hoo
Maar het was dus ouder. Dit schip documenteerde de wereld van de Angelen, van de Saksen, van de kerstening en van de Beowulf. Wellicht herinnert u zich uit 2005/2006 de expositie “Professor Van Giffen en het geheim van de wierden” in het Groninger Museum. In The Dig vat een medewerker van het British Museum, Charles Phillips, het belang van de ontdekking mooi samen: “The Dark Ages are not dark anymore.” En ook: “The Anglo-Saxons did have a civilization.”
Bij menig Ako waren dranghekken geplaatst en de bereden politie was op de been om de menigte in bedwang te houden. In sommige gemeentes hield het bevoegd gezag rekening met ongeregeldheden en had de burgemeester al een noodverordening voorbereid, klaar om te worden uitgevaardigd. Vandaag zou Ancient History Magazine in de winkels liggen en uitzinnige menigten probeerden een nummer te bemachtingen.
De spanning liep op toen bleek dat de Ako’s onvolledig waren bevoorraad. Navraag leerde dat door de Brexit niet alle verzendingen van de Britse drukkerij naar het continent mogelijk waren geweest.
De menigte keerde gelaten terug naar huis en de burgemeesters schoven de noodverordeningen weer in de la, vrezend voor wat volgende week zal brengen.
[Vandaag het laatste van vier blogs over de veldtochten van keizer Septimius Severus (r.193-211), die het Romeinse Rijk bracht tot zijn grootste omvang. Dat dit onder Trajanus zou zijn gebeurd is vooral propaganda van Mussolini. Het eerste deel is hier.]
Zoals gezegd had keizer Severus het Romeinse leger uitgebreid met drie legioenen. I Parthica en III Parthica bleven in Mesopotamië en het II Parthica werd gestationeerd in Italië, waar het een kamp betrok op de Albaanse Berg ten zuidoosten van Rome. Het diende als strategische reserve. Al vóór Severus in de Tripolitana een nieuw verdedigingsconcept introduceerde, was gebleken dat het traditionele systeem van de limes gebreken vertoonde. Nu de stammen buiten het imperium zich beter organiseerden, slaagden ze er wel eens in door te breken, en omdat alle troepen langs de grenzen waren gestationeerd, konden vijanden zonder veel problemen vér oprukken. Zo hadden tijdens de regering van Marcus AureliusGermaanse piraten de Vlaamse kust bereikt en grote schade aangericht in bijvoorbeeld Arras, Thérouanne en Bavay. Uit deze en soortgelijke gebeurtenissen bleek dat de oude vorm van grensverdediging aanpassing vereiste.
Het zou te ver gaan te zeggen dat Severus de oplossing vond, maar hij onderkende dat het probleem ten dele samenhing met het feit dat als troepen in de ene sector versterking kregen, andere sectoren verzwakt raakten. Daarom wachtte II Parthica in Italië om in crisisgebieden te interveniëren. De grafstenen van de gesneuvelde soldaten zijn vrijwel overal in het Romeinse Rijk gevonden en zo kan worden vastgesteld dat het legioen van 208 tot 211 deelnam aan Severus’ campagne om het nog onafhankelijke noorden van Britannia te onderwerpen. In feite was ook dit een defensieve maatregel: as Schotland eenmaal onderworpen en geromaniseerd, dan waren er geen drie kostbare legioenen meer nodig om de Britse provincies te verdedigen. Hoewel Severus zijn legioenen noordelijker voerde dan welke keizer ooit heeft gedaan, moest hij onderkennen dat de Hooglanden niet te veroveren waren.
Wie in Londen buiten de gebaande paden reist komt vanzelf in het tegenwoordig populaire East End, vlakbij Liverpool Station. De bekendste straat daar is Brick Lane waar veel Aziatische restaurants en winkels zijn. De Britse journalist en schrijver Tarquin Hall schetst in zijn Salaam Brick Lane. A Year in the New East End een portret van oude en nieuwe bewoners en laat zien dat een achterbuurt niet per se een probleemwijk is.
Zoals in veel Europese steden woont er in Londen buitenwijken een overwegend niet-inheemse bevolking. Ga naar Green Street bij het negentiende eeuwse Upton Park Underground Station aan de oostkant van Londen. Dat is een drukke, armoedige winkelstraat met lelijke winkelpuien. We staan in het vibrerende centrum van het Londense Pakistan en op straat wordt geen woord Engels gesproken. Vrouwen zijn traditioneel gekleed, sommigen hebben een gezichtssluier en slechts een enkeling draagt westerse kleding. De straat functioneert als een Oosterse bazaar en de winkels bieden alles wat Pakistanen nodig hebben: halalvlees, elektronica, een Pakistaanse Khan Fried Chicken, huwelijksjuwelen en kostbare bruidsjurken. Overigens wonen er in Upton Park ook Indiërs, zoals zal blijken.
Akkoord, Layard was een avonturier in de beste Victoriaanse traditie. En die traditie is er niet alleen een van stiff upper lip en wetenschappelijk optimisme, maar ook van genadeloos imperialisme. Het is in die sfeer dat we Layard óók moeten plaatsen.
Nog twaalf uur. Net als u heb ik de laatste tijd vol frustratie gekeken naar de gebeurtenissen aan de andere kant van de Noordzee.
Ze verbaasden me helaas niet. Ooit had ik een Britse geliefde en ik had destijds al het idee dat er iets vreemds speelde. Of het nu ging om de Spice Girls, om Tony Blair of om Princess Diana, er was van tijd tot tijd iets om hysterisch over te zijn. Het verontrustte me.
Elk museum heeft zijn charmes. Het Rijksmuseum van Oudheden, waar ik kind aan huis ben. Het kleine museum van Troyes, waar je wat oude meesters kunt zien én de grootste collectie meteorieten van het departement. Het museum van Hamadan omdat de directrice er altijd weer in slaagt iets nieuws te tonen. Het museum met de mozaïeken uit Zeugma, omdat, nou ja, omdat daar de mozaïeken zijn uit Zeugma. En het British Museum, waar ik weleens kwam met mijn voormalige Britse geliefde en mooie herinneringen aan heb.
De collectie zelf heeft echter óók wel wat en vandaag neem ik u mee langs enkele museumstukken. Om te beginnen het bekendste of beruchtste onderdeel: de Elgin Marbles, die u hierboven ziet, genoemd naar de Lord Elgin die ze naar Engeland bracht. Ze komen van de Parthenon-tempel in Athene, en Griekenland wil ze graag terug hebben; er is al een prachtig museum gebouwd voor wat ze daar aanduiden als de Parthenon Marbles. Dit beeldhouwwerk, zo betogen de Grieken, is werelderfgoed. Precies, antwoorden de Britten, en omdat het het erfgoed van de hele wereld is, kan het ook worden getoond in Engeland. Laat u door dat geharrewar echter niet afleiden. Dit is gewoon weergaloos mooi beeldhouwwerk en hierboven ziet u maar een heel, heel klein gedeelte.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.