Donderdag 20 juli 1944, 17:42 (Berlijn, Parijs)

Telexbericht van de samenzweerders

Het radiostation werkt. Alleen is het niet de toespraak van de nieuwe president van Duitsland, Ludwig Beck, die wordt uitgezonden. Heel Duitsland verneemt dat Hitler nog in leven is. In Parijs besluit maarschalk Von Kluge dat hij geen steun zal verlenen aan de opstandelingen en verleent samenzweerder Von Stülpnagel ter plekke ontslag. Hij moet maar onderduiken, adviseert Von Kluge. Von Hofacker is minder gelukkig: hij wordt gearresteerd en belandt in de gevangenis van de Gestapo.

Vanuit het Bendlerblock worden nu telexberichten verzonden dat het radiobericht niet in orde is. De samenzweerders gebruiken ook de telefoon om de commandanten op strategische posities te bereiken. Met enig succes.

[Terug naar het eerste deel; deze reeks wordt om 18:00 vervolgd.]

Donderdag 20 juli 1944, 17:30 (Parijs, Praag)

Carl-Heinrich von Stülpnagel

Terwijl de zaken in Berlijn onduidelijk zijn, lopen de zaken in Parijs voor de samenzweerders voorspoedig. De SS-ers en Gestapo-leiders zijn in verzekerde bewaring gesteld, de bewapende SS-afdelingen, zoals de troepen bij Caen, hebben begrepen dat ze onder Wehrmachtbevel zullen komen. De situatie in Praag is niet heel anders, ook al heeft men daar gemengde berichten ontvangen en weet men niet goed of Hitler dood is of niet. De leiders van de SS zijn ook daar echter buitenspel gezet. Generaal Schaal ziet er wel op toe dat het zijn gevangenen niet ontbreekt aan sigaren en cognac.

Terug naar Parijs, waar maarschalk Von Kluge door de twee samenzweerders Von Stülpnagel en Von Hofacker onder druk wordt gezet. Het staatsgezag is in handen gekomen van generaal Beck, vertellen ze; begreep Von Kluge niet dat de moordaanslag een morele verplichting was? Hij moest zijn steun aan de regering-Beck uitspreken.

Von Kluge aarzelt.

[Terug naar het eerste deel; deze reeks wordt over twaalf minuten vervolgd.]

Donderdag 20 juli 1944, 14:15 (Parijs)

Caesar von Hofacker

Ook al draait alles om de moord op Hitler in de Wolfsschanze en om het overnemen van de machtsposities in Berlijn, de samenzweerders hebben tevens belangstelling voor Parijs, waar Caesar von Hofacker, een neef van de gebroeders Von Stauffenberg, en zijn superieur Carl-Heinrich von Stülpnagel de voornaamste complotteurs zijn. Het belang van Frankrijk is gelegen in de hoop van de samenzweerders een aparte vrede te sluiten met de westelijke geallieerden.

Een ijdele hoop, zo weten wij, want de geallieerden hebben afgesproken tot in Berlijn door te vechten, maar de Duitsers hebben in de voorafgaande weken weten te verhinderen dat de geallieerden uit Normandië zouden wegbreken; er wordt nog volop gevochten bij Caen. Wellicht brengt de efficiënte Duitse verdediging de westelijke geallieerden tot andere gedachten. Maarschalk Erwin Rommel heeft toegezegd de onderhandelingen te voeren, maar op 17 juli is deze bij een luchtaanval gewond geraakt en nu komt alles aan op zijn plaatsvervanger, maarschalk Günther von Kluge.

Lees verder “Donderdag 20 juli 1944, 14:15 (Parijs)”

Een Hallstatt-wagen uit de Elzas

Reconstructie van een wagen uit de Hallstatttijd (Palais Rohan, Straatsburg)

Ik heb al eerder geschreven over de Indo-Europese migraties, waarvoor inmiddels zeer sterke DNA-aanwijzingen zijn. Een oudere aanwijzing is de verspreiding van de grafheuvels die in jargon worden aangeduid als kurgan. Zo’n heuvel is in feite het zand dat overblijft als je in een put een houten grafkamer hebt gebouwd en de boel weer dichtgooit. In die grafkamer lagen, behalve de gebruikelijke grafgiften en de resten van de overledene, ook diens paarden en wagen. Deze begraafwijze verspreidde zich met de Indo-Europees-sprekenden naar het westen en bleef eeuwen bestaan; terwijl de oudste voorbeelden dateren uit het derde millennium v.Chr. (in de Kaukasus; recent ontdekt voorbeeld), is een zeer jong voorbeeld het graf van Karanovo in Bulgarije, dat stamt uit de Romeinse tijd.

De karren die met de doden werden meegegeven hadden meestal dichte wielen. Het waren dus vervoermiddelen en geen strijdwagens, die bespaakte wielen hadden. Niet dat er geen graven zijn met strijdwagens; in Nederland bezit het Allard Pierson-museum een reconstructie uit Cyprus, getrokken door vier paarden en voorzien van twee spaakwielen. Duidelijk gebouwd op snelheid, al is maar de vraag of zulke wagens werkelijk in de strijd zijn benut. Homeros beschrijft ze als een soort taxi’s die de zwaarbepantserde krijgers naar het front rijden.

Lees verder “Een Hallstatt-wagen uit de Elzas”

De Tweede Punische Oorlog (3)

Col du Montgenèvre

[Dit is het derde stukje in een reeks over de Tweede Punische Oorlog (218-201 v.Chr.). In het eerste deel beschreef ik hoe de Romeinen en Karthagers opnieuw in conflict raakten, dat Hannibal met het Spaanse leger Catalonië bezette en op weg was gegaan naar Italië. In het tweede stukje legde ik uit dat onze voornaamste bronnen, Polybios en Livius, elkaar tegenspraken voor Hannibals tocht over en langs de Rhône tot de hoofdstad van de Allobrogen.]

Nu begon Hannibals beroemde tocht over de Alpen. Met hulp van de Allobrogen rukte het Karthaagse leger langs de linkeroever van een onbekende rivier en na een dag stuitte op een geblokkeerde pas. Dankzij zijn Gallische bondgenoten, die de taal spraken van de bewoners van die streek en de bezetters uithoorden, vernam Hannibal dat het punt in de nacht niet werd bewaakt, wat de verovering eenvoudig maakte. Vervolgens nam Hannibal een versterking in die wordt aangeduid als “de hoofdplaats van die streek”, waardoor de Karthagers voldoende voedselvoorraden verwierven om de volgende drie dagen een grote afstand af te kunnen leggen.

Op de vierde dag bereikten ze een landstreek die wat dichter bevolkt was. Hier sloeg een onverwachte aanval van de Alpenbewoners het Karthaagse leger uiteen, maar de volgende dag herenigden de troepen zich en weer een dag later, de negende sinds het begin van de beklimming, bereikte het leger de pas over de Alpen. Livius vermeldt dat de voorhoede in deze laatste fase nog bijna verdwaalde, een detail dat niet wordt vermeld door Polybios.

Lees verder “De Tweede Punische Oorlog (3)”

De Tweede Punische Oorlog (2)

Beeldje van een krijgsolifant uit Pompeii (Museo Archeologico Nazionale, Napels)

[Dit is het tweede stukje in een reeks over de Tweede Punische Oorlog (218-201 v.Chr.). In het eerste deel beschreef ik hoe de Romeinen en Karthagers in conflict raakten, dat Hannibal met het Spaanse leger Catalonië bezette en op weg was gegaan naar Italië.]

Hannibal was opgeleid door een Spartaan die hem had verteld over Alexander, maar de Karthager was geen slaafse imitator. Zijn leger kende geen met lange lansen uitgeruste falanxbataljons en leek in menig opzicht meer op de legioenen van Rome. Naast goed getrainde infanterie bezat Hannibal een superieure ruiterij en zevenentwintig Noord-Afrikaanse bosolifanten. Weliswaar waren deze kleiner dan Indische olifanten, maar ze vormden een geducht wapen om cavalerie en onervaren legionairs in paniek te brengen. Met dit leger stak Hannibal medio augustus 218 de Rhône over. Korte tijd later zagen de soldaten de westelijke uitlopers van de Alpen, maar het oorspronkelijke plan, oprukken langs de Durance naar de Col du Montgenèvre, werd onuitvoerbaar toen een Romeins leger verscheen dat op weg was naar Spanje. Hannibal besloot daarop naar het noorden te marcheren en pas verderop naar het oosten af te buigen, de bergen in.

Lees verder “De Tweede Punische Oorlog (2)”

De Marseillaise

Isidore Pils – Kapitein Rouget de Lisle zingt de Marseillaise (1849)

Het schilderij hierboven, in 1849 vervaardigd door Isidore Pils en te zien in Straatsburg, is niet het allermooiste en de afgebeelde gebeurtenis is ook niet wereldberoemd: u ziet hoe genie-kapitein Claude Joseph Rouget de Lisle op 26 april 1792 ten overstaan van de burgemeester van Straatsburg een lied ten gehore bracht dat hij in de voorafgaande nacht had geschreven. Het heette Chant de guerre pour l’Armee du Rhin.

Het Franse Rijnleger kon in die lente wel wat inspiratie gebruiken. Drie jaar daarvoor had koning Lodewijk XVI, geconfronteerd met diverse grote problemen, de Staten-Generaal samengeroepen en de vertegenwoordigers van de burgerij hadden vervolgens gezworen het land een grondwet te zullen geven. Toen die er eenmaal was, volgde radicalisering en de ambitie de verworvenheden van de Franse Revolutie te exporteren, waarop de Europese grootmachten tot oorlog besloten. Op 20 april 1792 verklaarde Lodewijk XVI, die meende dat oorlog goed was om het verdeelde Frankrijk onder zijn gezag te herenigen, de oorlog aan Oostenrijk. Het lag in de rede dat Straatsburg het eerste Oostenrijkse aanvalsdoel zou zijn en dus gaf de burgemeester van Straatsburg kapitein Rouget de Lisle opdracht een strijdlied te schrijven.

Lees verder “De Marseillaise”