De vooringenomen waarneming

Gaston Maspero

Drie weken geleden is in Krommenie het onderzoek hernomen naar een al sinds de jaren zestig bekende vindplaats, waar mogelijk een Romeinse wachttoren heeft gestaan. Mocht dat zo blijken te zijn, zo lezen we, dan moeten de geschiedenisboeken worden aangepast, want dit zou ten noorden van de Romeinse rijksgrens zijn geweest. Twee politieke partijen en Zaanstad hebben zich al voorgenomen de stadswijk in kwestie een Romeins tintje te geven. Of dat gebeurt, is aan de politici, maar het herschrijven van de geschiedenisboeken is aan wetenschappers en ik kan u alvast verklappen dat die toch wel wat meer nodig zullen hebben dan een wachttoren voordat ze hun beeld van Romeins Noord-Holland bijstellen. De wachttoren die in 2014 bij Almere is ontdekt, heeft hen ook niet doen besluiten de geschiedenisboeken aan te passen. Het zijn overdreven claims als die in Krommenie die maken dat veel wat hoger opgeleide mensen de archeologie niet langer helemaal serieus kunnen nemen.

Potje van Lent

En dat is jammer, want soms is er wel degelijk nieuws. Echt nieuws. Een vondst die wel kan leiden tot het het herschrijven van een pagina in de geschiedenisboeken, is het kleine potje dat in Lent is gevonden in een afvalkuil uit de IJzertijd en dat afgelopen donderdag plotseling in het nieuws was. Het opmerkelijke aan het zesentwintig eeuwen oude “potje van Lent” is dat er tekens in staan gegrift. Misschien, zo meent archeoloog Peter van den Broeke, zijn de tekens “aangebracht door iemand die interessant wilde doen en deed of hij kon schrijven, iemand die in zuidelijke streken was geweest of er vandaan kwam, het schrift in zijn hoofd had en het probeerde na te bootsen”. Dat betekent dus dat het allereerste begin van de schriftcultuur – laten we zeggen de fase die we kennen van kleuters die letters natekenen – een eeuw of zes eerder moet worden geplaatst dan we dachten. Tijd voor nieuwe geschiedenisboeken dus.

Lees verder “De vooringenomen waarneming”

Archeologisch nieuws (ja, echt!)

De zuidelijke stallen van Megiddo zijn een voorbeeld van een bouwwerk dat eerst ten tijde van Salomo werd gedateerd, maar jonger leek te zijn. Of misschien is het toch weer anders.

Zoals de trouwe lezers van deze blog weten, ben ik momenteel in Leeuwarden duizenden digitale foto’s online aan het plaatsen die mijn zakenpartner, enkele vrienden en ik de afgelopen vijftien jaar hebben gemaakt. Het is allemaal nog even wennen, maar mijn geadopteerde woonplaats is prettig ontspannen en ik werk hier met plezier. Als ik straks wat sneller kan werken en als ik wat geluk heb, dan is over drie maanden zo niet de hele dan toch een fors deel van de verzameling online beschikbaar voor iedereen die er gebruik van wil maken, bijvoorbeeld via de websites van Tresoar, Vici, het Rijksmuseum van Oudheden of Livius. (Hoewel ik daarnaar link, is er nu nog niets te zien van de fotocollectie.)

Omdat ik én met deze lekkere klus bezig ben én nog wat aan het Friese leven moet wennen – waar is in Leeuwarden om tien uur ’s avonds een supermarkt open? – is er weinig tijd om het nieuws te volgen, maar gelukkig attendeerde Kees Huyser van het NIKHEF, die ook de landkaarten maakte voor Het visioen van Constantijn, me op een artikel dat me anders misschien was ontgaan: “Fluctuating radiocarbon offsets observed in the southern Levant and implications for archaeological chronology debates”. Dit lijkt belangrijk nieuws over de archeologie van het Nabije Oosten.

Lees verder “Archeologisch nieuws (ja, echt!)”

Byblos in de IJzertijd (en daarna)

Fenicische toren in Byblos

De steden van Fenicië, waaronder Byblos, hadden te maken met een geduchte vijand: het Assyrië waarover ik vorig jaar al zoveel heb geschreven (overzicht). De Assyrische koningen eisten tribuut van de havensteden, die weinig anders konden doen dan hun handelsnetwerken benutten om het gevraagde te bemachtigen. Zo rond 800 strekte dit netwerk zich uit tot Karthago in Tunesië en verder, tot aan de Atlantische Oceaan.

Assyriërs en Babyloniërs

Zoals ik in mijn vorige stukje aangaf werd Byblos langs deze handelsroutes overvleugeld door andere steden, vooral Tyrus, maar de Byblische kooplieden wisten nieuwe markten aan te boren, zoals Griekenland, dat via Byblos papyrus importeerde uit Egypte. Ik heb vaak horen vertellen dat het Griekse woord voor boek, biblion, is afgeleid van “Byblos”, maar ik weet niet of dat waar is. Uit deze periode, die in Libanon niet heel goed is gedocumenteerd, is in Byblos nog een toren te zien. Ik kom later deze week nog even terug op een vondst uit deze tijd.

Lees verder “Byblos in de IJzertijd (en daarna)”

Wen-Amun (3)

Pijlpunt met de naam van Zakar-Baäl, gevonden in Amurru ten noorden van Byblos maar niet per se gemaakt voor “onze” Zakar-Baäl (Nationaal Museum, Beiroet)

In het eerste en tweede deel van dit stuk vertelde ik hoe de Thebaan Wen-Amun was uitgezonden om in Byblos hout te kopen. In Dor, de havenstad van het volk van de Tjeker, was Wen-Amun echter beroofd van zijn goud en zilver. Omdat de stadsvorst compensatie weigerde, had Wen-Amun het zilver geconfisqueerd van een Tjeker-schip. Daarmee bereikte hij Byblos, waar koning Zakar-Baäl hem uitlegde dat hij het hout niet zomaar kon komen opeisen: Byblos was onafhankelijk en farao Nesbanebdjed diende de volle prijs te betalen.

***

Hoewel de verhoudingen duidelijk waren bekoeld, vonden Wen-Amun en koning Zakar-Baäl toch een compromis. Er werd alvast wat hout naar Egypte gestuurd en een bediende voer mee om een brief van Wen-Amun over te brengen, waarin deze vroeg om extra zilver. In Egypte lijkt men te hebben gedacht dat als men snel zou antwoorden, het minder erg zou zijn als men probeerde het hout alsnog op een koopje te krijgen, want Nesbanebdjed stuurde nog in de winter

vier kruiken en één vaas van goud, vijf kruiken zilver, tien kledingstukken van koningslinnen, tien kledingstukken van fijn linnen, 500 zachte linnen matten, 500 ossenhuiden, 500 touwen, twintig zakken linzen en dertig manden vis.

Lees verder “Wen-Amun (3)”

Wen-Amun (2)

Een ivoortje uit een van Byblos’ koningsgraven (overgang Bronstijd/IJzertijd, Nationaal Museum Beiroet)

In het eerste deel van dit stuk vertelde ik hoe de Thebaan Wen-Amun door de hogepriester van Amun, Herihor, was uitgezonden om in Byblos het felbegeerde cederhout te kopen. Farao Nesbanebdjed verleende steun maar in Dor, de havenstad van het volk van de Tjeker, werd Wen-Amun beroofd van zijn goud en zilver. Omdat de stadsvorst compensatie weigerde, confisqueerde Wen-Amun het zilver van een Tjeker-schip. Daarmee bereikte hij Byblos, waar hij zijn paviljoen opsloeg bij de haven en het edelmetaal samen met een beeldje van Amun een veilige plek gaf.

***

Wen-Amun was niet welkom. De tijd waarin de koning van Byblos blij zou zijn geweest hout te mogen leveren voor een bark voor Amun in het verre Thebe, was al ruim een halve eeuw voorbij en de plaatselijke koning, Zakar-Baäl, liet de diplomaat weten dat hij diende te vertrekken. Wen-Amun antwoordde dat hij geen schip had om naar Egypte terug te keren. Dat herhaalde zich iedere dag, een maand lang: elke morgen kwam een koninklijke bediende de heuvel aflopen om de Egyptenaar te zeggen dat hij moest vertrekken en elke morgen klom hij van het strand terug naar het paleis om de koning te vertellen dat Wen-Amun niet vertrekken kon. Toen gebeurde er iets wonderlijks.

Lees verder “Wen-Amun (2)”

Wen-Amun (1)

“Tjeker arresteren gezochte zilverrover Wen A.”

De bovenstaande foto, een screenshot van de website van een Libanese krant, deed me onbedaarlijk lachen. Dat is omdat ik er een totaal idiote associatie bij heb: de avonturen van Wen-Amun.

Wen-Amun leefde in de eerste helft van de elfde eeuw v.Chr., laten we zeggen rond 1070. Er is wat discussie over de precieze datering van zijn onfortuinlijke reis naar Byblos. Egypte was in elk geval in die tijd de supermacht niet meer die het ooit was geweest: tijdens of kort na de regering van Ramses VI (r.1142-1134) was het zijn bezittingen in Kanaän kwijtgeraakt. Intern was Egypte verdeeld: de ene farao Ramses volgde op de andere farao Ramses totdat, na de dood van Ramses XI in 1077 v.Chr., de eenheid helemaal verdween. In het noorden regeerde farao Nesbanebdjed, de eerste vorst van de Eenentwintigste Dynastie, en in het zuiden was de macht in handen van Herihor, de hogepriester in Thebe. En daar was, zo rond 1070, het schip waarmee het cultusbeeld van de god Amun werd vervoerd, toe aan vervanging. En daarmee begint het droevige maar ware en eigenlijk ook grappige verhaal van Wen-Amun.

Lees verder “Wen-Amun (1)”

Nederlandse Kelten

IJzertijdarmbanden uit Rossum (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)
IJzertijdarmbanden uit Rossum, die je aan de Kelten mag toeschrijven (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

Een simpele lezersvraag: waren er Kelten in Nederland? Helaas is het antwoord niet zo gemakkelijk omdat “Kelt” zo’n beetje alles kan betekenen. Er is namelijk nogal wat verschil tussen – om eens wat te noemen – degenen die zichzelf beschouwden als Kelten, degenen die in de klassieke bronnen worden aangeduid als Kelten, de taalfamilie die door moderne onderzoekers Keltisch wordt genoemd, datgene wat archeologen beschrijven als Keltisch en tot slot de religieuze en de kunsthistorische definities.

Wellicht had het woord oorspronkelijk slechts betrekking op de mensen onmiddellijk ten noorden van de Griekse kolonie Marseille, waar een stam lijkt te hebben gewoond die Keltisch heette. Dit zou dan de enige groep zijn geweest die zichzelf als Keltisch heeft geïdentificeerd, want de diverse stammen in West-Europa hebben zich nooit beschouwd als onderdeel van één groot volk. Dat is een Grieks idee.

Lees verder “Nederlandse Kelten”

Kwakgeschiedenis: chronologisch gegoochel

Protogeometrisch aardewerk uit Euboia

Recentelijk verscheen dit online artikel, getiteld ‘Towards an absolute chronology for the Aegean Iron Age: new radiocarbon dates from Lefkandi, Kalapodi and Corinth’, geschreven door maar liefst acht personen, namelijk: Michael B. Toffolo, Alexander Fantalkin, Irene S. Lemos, Rainer C.S. Felsch, Wolf-Dietrich Niemeier, Guy D.R. Sanders, Israel Finkelstein en Elisabetta Boaretto.

De titel van het artikel suggereert dat we hier met iets nieuws te maken hebben: er zijn C14-dateringen gegeven aan monsters uit drie sites in Griekenland, die ons in staat zullen stellen om een absolute chronologie te bepalen voor de Egeïsche IJzertijd. Het is echter niet nieuw: er wordt al jaren gesold met de absolute chronologie van het Egeïsche gebied in de periode vóór ca. 700 v.Chr. De titel suggereert dat we nu waarden hebben die niet te betwisten zijn, maar ook dat is onzin. Er verschijnen namelijk zeer regelmatig artikelen over C14-dateringen voor het Egeïsche gebied, die doorgaans nogal uiteenlopende resultaten geven.

Lees verder “Kwakgeschiedenis: chronologisch gegoochel”

Goed nieuws uit Megiddo

Megiddo

Bingo! Ik blogde enkele dagen geleden enkele keren over de archeologie van Israël en wees op het enorme belang van de opgravingen die momenteel plaatsvinden in Megiddo. Daar kon, zo merkte ik op, namelijk het organische materiaal worden gevonden dat nodig is om vast te stellen waar de grens ligt tussen IJzer I en IJzer IIa.

Er zijn nogal wat antieke ruïnes in Israël die, aan de hand van aardewerk, worden gedateerd in het IJzer IIa. De “hoge datering” zou betekenen dat ze door koning Salomo kunnen zijn gebouwd en wil zeggen dat de auteur van 1 Koningen redelijk betrouwbare informatie had, een “lage datering” zou betekenen dat ze jonger zijn en houdt in dat het bijbelse verhaal achteraf is geconstrueerd. Het heeft er momenteel de schijn van dat we langzaam het maximalistische idee “het verhaal uit de Bijbel is betrouwbaar tenzij er archeologisch bewijs is voor het tegendeel” moeten inruilen voor het minimalisme: “het bijbelse verhaal kan niet als historisch betrouwbaar worden gelezen, tenzij het archeologisch wordt bevestigd”.

Lees verder “Goed nieuws uit Megiddo”