Kimmerische of Skythische pijlpunten (Nationaal Museum van Armenië, Yerevan)
De Kimmeriërs, die zijn interessant! En dat is natuurlijk omdat het bewijsmateriaal enerzijds gevarieerd is, zodat allerlei specialisten erbij komen kijken, maar anderzijds tekortschiet, zodat er geen consensus kan ontstaan. Kortom: een fijne puzzel.
Dode Kimmeriërs
Eerste bewijsmateriaal: Griekse poëzie. In de Odysseevertelt Homeros dat Odysseus, ergens in het verre verre westen, de rand bereikt van de Okeanos, waar de stad en het land van de Kimmeriërs zich bevinden. De zon schijnt er niet, de gebieden zijn eeuwig gehuld in mist en nevel, en “steeds hangt de heilloze nacht om de diep ongelukkige mensen”.noot Homeros, Odyssee 11.14ff. Als dit u doet denken aan het dodenrijk, dan zit u goed, want niet veel later brengt Odysseus inderdaad een bezoek aan die naargeestige plek.
De Lydiërs waren een IJzertijdvolk is het westen van wat tegenwoordig Turkije heet. Ik noem ze op deze blog regelmatig, maar heb nooit uitgelegd wie het nu eigenlijk waren. Dat moet maar eens veranderen.
Mira
Het land van de Lydiërs ligt aan weerszijden van de rivier de Hermos, waar ze hun hoofdstad Sardes bouwden op de plaats waar een ander riviertje zich met de Hermos verenigt: de Paktolos, die goudpoeder met zich meevoert. Met vruchtbaar land, water en goud was het succes van Sardes feitelijk al verzekerd. Al in de Bronstijd had hier een machtig koninkrijk gelegen, Mira, dat als hoofdstad Abasa had gehad, ofwel Efese.
Hoewel Mira aan het begin van de twaalfde eeuw v.Chr. – daar zijn de Zeevolken weer – verdwijnt uit de geschreven geschiedenis, is er aanzienlijke continuïteit tussen Mira en Lydië. De Lydische taal, die we kennen uit ongeveer honderd inscripties, is afgeleid van het Luwisch, dat in Mira de schrijftaal was geweest.
Frygisch reliëfje (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)
Ik heb al een paar keer verwezen naar de Frygiërs, een volk dat in de IJzertijd woonde in Anatolië – zeg maar Turkije. Toen ik blogde over de taal van de Trojanen, wees ik er bijvoorbeeld op dat de Frygiërs vanaf de Balkan naar Anatolië waren gemigreerd en toen de voorouders van de Lydiërs naar het zuiden hadden geduwd. Voor deze migratie zijn verschillende aanwijzingen, zoals de verspreiding van typisch Balkan-aardewerk naar Troje VIIb. De Troje-expositie in Rotterdam stelde dit verband centraal, maar dat was in 1984. Ik weet niet of de archeologische inzichten nog dezelfde zijn.
Maar daarnaast is er het talige bewijs. De Frygische taal is te reconstrueren uit namen, citaten en pakweg 400 inscripties: ruim voldoende om te zien dat ze niet verwant is met de Anatolische talen van de Bronstijd, zoals het Luwisch, en de daarvan afgeleide IJzertijdtalen, zoals het Lydisch en het Karisch. Het Frygisch lijkt veel meer op de talen van het zuidelijke Balkanschiereiland en behoort dus tot een andere tak van de Indo-Europese familie. Ook de Griekse onderzoeker Herodotos weet dat de Frygiërs feitelijk Thracische Brygiërs waren, die ooit de Hellespont waren overgestoken.noot Herodotos, Historiën 7.3. De overgang van /b/ naar /f/ die we in deze twee eigennamen zien, is ook verder goed gedocumenteerd.
De noodzaak van spellingsregels is verzonnen door mensen die dachten dat u en ik niets beters te doen hebben. Desondanks hanteer ik toch wel een paar principes. Regel één: gij zult niet invisibiliseren. We proberen immers een beetje inclusief te zijn. Ik probeer dus, al is het maar bij benadering, een naam weer te geven in een spelling die de taal van de betrokkene benadert. Homeros was een Griek en heette geen Homerus. Niet dat het altijd lukt een naam zelfs maar bij benadering correct weer te geven. Het wordt wat gek Julius Civilis aan te duiden als *Kivilaz. En een Latijnse naam geef ik aan in het Latijn. Appianus zal zijn naam zelf wel hebben geschreven als Appianos, maar ik houd het desondanks maar op Appianus.
Regel twee: sommige namen zijn te ingeburgerd. Zolang we niet al te veel invisibiliseren, moeten we die maar handhaven. Jezus, Plato, Hannibal, en Alexander Grote dus maar. De namen van de Romeinse provincies moeten ook maar zo blijven. Ik weet het: je zou Epeiros moeten schrijven, maar laten we het toch maar houden op Epirus. En ook liever Cilicië dan Kilikia. Waarmee ik eindelijk ter zake ben.
Tijdens keizer Septimius Severus, wiens ereboog u hier ziet, bereikte het Romeinse Rijk zijn grootste omvang
Een tijdje geleden stelde ik een Europese historische canon voor van tweeënveertig vensters en nodigde ik u uit toevoegingen te doen en verbeteringen te suggereren. Tussen vandaag en de Europese verkiezingen van 6 juni zal ik in elf blogjes de uitkomst aan u presenteren: steeds vijf vensters en daarnaast een stukje waarin ik de keuzes verantwoord. Bedenk wel: een canon een didactisch hulpmiddel, geen in steen gehouwen waarheid. Een canon heeft meer te doen met wetenschapscommunicatie dan met wetenschap. Wie liever een canon van de geschiedwetenschap leest, vindt die hier.
Ter zake nu.
Het Romeinse Rijk
Periode: Tot de zesde eeuw / tot 1453
In het krachtige en welvarende Romeinse Rijk, dat rond 202 na Chr. zijn grootste omvang bereikte, woonde ongeveer een derde van de wereldbevolking. Hoe vitaal de toenmalige cultuur was blijkt wel uit het feit dat het imperium bleef bestaan tot 1453 (later meer) terwijl de voornaamste Romeinse talen – het Grieks, het Latijn en het Aramees – nog springlevend zijn.
Erebuni, een van de hoofdsteden van Urartu (Yerevan)
Onlangs noemde ik Urartu, een ooit machtig koninkrijk in de regio van het huidige Armenië, Noordwest-Iran en Oost-Turkije. De eerste hoofdstad was de rotsvesting Tušpa, het huidige Van, en het land is voor te stellen als een grote rechthoek rond het Van-meer. Het Urmia-meer in Iran vormde de zuidoostelijke punt, het Sevan-meer in Armenië was de noordoostelijke punt en in het westen vormde de Boven-Eufraat de grens met de Frygische invloedssfeer. De Urarteeërs zelf noemden hun land Biainele; de naam Urartu komt uit het Assyrisch. In de Bijbel heet het koninkrijk Ararat, welbekend van de constatering dat de Ark van Noach aanmeerde op een van de plaatselijke bergen.
Urartu en Assyrië
De Urarteeërs waren beroemde metaalbewerkers, spraken een taal die verwant was aan het verder slecht bekende Hurritisch en schreven met een vereenvoudigd Assyrisch spijkerschrift. Daardoor zijn de meeste inscripties te lezen en te begrijpen: ze verwijzen vrijwel allemaal naar koninklijke bouwactiviteiten. Voor de reconstructie van de Urartese geschiedenis hebben we er daardoor betrekkelijk weinig aan.
Een Skythische boogschutter op een Griekse vaasschildering (Louvre, Parijs)
Het is pas op blz.311 in zijn vorig jaar verschenen boek The Scythians. Nomad Warriors of the Steppe dat de door mij bewonderde Britse oudheidkundige Barry Cunliffe het punt maakt waar ik op zat te wachten. Het is wat lyrisch geformuleerd maar belangrijk:
The wide expanse of steppe flowing through Eurasia, with its grey-green horizons receding in the distance and its shimmer as the wind rustles the grass, challenges everyone to be on the move. Like the sea, it is a world where nothing can stay still and, like the sea, it sweeps everything onward. For millennia people have progressed through the steppe, sometimes in repeating patterns of transhumance and sometimes with astonishing speed, crossing huge distances to seek out new pastures. The Scythians occupy only one small part of the grand narrative.
Skythen en andere nomaden
De golven van de zee zijn de perfecte metafoor. Ze bewegen op en neer, vormen samen een enorme stroming en verplaatsen grote watermassa’s over enorme afstanden. Steppenomaden bewegen met de jaargetijden van zomer- naar winterweiden, clusteren samen onder leiding van deze of gene charismatische leider – een Attila de Hun, een Djengis Khan, een Timoer Lenk – en vormen een volk, verplaatsen zich van het oosten naar het westen, vallen weer uiteen en herclusteren dan weer als er een nieuwe leider opstaat. Het geldt ook voor de Indo-Europeanen, voor de Kimmeriërs, voor de Skythen, voor de Sarmaten, voor de Kushana’s, voor de Alanen, voor de Hunnen, voor de Avaren, voor de Turken, voor de Bulgaren, voor de Khazaren, voor de Magyaren, voor de Tataren, Mongolen, Kozakken, Oezbeken. Seizoensmigratie van veetelers, krijgers te paard, steeds weer trekkend van de droge steppe van Manchurije naar het wat vochtiger Oekraïne, Roemenië en Hongarije. De Skythen vormden maar één hoofdstuk in het grote verhaal, één golf in een zee van migrerende steppenomaden.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.