De Afrikaanse martelaren

Goede herder (Musée archéologique de Sousse)

Het christendom is ontstaan in Judea, de gelovigen kregen hun naam in Syrië en de nieuwe religie ontwikkelde zijn eigen ideeën in Egypte en Anatolië. Later ook op andere plekken natuurlijk, maar het kan nooit kwaad te benadrukken dat West-Europa in de geschiedenis van het vroegste christendom marginaal is. Eerst moest er een Latijnse literatuur ontstaan en de eerste bij naam bekende christelijke auteur die zich van die taal bediende was Tertullianus. Hij leefde rond 200 in Karthago. En dat gebied was allerminst marginaal voor het christendom, zij het dat het een vorm had die nooit mainstream is geworden.

De martelarencultus

Als we afgaan op wat is overgeleverd – altijd een belangrijk punt – was het martelaarschap hier heel belangrijk. Een van de alleroudste christelijke documenten van Afrikaanse bodem is het procesverslag van de martelaren van Scilli. Het gaat om een kleine groep gelovigen die op 17 juli 180 bij gouverneur Vigellius Saturninus werd voorgeleid, volhardde in wat de magistraat zal hebben beschouwd als weerzinwekkend bijgeloof en die ter dood werd gebracht. Martelaarschap is ook een centraal thema in het denken van Tertullianus, uit wiens De apologeet de beroemde (beruchte) kreet komt dat het bloed van de martelaren het zaad is van de kerk. Ik heb al eens eerder over deze ideeën geschreven en verwijs er nog eens naar.

Lees verder “De Afrikaanse martelaren”

Maximinus de Thraciër

Een damnatio memoriae van Maximianus Thrax uit Sétif

Mijn zakenpartner heeft het weleens over de inscriptietoeter die afgaat als hij ergens op een opgraving een steen ziet waarop wat woorden staan geschreven. Ik stuiter er dan meteen op af om foto’s te maken. Later zal ik er dan een nummer aan toevoegen uit de EDCS, de Epigrafische Database van de Duitse oudheidkundigen Manfred Clauss en Wolfgang Slaby, en als daar nog geen foto’s in staan, dan stuur ik die op. Meer dan eens gaat het om materiaal dat nog niet is gedigitaliseerd of zelfs volkomen onbekend was.

In januari heb ik iets van vierhonderd foto’s gestuurd en dat is mede doordat ik op een regenachtige ochtend in Sétif heb staan fotograferen in twee met inscripties gedecoreerde parken, de Jardin Emir Abdelkader en de wat kleinere Jardin Rafaoui. Daar zat ook de bovenstaande foto bij van een inscriptie die kort voor 1920 moet zijn ontdekt in wat toen nog Saint-Arnaud heette en tegenwoordig El-Eulma heet. Zoals u ziet heeft iemand de tekst van die inscriptie doorgestreept. Een damnatio memoriae.

Lees verder “Maximinus de Thraciër”

Het ongrijpbare antieke christendom (3)

Een christelijke maaltijd op een tweede- of derde-eeuwse wandschildering uit de catacomben van Callixtus, Rome. Er zijn diverse wandschilderingen van dit type, waarbij steeds zeven mensen de maaltijd gebruiken en zijn gezeten in een halve cirkel.

Mijn leermeester, professor Pieter Willem de Neeve, was geïnteresseerd in antieke landbouw en kampte met het probleem dat we over de middelgrote en kleine Romeinse boerenstand weinig bronnen hebben. De boeren waren immers ongeletterd en de bronnen zijn geschreven door rijke, vooringenomen mannen. Ze noteerden ook al niet wat destijds vanzelfsprekend was. We kunnen daarom de voor ons gezochte feiten niet vinden door de bronnen na te vertellen. Das wahre Faktum steht nicht in den Quellen.

Hoe een historicus dan te werk gaat, toont De Neeve in zijn inaugurele rede De boeren bedreigd: eerst maak je expliciet wat je verwacht (en daartoe haalde hij de locatietheorie van Von Thünen uit de kast) en pas daarna kijk je naar de bronnen, zodat je herkent waar ze onvolledig en bevooroordeeld zijn. Dat kan óók betekenen dat je ontdekt dat je eigen aannames niet kloppen en dan heb je je eigen denken beter doorgrond. “Expliciet maken wat je verwacht” kan hierbij slaan op het gebruik van modellen uit de sociale wetenschappen of het zoeken naar parallellen uit andere voorindustriële samenlevingen. Het voordeel van het aangeven van je verwachtingen is niet alleen dat je zo scherper kijkt naar je bronnen maar ook dat je reconstructie sterker is dan de N=1 die een alleen op bronnen gebaseerde reconstructie nu eenmaal is.

Als je het hebt over het ontstaan van het christendom, moet je het ook zo aanpakken. Eerst moet je expliciet vaststellen wat je zoekt, omdat je anders je impliciete aannames, gebaseerd op modern christendom, zult projecteren op de tekortschietende teksten en je vooral zult kijken naar wat je herkent. Dus: wat verwacht je van het vroegste christendom? We zijn in de fortuinlijke situatie dat we een goed beeld hebben van de beginsituatie: het jodendom.

Lees verder “Het ongrijpbare antieke christendom (3)”

Offerverklaring

Offerverklaring (Neues Museum, Berlijn)

Ik had het, toen ik Candida Moss’ boek The Myth of Persecution besprak, al eens over de christenvervolging door keizer Decius, rond het jaar 250. De pas aangetreden heerser eiste van alle ingezetenen een eed van trouw, die de mensen dienden af te leggen door te bidden bij de voorvaderlijke goden. We begrijpen niet goed hoe dit door christenen als een probleem kon worden ervaren, want ze mochten bidden voor het welzijn van de keizer en hun god had zich niet pas vorig jaar gemanifesteerd. Wierook branden was bij christenen in deze tijd ongebruikelijk maar niet verboden.

Het eten van offervlees was onder christenen omstreden: de brieven van Paulus tonen dat deze het problematisch vond, terwijl er ook gelovigen waren die meenden dat als de valse goden valse goden waren, het offervlees geen speciale status had. Dit kan voor sommigen dus een probleem zijn geweest. Of misschien was het afleggen van een eed wel problematisch: het verbod op het afleggen van eden behoort tot die delen van Jezus’ leer waarvan hedendaagse geleerden denken dat het Jezus-echt is.

Lees verder “Offerverklaring”

De wierookroute (1)

Wierookbrander (Musée national de Carthage)

Aan het einde van de zevende eeuw v.Chr. bezong de Griekse dichteres Sapfo de bruiloft van Andromache en Hektor. In dit gedicht (fr.44) noemt ze enkele geurstoffen, waaronder wierook, die ze aanduidt met het arabisme libanos. Ze gebruikte het leenwoord, dat bijdroeg aan een sfeer van exotische luxe, zonder toelichting: haar publiek wist wat wierook was en daaruit kunnen we afleiden dat de geurstof in Griekenland niet zeldzaam meer was. Dat blijkt ook uit het feit dat vanaf de achtste eeuw steeds meer wierookbranders en -altaren in gebruik kwamen.

Lees verder “De wierookroute (1)”

Christenvervolging? (2)

Decius (Nationaal Historisch Museum, Boekarest)

[Dit is het tweede deel van een beschouwing over Candida Moss’ boek The Myth of Persecution. Het eerste is hier.]

Het beste deel van The Myth of Persecution gaat over de grote rijksvervolgingen: die van de keizers Decius (rond 250), Valerianus (tussen 257 en 260) en Diocletianus en zijn medeheersers (tussen 303 en 311). Terecht wijst Moss erop dat de eerste keizer niet de christenen vervolgde maar van al zijn onderdanen een eed van trouw eiste die, zoals te doen gebruikelijk, moest worden afgelegd ten overstaan van de goden. Dat kon voor consciëntieuze christenen slecht uitpakken en er zijn zeker doden gevallen, maar er waren omwegen, die Moss ook vermeldt. (Meer)

Een punt dat ze hierbij laat liggen is dat lang niet alle mensen die Christus vereerden, hem exclusief in ere hielden. Nog tot ver in de vierde eeuw waren er mensen die Christus vereerden met andere goddelijke machten. Weliswaar was iemand die niet exclusief was in zijn geloofsopvattingen volgens de bisschoppen geen echte christen, maar de gemiddelde Romein zal daarover de schouders hebben opgehaald en zijn eigen selectie uit het religieuze aanbod hebben gemaakt. Wat wist zo’n bisschop nou van het echte leven? Voor een goede oogst offerde je aan Ceres, dat was eeuwenlang goed gegaan, daar moest die bisschop met zijn boeken niks van zeggen.

Lees verder “Christenvervolging? (2)”