Damasus

Kopie van een van de inscripties van Damasus (Romeinse Katakomben, Valkenburg)

In september 366 overleed Liberius, de bisschop van Rome. Het was het einde van een tumultueus bewind dat in het teken had gestaan van een conflict met keizer Constantius II, die volgens onze bronnen een aanhanger was van een christelijke opvatting die bekendstaat als arianisme. Liberius had het opgenomen voor een tegenstander van het keizerlijke standpunt, bisschop Athanasius van Alexandrië, en was daarom door de keizer verbannen en vervangen door Felix II. De Romeinse geestelijkheid had daarop de terugkeer van Liberius geëist, de keizer had ermee ingestemd en geopperd dat de twee bisschoppen samen zouden regeren – Rome was ooit groot gemaakt door twee collegiaal regerende consuls, zal hij hebben gedacht – maar de Romeinse menigte had Felix al vrij snel verjaagd.

De man die in deze onoverzichtelijke situatie de kerkelijke bezittingen had beheerd, was de aartsdiaken Damasus. Hij moet het goed hebben gedaan want toen Liberius overleed, was hij de gedoodverfde nieuwe bisschop en kon hij rekenen op de steun van degenen die daarvoor bisschop Felix hadden gesteund. De aanhangers van bisschop Liberius vertrouwden daarentegen op een andere aartsdiaken, Ursinus. Om de chaos compleet te maken, bespraken de twee partijen de opvolging op twee plaatsen en kozen ze beide mannen tot bisschop. Een niet-christelijke historicus, Ammianus Marcellinus, vertelt:

Lees verder “Damasus”

Nikolaas van Myra

Nikolaas van Myra (Byzantijns Museum, Athene)
Nikolaas van Myra (Byzantijns Museum, Athene)

Zoals de trouwe lezers van deze kleine blog weten, geloof ik in Sinterklaas, die vandaag 1633 jaar (of zoiets) geleden het tijdelijke verwisselde voor het eeuwige. De heilige bisschop van Myra heeft elk jaar nog drie andere kerkelijke feestdagen – u leest in deze charmante legende hoe dat zo is gekomen. Het is welverdiend dat de goede heilige vier feestagen heeft, want hij zet zich in voor

de kinderen, zeelieden (in een duobaan met de Moeder Gods), vissers, kuipers, slagers, pasgetrouwde stellen, studenten (in een duobaan met Thomas van Aquino), kooplieden, bankiers en dieven (maar dat is hetzelfde), prostituees, officieren, hotelliers, gevangenen, ongehuwde vrouwen met een partnerwens, Amsterdam en de Amsterdammers, Rusland en de Russen, Griekenland, de Grieken en de Griekse marine, alle steden en dorpen in de wereld die “St. Niklaas” heten, of iets wat daarop lijkt, iedereen met een naam die is afgeleid van “Nikolaas” en meer in het bijzonder van de gehele mensheid. (bron)

Lees verder “Nikolaas van Myra”

Synesios

dans

Als er één classicus is van wie ik had verwacht dat hij nooit vroegchristelijke poëzie zou vertalen, dan is het Piet Gerbrandy, de auteur van het door mij bewonderde boek Het feest van Saturnus. In de inleiding tot dit overzicht van de Latijnse literatuur vraagt Gerbrandy zich af wat van dat onderwerp de grenzen zijn: wat rechtvaardigt dat de auteur van een Latijnse literatuurgeschiedenis stopt in de zesde eeuw na Chr.? Is er niet méér Latijn geschreven ná de Oudheid dan in het Romeinse Rijk? Gerbrandy antwoordt hierop dat de Romeinse literatuur heidens van karakter is. De latere Latijnse teksten, zo schrijft hij, hebben meer raakvlakken met middeleeuwse theologen dan met klassieke auteurs als Lucretius, Horatius en Tacitus. Gerbrandy noemt ook een persoonlijk argument: hij voelt zich bij die heidense auteurs meer op zijn gemak. Godsdienst is een “interessant maar bedenkelijk atavisme”.

Hij staat hiermee in de beste humanistische traditie en ik neem aan dat hij over de Griekse literatuur hetzelfde zou betogen: “geef mij maar de schrijvers uit de klassieke, hellenistische en Romeinse tijd, een ander mag schrijven over de Byzantijnse literatuur of de kerkvaders”. Vandaar dat het me verbaasde dat Gerbrandy onlangs een mooi boekje publiceerde met zijn vertaling van negen christelijke hymnen van de Griekse auteur Synesios van Kyrene, Dans die het heelal omkranst.

Lees verder “Synesios”

Augustinus (4)

lane_fox_augustine

[Dit is het vierde deel van een artikel over Augustinus, geschreven n.a.v. Lane Fox’ Augustine. Conversions and Confessions (2015). Het eerste deel is hier.]

Zoals gezegd vond ik Lane Fox’ Augustine. Conversions and Confessions een fijn boek om te lezen en ik heb er genoeg moois in gevonden. En toch overtuigde het me niet: er zit te veel speculatie in. Nu is dat onvermijdelijk bij dit onderwerp, dat, als ik het wat deftig mag uitdrukken, een dubbele hermeneuse veronderstelt.

Hermeneuse” is de kunst om anderen goed te begrijpen. In een gesprek is dat natuurlijk niet zo moeilijk want als je iets niet snapt, kun je opheldering vragen. Het wordt al iets lastiger als je iets leest, want dan moet je de auteur zien te bereiken. Als de auteur dood is, schreef in een vreemde taal en leefde in een ons volstrekt vreemde samenleving, is antwoord uitgesloten. De aanname achter de wetenschappelijke hermeneuse is dat we desondanks toch zijn bedoeling wel enigszins kunnen benaderen: we lezen een tekst, vormen een beeld van het geheel en begrijpen – als we de tekst herlezen – de details beter doordat we weten wat we mogen verwachten, en doordat we de details nu snappen, begrijpen we de hoofdlijn weer beter. Dat is een in principe eindeloze cyclus, waarin je steeds beter begrijpt wat de tekst betekent, zeker als je haar leest met andere teksten en dezelfde cyclus toepast op de antieke samenleving. Zo zou je inzicht in een oude tekst uit een vervlogen tijd moeten groeien, maar de discussies die al twee millennia over de Bijbel worden gevoerd illustreren dat het niet per se leidt tot consensus. Er blijft een fors subjectief element.

Lees verder “Augustinus (4)”

Augustinus (3)

Augustinus (Sint-Janshospitaal, Brugge)

[Dit is het derde deel van een artikel over Augustinus, geschreven n.a.v. Lane Fox’ Augustine. Conversions and Confessions (2015). Het eerste deel is hier.]

Augustinus mocht in het klooster dan een prettige levensvorm hebben gevonden, hij bleef twijfelen. Hij denkt in vragen – als manicheeër al en na zijn bekering tot het christendom niet minder. We herinneren ons dingen, maar waar komen die herinneringen vandaan? Hoe kan in zoiets kleins als ons lichaam zo onmetelijk veel informatie liggen opgeslagen? En hoe zit het met voorstellingen die we ons kunnen maken van dingen die we nog nooit hebben gezien? Of neem dit: als kind denk en redeneer je als kind, als volwassene denk je weer anders, maar waar is die kindertijd gebleven?

In feite was Augustinus begonnen de diepten van de menselijke geest te peilen en onderzocht hij wat “ik” nu eigenlijk was. Dat levert fenomenaal proza op dat in feite onvertaalbaar is. “Jij (= God) zat dieper in mij dan ikzelf” is omslachtiger dan het laconieke Latijnse interior intimo meo. (Let op het beginrijm en het klankspel.) Of bedenk eens wat mihi quaestio factus sum, “ik ben mezelf een raadsel geworden”, van indruk moet hebben gemaakt op lezers die anderhalf millennium leefden voordat Freud het onbewuste uitvond.

Lees verder “Augustinus (3)”

Augustinus (2)

Het keizerlijk hof (op een reliëf uit Istanbul). Augustinus zou bij officiële gelegenheden ergens op de bovenste rij hebben gezeten, in de nabijheid van de keizerlijke familie, verheven boven de stedelijke menigte.

[Dit is het tweede deel van een artikel over Augustinus, geschreven n.a.v. Lane Fox’ Augustine. Conversions and Confessions (2015). Het eerste deel is hier.]

Augustinus werd geboren in Thagaste, het huidige Souk Ahras in noordoost Algerije, ging naar school in Madauros en had het geluk dat een rijk man wel iets zag in de intelligente jongeman – want intelligent moet je zijn om de Categorieën van Aristoteles door zelfstudie te begrijpen. Augustinus’ patroon zorgde ervoor dat hij een goede opleiding kreeg en de jonge man vestigde zich in Karthago als leraar in de welsprekendheid. Een belangrijke baan: in een halfgeletterde samenleving als het Romeinse Rijk, waarin alle besluitvorming mondeling plaatsvond, was het voor elke bestuurder van wezensbelang dat hij zich goed kon uitdrukken. Scholing in de welsprekendheid was daarom een voorwaarde voor iedereen die iets wilde bereiken. Die scholing hield overigens meer in dan alleen het componeren van een goede toespraak: het was een volledig cultureel programma dat iemand definieerde als beschaafde Griek of Romein.

In deze Karthaagse jaren behoorde Augustinus, zoals gezegd, bij een manichese sekte. De hoofdstukken die Lane Fox eraan wijdt, vond ik erg informatief, al troffen de beschreven rituelen me als zó bizar dat ik moeite had te geloven dat de reconstructie correct was. Een interessant probleem is hier dat we niet weten kunnen welke delen van de manichese teksten letterlijk zijn bedoeld en welke overdrachtelijk moeten worden gelezen. Waar een hedendaagse oudheidkundige een moderne christen kan vragen wat is bedoeld met het op het eerste gehoor kannibalistisch klinkende “dit is mijn lichaam”, is hij hulpeloos bij een manichese tekst.

Lees verder “Augustinus (2)”

Augustinus (1)

Achttiende-eeuws portret van Augustinus (Porta Nigra, Trier)
Achttiende-eeuws portret van Augustinus (Porta Nigra, Trier)

Manicheïsme is een antieke godsdienst waarin de kosmos werd voorgesteld als een eeuwige strijd tussen het goede en het kwade, tussen licht en donker, tussen geest en materie. Lange tijd is er weinig over bekend geweest: hoewel het in de Vroege Middeleeuwen een wereldreligie was, ging het manicheïsme ten onder in de concurrentie met het christendom en de islam. Er waren geen kopiisten voor de manichese teksten, die dus – zoals zoveel antieke literatuur die uit de mode raakte – verloren gingen. Alleen langs de Zijderoute, waar lange tijd allerlei religies naast elkaar bestonden, overleefde het, tot de Mongolen de laatste gelovigen doodden. De manichese opvattingen waren zodoende lange tijd vooral bekend uit de strijdschriften van hun tegenstanders, zoals Tegen de manicheeërs van bisschop Augustinus van Hippo (354-430), die enkele jaren lid was van een manichese sekte.

Aan het begin van de vorige eeuw veranderde de situatie, toen in Centraal-Azië enkele oeroude manichese teksten werden ontdekt. Verder beschikken we over de Tebessa Codex en de Keulse Mani-codex, een boekje zo klein als een luciferdoosje. De belangrijkste tekstvondsten komen echter uit de bibliotheek die in 1930 is ontdekt bij het Egyptische Medinet Madi: preken, een boek met de titel Synaxeis (“de vergaderingen”), een boek met antwoorden op vragen van gelovigen (de Kefalaia, “hoofdstukken”) en een enorm boek met manichese psalmen. De bibliotheek is samengesteld rond 400, dus in de tijd van Augustinus. Dit materiaal is de laatste jaren uitgegeven door de Chester Beatty-bibliotheek in Dublin.

Lees verder “Augustinus (1)”

Willibrordus

Reliekschrijn van Willibrordus (Catharinakathedraal, Utrecht)

In het jaar 384 overleed in Maastricht bisschop Servatius, die tot kort daarvoor had geresideerd in Tongeren. Veel meer weten we eigenlijk niet over de man, wiens leven vooral bekend is uit latere legenden. Toch is zeker dat er christelijke gemeenschappen waren in de twee genoemde Romeinse steden. Uit Nijmegen is er nog een haarspeld met een Christusmonogram, die erop wijst dat er ook aan de Waal christenen leefden. Dat was zo’n beetje al het bewijs voor de aanwezigheid van het christendom in de Lage Landen in de Romeinse tijd.

De val van Rome

Een generatie na de dood van Servatius viel het Romeinse rijksbestuur in onze contreien weg. De macht kwam in handen van de laatste garnizoenscommandanten, die stonden aan het hoofd van plaatselijk gerekruteerde legertjes. Nu was de plaatselijke bevolking aan het begin van de vijfde eeuw niet meer wat ze voordien was geweest: in 355 waren groepen Frankische immigranten vanuit het huidige Drenthe, Gelderland en Overijssel het Romeinse Rijk binnengetrokken, waar generaal Julianus hun land in het huidige Brabant had toegewezen en had geëist dat ze zouden dienen in de legers. Toen het Romeinse staatsapparaat rond 410 dus wegviel – de onlangs gevonden munten uit het Limburgse Echt werpen enig licht op deze gebeurtenis – kwam de macht in handen van mannen met Frankische (over)grootouders. Als de nieuwe heersers christelijk zijn geweest, zal het geloof niet heel diep hebben gezeten.

Lees verder “Willibrordus”

Sint-Nikolaas

Gebeente van Nikolaas van Myra (Archeologisch Museum, Antalya)

Op 6 december in 335, 336 of 337 overleed in Myra de leider van de plaatselijke christelijke gemeenschap: bisschop Nikolaas. Nu er een einde was gekomen aan het aardse bestaan van de heilige, werd het lichaam dat hij had achtergelaten buiten het stadje bijgezet, langs de grote weg naar de haven waar hij zijn kerk had gebouwd.

De tijd verstreek maar de mensen vergaten de overledene niet. Ze vertelden verhalen die steeds wonderbaarlijker werden en geloofden berichten dat de overleden bisschop zeelieden in nood had bijgestaan. Hij werd erkend als beschermer van de zeevarenden en kreeg een kerk in Constantinopel.

Lees verder “Sint-Nikolaas”

Perzische bisschoppen

Een schaakspel dat ik ooit in Isfahan zag: links Saladin, rechts Kruisridders.
Een schaakspel dat ik ooit in Isfahan zag: links Saladin, rechts Kruisridders.

Een vriend van me is dol op schaken en grapte ooit dat hij op vakantie ging naar Palermo om daar de Siciliaanse partij te bestuderen. Ik heb hem ervan weten te overtuigen dat hij ook mee moest naar Iran, “naar het Schaaketymologisch Instituut”. Het schaakspel komt immers uit het oude Perzië, en woorden als “schaken”, “mat” en “rokeren” zijn dan ook Perzisch (shah, “koning”; māt, “uitwegloos”; rukh, “toren”). Ik denk dat in het Schaaketymologisch Instituut veel Perzische tapijten liggen, zoals herdersmatten en lopers.

Een loper heet in het Engels “bishop”, en ook dat woord is te danken aan de oude Perzen, al is het niet aan onze taal toegevoegd als schaakterm, maar via een andere weg, namelijk via episkopos: een Grieks woord dat zou kunnen worden vertaald als “toe-kijker”. Voordat het een kerkelijke term was, was episkopos de aanduiding van de inspecteurs in het Atheense imperium.

Lees verder “Perzische bisschoppen”