Hannibal in de Alpen

Karthaagse afbeelding van een olifant op een grafstèle (Musée national de Carthage)

In het najaar van 218 v.Chr. trok de Karthaagse veldheer Hannibal in vijftien dagen over de Alpen. Het was slechts één deel van één van de vele militaire operaties in de Tweede Punische Oorlog, die op zijn beurt weer deel uitmaakte van een langdurig conflict tussen Karthago en Rome.

Laten we eerlijk zijn: de route die Hannibal over de Alpen nam, is een kwestie van niks. Maar het is wel iets dat tot de verbeelding spreekt. Zeg immers “Karthago” en de mensen denken aan Hannibal. En zeg “Hannibal” en de mensen zien olifanten voor zich die moeizaam trekken door de besneeuwde Alpen. Niet dat er werkelijk veel sneeuw lag, overigens.

Maar goed, Hannibals tocht vanuit de vallei van de Rhône naar de Povlakte is een van de weinige thema’s uit de oude geschiedenis waarvan iedereen een beeld heeft. Alle reden om er een boek over te schrijven. En daar ben ik onlangs aan begonnen.

Lees verder “Hannibal in de Alpen”

De ondergang van het Romeinse Rijk

Een van de aardigste boeken die ik de afgelopen jaren heb gelezen, is The Fate of Rome van Kyle Harper. Ik schreef al eerder over het boek, dat groot is in een klein genre.

Een klein genre

Dat kleine genre is “ondergang van het Romeinse Rijk”. We hebben relatief weinig geschreven bronnen, hoewel er met de gestage publicatie van papyri en Aramese teksten wel wat bij komt, en het archeologisch materiaal is nog onvoldoende verkend. De voorkeur ging immers lange tijd naar de klassieke periode. Lees verder “De ondergang van het Romeinse Rijk”

De grenzen van de Oudheid

Ik had een reeks beloofd over handboekkennis. Na die belofte en wat gefantaseer over hoe mijn eigen handboek eruit zou zien, neem ik vandaag de Inleiding ter hand van Een kennismaking met de oude wereld van De Blois en Van der Spek. De auteurs geven daarin aan dat de Oudheid op zichzelf een boeiend onderdeel van de menselijke geschiedenis is. De Oudheid is gewoon leuk en dat is volgens mij voldoende rechtvaardiging om je ermee bezig te houden. (Vanzelfsprekend geldt dit niet voor de financiering. We willen allemaal wel betaald krijgen om leuke dingen te doen.)

De Oudheid als bakermat

Maar wat is die Oudheid nou? Vrij simpel: de periode tussen pakweg 3000 v.Chr. en 650 à 800 na Chr. Daarvóór hebben we alleen archeologische data, daarna hebben we voldoende geschreven bronnen om echt geschiedenis te schrijven. De Oudheid is de tussenfase: wel bronnen maar onvoldoende. Dataschaarste is hét centrale thema.

De auteurs noemen deze periode “de bakermat van de Europese en islamitische beschavingen” en spreken van

de landen rondom de Middellandse Zee, en in het bijzonder de cultuurcentra van het oude Nabije Oosten enerzijds en de antieke Grieken en Romeinen anderzijds.

Hier zouden zaken zijn ontstaan die de westerse en islamitische culturen bepalen. Bepalen. We zijn in het land van de sociale wetenschappen.

Lees verder “De grenzen van de Oudheid”

Continuïteit

Twee Punische grafstèles uit Utica (Musée archéologique d’Utique)

Het reliëf hierboven heb ik een paar maanden geleden gefotografeerd in Utica. Twee Punische grafstèles waarvan er in Tunesië dertien in een dozijn gaan. De overledenen zwaaien ons nog even na nu we wandelen langs hun laatste rustplaatsen, zou je op het eerste gezicht zeggen, maar het kan natuurlijk ook een zegenend gebaar zijn.

Je kunt moeiteloos parallellen vinden van de vriendelijk opgestoken hand. In de Oudheid zijn er de handen van de Thracische godheid Sabazios, vaak voorzien van allerlei kwaadafwerende tekens, of de handen van de Syrisch-Romeinse godheid Jupiter Dolichenus, waarvan u hieronder een foto ziet. Er zijn christelijke amuletten met dezelfde open hand. In alle gevallen dienden deze handen om geluk en heil te brengen. Een zegen, een groet.

Lees verder “Continuïteit”

MoM: Intersubjectiviteit, objectiviteit en subjectiviteit

Jeruzalem, “Large Stone Structure”: dit is vrijwel zeker niet het paleis van koning Salomo, maar dat roeptoeteren archeologen wel de wereld in.

Bestaat er zoiets als objectieve kennis van het verre verleden? Als je de vraag zo stelt, is het antwoord nogal eens nee. Objectieve kennis wil zeggen dat iets geen interpretatie nodig heeft en voor iedereen altijd het geval is. De menselijke lichaamstemperatuur schommelt rond de 37 graden Celsius. Koning Filip is getrouwd met koningin Mathilde. Dertien is een priemgetal.

De Oudheid

Als het gaat om kennis van het verleden, is er een glijdende schaal. Robert Fisk overleed op 30 oktober 2020 en Jeanne d’Arc op 30 mei 1431. Komen we in de Oudheid, dan wordt het lastiger. Ovidius schreef de Tristiae in Tomi. Alexander bezocht Jeruzalem. Petoebastis III versloeg Kambyses. De Etrusken kwamen uit Anatolië. Troje is veroverd door een coalitie van Mykeense krijgers. Dat waren vijf voorbeelden waarover discussie mogelijk is. Dit is een onvermijdelijk gevolg van het feit dat we te maken hebben met dataschaarste. Hoe minder data, hoe meer ruimte er is voor verschillende interpretaties.

Lees verder “MoM: Intersubjectiviteit, objectiviteit en subjectiviteit”

Verhalende geschiedschrijving

Kleio, muze van de geschiedschrijving (Landesmuseum, Trier)

Geschiedvorsing wil niet slechts zeggen dat je gebeurtenissen op een rijtje zet maar houdt ook in dat je die probeert te verklaren, dat wil zeggen dat je verbanden legt met andere gebeurtenissen. Daarvoor kennen historici verschillende verklaringsmethoden. Zo kun je proberen wetmatige verbanden te leggen. Als de bevolking in omvang toeneemt, stijgt – als andere zaken hetzelfde blijven – de graanprijs. Een andere vorm van verklaren is de hermeneuse: je verklaart iets door je in mensen uit het verleden in te leven. De moeite die Justinianus zich getroostte om met voormalig prostituee Theodora te trouwen, kan alleen betekenen dat hij echt van haar hield.

Een derde benadering staat bekend als vergelijkend-oorzakelijk of comparativistisch en wil zeggen dat je verbanden opspoort door middel van vergelijking. Als de romanisering en de arabisering van het Iberische Schiereiland identieke processen waren, alleen verschillend doordat de Romeinse belastingdruk hoger was, is dat de sleutelfactor waardoor de grondig geromaniseerde bevolking de Visigoten assimileerde en de aan minder dwang onderworpen en minder gearabiseerde bevolking de reconquistadores niet kon assimileren. Over de vierde verklaringswijze, het modelleren met computers, valt een boom op te zetten en dat laat ik nu rusten.

Al deze benaderingen hebben de aanname met elkaar gemeen dat het verleden nog kenbaar is. Dat is niet de aanname van het de vijfde verklaringswijze: narrativisme ofwel verhalende geschiedschrijving.

Lees verder “Verhalende geschiedschrijving”

Patronen van misinformatie (3)

Het theater van Epidauros

Een tijdje geleden ben ik begonnen met een reeks blogstukjes over misverstanden. Ik had er vijftig liggen en dat leek me leuk om de periode van de corona-lockdown te overbruggen, niet méér. Langzaam begon me duidelijk te worden dat er toch iets meer in zat. De oudheidkunde komt namelijk zelden echt goed in het nieuws: het is meestal met trivialiteiten en vrijwel nooit met inzichten, waardoor ze een inmiddels welverdiende reputatie heeft intellectueel weinig voor te stellen.

Dit probleem ligt er nu eenmaal en ik schreef in mijn eerste stukje dat de patronen in de misverstanden wellicht aangeven waar het verkeerd gaat en hoe we een van zijn ankers geslagen vakgebied weer een ligplaats kunnen geven in het maatschappelijk debat. In mijn tweede stukje wees ik op het voortduren van negentiende-eeuwse ideeën en op aandachttrekkerij zonder dat de eenmaal getrokken aandacht ergens naartoe leidt. Dit is vooral een probleem voor de archeologie, die noch historiografische verdieping biedt (waarom draait de limes het “Gelderse geschiedbeeld” om?), noch methodische uitleg geeft (hoe weten we wat we weten?), noch vergelijkingen tussen toen en nu maakt (wat zegt slavernij over ons vrijheidsbegrip?).

Lees verder “Patronen van misinformatie (3)”

De historiciteit van koning David

De Mesha-stele, waarin koning David vermoedelijk wordt genoemd (Louvre, Parijs)

Een van de grote oudheidkundige problemen is dat van het asymmetrische bewijs. Wat doe je als de geschreven bronnen iets anders suggereren dan het bodemarchief? Er zijn twee strategieën. De maximalist gaat ervan uit dat de bron betrouwbaar is, tenzij het tegendeel wordt bewezen. De Medische hoofdstad Ekbatana was een stad met zeven muren, tenzij we de stad opgraven en constateren dat er maar één muur was. Julius Caesar moordde een stam uit bij de samenvloeiing van Rijn en Maas, tenzij we de resten van opgemeld bloedbad op een ander punt opgraven.

De omgekeerde positie staat bekend als minimalisme. De geschreven bron geldt als fictie, tenzij we archeologisch bewijs vinden dat haar bevestigt. Het zevenmurig Ekbatana is een sprookjesmotief, tenzij we zeven muren opgraven. Caesar moordde geen stam uit, tenzij we het slagveld op de juiste plek vinden.

Beide posities zijn onhoudbaar omdat we te weinig data hebben. We weten niet waar Ekbatana in de IJzertijd heeft gelegen – wat is opgegraven, is veel jonger – en als we op de samenvloeiing van Waal en Maas enorme hoeveelheden botmateriaal vinden uit de eerste eeuw v.Chr., zouden we ook het kamp van Caesar willen vinden plus, als het even kan, een slingerkogel met het nummer van een van de relevante legioenen. Door de genoemde dataschaarste is de discussie over deze twee strategieën lastig én uitdagend. Het zou het beste uit de wetenschap boven kunnen halen maar het maximalismedebat is in de Nederlandse oudheidkunde te ruste gelegd. Als archeologen écht in discussie moeten met historici en andersom, is er in de Nederlandse wetenschap ineens weinig waarheidsliefde. Er is weinig wil tot weten. De ambitie om je eigen vak te overtreffen, is afwezig. Gelukkig hebben we Israël.

Lees verder “De historiciteit van koning David”

Altijd te weinig bewijsmateriaal (2)

Grafmasker uit Nineveh, tweede eeuw na Chr. (British Museum, Londen)

In het eerste deel van dit stukje wees ik erop dat er discussie is over het bestaan van een Damis-bron die Filostratos kan hebben gebruikt bij het schijven van het Leven van Apollonios van Tyana. Eén van de argumenten daartegen is dat Filostratos Damis typeert als inwoner van Ninos, dat wil zeggen Nineveh. Die stad was echter in 612 v.Chr. verwoest,  wat zou suggereren dat Filostratos iets verzon.

***

Nineveh was dan wel in 612 v.Chr. verwoest, de stad was niet volledig verlaten. De Atheense huurling Xenofon bezocht “Mespila”, zoals de stad inmiddels heette, in 401 v.Chr. en beschrijft de stadsmuren (Anabasis 3.4.10). De dag ervoor daarvoor had hij “Larissa” bezocht, waarin we Nimrud herkennen. Xenofon vertelt hoe de bewoners van die stad waren gevlucht naar de ziggurat die onlangs door ISIS richting Tigris is geschoven (Anabasis 3.4.6-9).

In beide steden zijn voorwerpen gevonden uit alle eeuwen. Toen ik vorig jaar een Nineveh-nummer van Ancient History Magazine redigeerde, plaatste ik een afbeelding van wat oorbellen uit de Parthische tijd maar het grafmasker dat dit artikel siert zou eveneens hebben gekund. Het dateert uit de tweede eeuw na Chr. Opnieuw verbreden we het werkterrein door er aanvullende informatie bij te halen, en wel uit de archeologie. Simpel gezegd: de oudheidkundige die Filostratos in de schoenen schoof dat hij Damis uit een niet-meer-bestaande stad liet komen, vergat dat er meer informatie bestaat dan alleen tekstuele.

Lees verder “Altijd te weinig bewijsmateriaal (2)”

Altijd te weinig bewijsmateriaal (1)

Grafmasker uit Nineveh, tweede eeuw na Chr. (British Museum, Londen)

Ik heb het al eerder geschreven maar doe het nog een keer: als je bezig bent met de Oudheid, heb je altijd te weinig bewijsmateriaal en kun je je niet permitteren ook maar één snippertje informatie te negeren. Het bovenstaande gouden grafmasker – gevonden in Nineveh, behorend tot de collectie van het British Museum en momenteel te zien op de Nineveh-expositie in het Rijksmuseum van Oudheden – illustreert dit punt.

Maar eerst een filologische kwestie. In de derde eeuw schreef de Griekse auteur Filostratos het Leven van Apollonios van Tyana, een geromantiseerde biografie van een charismatische wijze-wonderdoener uit de eerste eeuw na Chr. die in alle uithoeken van de destijds bekende wereld wijsheid zou hebben gezocht. Op zijn reis richting India ontmoette hij in “Ninos” zijn leerling Damis, die memoires op schrift zou hebben gesteld die voor Filostratos een bron van informatie zouden zijn geweest.

Lees verder “Altijd te weinig bewijsmateriaal (1)”