De splitsing van de Sava (van links naar rechts) en de Donau incl. ‘veliko ratno ostrovo’ (rechts) met aan de overkant Novi Beograd, kijkend richting Surčin en gezien vanaf het fort Kalemegdan.
[Laatste deel van een gastblog van Tim Frangias over Belgrado. Het eerste deel vond u hier en het tweede daar.]
De Donau als paradijselijke rivier: Belgrado en Konstantinopel
Volgens andere legendes is de Donau (zoals de Tigris, Eufraat en Indus) één van de vier rivieren die ontspringen in het paradijs, zodat Belgrado met zijn wallen op een oude plek ligt, omspoeld door een van de hemelse rivieren. Aleksandar Diglič schrijft in Belgrade, The Eternal City het volgende:
Een persoon die bezeten is van fantasie, en er zijn genoeg van zulke types in Belgrado, vertelde mij dat een walnoot die vanuit Belgrado in de Donau wordt gegooid, er negen dagen over zou doen om naar Konstantinopel te drijven. Of dit nu waar is of niet, de waarheid is dat deze twee steden een sentimentele, eeuwenoude relatie hebben die nooit zal worden beëindigd.
De oudste opgetekende beschrijving van wat nu de stad Београд, Beograd (Belgrado) is, vinden we bij de Griekse dichter Apollonios Rhodios, van wiens hand wij de Argonautika (in vier boeken) over hebben, een heldenepos dat deze dichter tussen 270 en 245 v.Chr. schreef. In deze bijdrage wijs ik de betreffende passage aan als onderdeel van een bespiegeling over Belgrado, een stad die mij om inmiddels haast ontelbare redenen zeer dierbaar is. De Argonautika gaat over het verhaal van Iason en de Argonauten (een groep van vijftig mythische zeelieden, waaronder Herakles en Orfeus) die op een missie waren naar Kolchis om het Gulden Vlies te bemachtigen, én over de liefde tussen Iason en Medea. Het Gulden Vlies was de gouden vacht van de god Xrysomallos, de ram die de kinderen van koning Athamas, Prixos en Hellen, wegvoerde om hen te redden uit handen van Athamas en zijn vrouw Ino. Het Gulden Vlies zou magische krachten (zoals genezing en de mogelijkheid tot eeuwige verjonging) herbergen…
De missie van de helden van de Argo
Na vele avonturen landde Iason in Kolchis en vroeg Iason aan Aeëtes toestemming het Gulden Vlies te mogen meenemen. Aeëtes weigerde dit niet met zoveel woorden, maar eiste dat Iason eerst een stuk land zou beploegen met behulp van twee bronzen stieren die hij van niemand minder dan de vuurgod Hephaistos gekregen had. Deze dieren hadden nog nooit een juk kunnen dragen, want briezend ademden zij vuur uit. Na het ploegen moest Iason draketanden zaaien die nog stamden van de oude draak van Thebe (Kadmos). Met de reuzen die uit dit zaaisel zouden ontstaan, moest Iason tenslotte een strijd op leven en dood leveren.
In zijn eentje zou hij deze taken nooit volbracht hebben. Maar omdat Afrodite (de godin van de liefde en schoonheid) Medea, de prinses van Kolchis, reddeloos verliefd had gemaakt op Iason, had deze verliefde (en zoals later blijkt ook wraakzuchtige) tovenares zich bij de Argonauten aangesloten en hielp hen het Gulden Vlies te bemachtigen en te ontsnappen. Medea had Iason laten beloven haar te trouwen en naar Griekenland mee te nemen als zij hem zou helpen het vlies te bemachtigen, en gaf hem een toverbalsem die hem onkwetsbaar zou maken voor het brons en het vuur van de stieren. Tevens gaf zij hem de raad de reuzen tegen elkaar op te hitsen door een steen in hun midden te werpen. In de daardoor ontstane verwarring zou hij hen kunnen doden.
Iason volgde de raad op, smeerde zich in en volbracht de hem opgelegde taken. Aeëtes wilde het vlies echter niet geven en smeedde het plan om de Argo in brand te steken. Om dit te verijdelen bewoog Medea de helden in de nacht te vluchten, nadat zij en Iason zich van het vlies meester hadden kunnen maken doordat Medea met haar tovermiddelen de draak die het vlies bewaakte in slaap had doen vallen. Medea’s vader Aeëtes, de koning van Kolchis (thans: de Krim), was woedend over Medea’s verraad en had de achtervolging ingezet nadat Medea aan boord van de Argo was gegaan, terwijl ze haar broertje Apsyrthos mee had genomen. Terwijl Medea’s vader de Argo op de hielen zat doodde Medea Apsyrthos en wierp – om haar vader te vertragen – zijn ledematen bij tussenpozen in het water. Aeëtes verloor kostbare tijd door de ledematen bijeen te garen, waardoor hij de Argo niet meer kon inhalen. In verschillende richtingen zond hij nu gewapende mannen uit met de opdracht zijn dochter Medea levend naar Kolchis terug te brengen.
De Argonauten richting de Balkan
Zelf begaf de koning zich naar Tomi (thans het Roemeense Constantza aan de Zwarte Zee (let in de context van het verhaal op het Griekse woord τόμοι = stukken), waar hij de resten van Apsyrtos begroef. Een andere lezing van de dood van Apsyrtos is dat hij, door zijn vader ter achtervolging van de Argo uitgestuurd, door Iason in de tempel van Artemis bij de monding van de Istros ( thans de Donau) gedood werd. En zo brengt de Griekse mythe ons in de wereld van de Balkan en naar Belgrado .
[Een gastbijdrage over Belgrado van Tim Frangias. Zo meteen meer. Dank je wel Tim! Momenteel is de Week van de Klassieken. Het programma vindt u daar.]
In eerdere stukjes heb ik het gehad over Aischylos en Sofokles, twee grote Atheense tragici. Van hen zijn tweemaal zeven toneelstukken over. Met Euripides, de derde treurspeldichter uit het rijtje, zijn het er niet minder dan achttien. Ik zal straks uitleggen hoe dat zo is gekomen, mar eerst iets over de man en zijn oeuvre.
Kluizenaar
Hij debuteerde in 455 v.Chr. en was niet werkelijk succesvol. Hij won maar vier keer de jaarlijkse toneelwedstrijd ter ere van Dionysos en verliet op hoge leeftijd zijn vaderstad om in Macedonië te gaan wonen. Daar is hij in 406 overleden. Waar Aischylos zich erop beroemde een rol te hebben gespeeld in de slag bij Marathon – naar verluidt zou Marathonstrijder het enige woord op zijn graf zijn geweest – en waar Sofokles de Atheense wetten had helpen herschrijven in een crisissituatie, koos Euripides voor een meer teruggetrokken leven. De kluizenaar zou een grote persoonlijke bibliotheek hebben gehad – de oudste privécollectie boeken waarvan we weten.
Gesneden portret van een Romeinse dame, niet per se Clodia Pulchra (Kunsthistorisches Museum, Wenen)
[Tweede deel van een blog van Lauren van Zoonen over Clodia Pulchra. Het eerste deel was hier.]
Hoewel de rechtszaak tegen Marcus Caelius Rufus was aangespannen door Lucius Sempronius Atratinus, legt Cicero in zijn redevoering Voor Caelius de verantwoordelijk bij Clodia Pulchra. Zonder haar, beweert Cicero, zou er überhaupt geen zaak zijn geweest.noot Cicero, Voor Caelius 31-32. Zij was rond 94 v.Chr. geboren als Claudia Pulchra. Een ietwat aristocratische spelling van haar naam, die aangaf dat ze behoorde tot de voorname gens Claudia, die in het verleden menig magistraat had voortgebracht, waaronder haar vader.
Ze had nog twee oudere zusters en drie broers, die alle drie actief waren in de politiek. Eén daarvan, Publius Claudius Pulcher, was een aartsvijand van Cicero. Hun vete ging terug tot 62, toen Claudius als vrouw verkleed de viering van Bona Dea bijwoonde in het huis van hogepriester Julius Caesar, een “women only” plechtigheid. Claudius was daarvoor aangeklaagd maar vrijgesproken. Cicero prikte echter door zijn gelogen alibi heen en had er sindsdien een vijand bij.
Theseus, wie kent hem niet? Het is inderdaad de nationale held van de stad Athene, de doder van de Minotaurus, een legendarische koning en nog zo het een en ander. Zijn verhaal is onder andere overgeleverd in de Parallelle Levens van de Grieks-Romeinse auteur Ploutarchos, ergens aan het begin van de tweede eeuw na Chr. Maar in de voorgaande eeuwen zijn er talloze andere verwijzingen naar Theseus, om van afbeeldingen nog maar te zwijgen.
Jeugd
De held zou zijn geboren in de havenstad Troizen, een eindje ten zuiden van Athene, als de zoon van Aithra, een dochter van de plaatselijke koning. De vader van Theseus was óf de zeegod Poseidon óf koning Aigeus van Athene. Aithra zelf wist het niet, want ze had met beide heren op één en dezelfde avond de lakens gedeeld.
Batman ruziet weleens met Superman. Arsène Lupin was Sherlock Holmes te slim af. Godzilla streed tegen King Kong. Het is leuk als verhalen die traditioneel gescheiden zijn, contact maken. Dat was in de Oudheid niet anders. Het verhaal van Jason en de Argonauten ontleent een deel van zijn charme aan het gegeven dat allerlei helden ook uit andere verhalen bekend zijn: zo is Herakles een van de opvarenden van ’s werelds eerste schip, samen met zijn geliefde Hylas, zijn vriend Admetos en stalhouder Augeias. Verder de goddelijke tweelingen Kastor en Polydeukes, enkele vaders van helden uit de Trojaanse Oorlog, en ook de zanger Orfeus. Het is een antieke League of Extraordinary Gentlemen.
De oudste bron is een hellenistisch gedicht van Apollonios van Rhodos (in het Nederlands vertaald door Wolther Kassies), die vanzelfsprekend oudere stof bewerkt en daarbij Homeros volgt, maar die ook een nieuw type held neerzet. Zijn Jason is geen rauwdouwer zoals we kennen uit de Ilias. Apollonios’ helden zijn weleens onzeker en bang. Moreel gaat het van kwaad tot erger: ze doden weleens de verkeerde, ze geven zich over aan piraterij, ze stelen het Gulden Vlies, ze doden onschuldige mensen. De stof is verder behandeld door de Romeinse dichter Valerius Flaccus, in twee mythologische uittrekselboeken en in een laatantieke tekst die Piet Gerbrandy onlangs in het Nederlands heeft vertaald als De barre tocht van Orpheus.
Grieks theatermasker (Archeologisch museum van Selçuk)
Onze kennis over de Griekse toneelschrijver Karkinos komt voornamelijk uit twee bronnen. En dan nog is het niet veel. De eerste bron is de Suda, een kolossale Byzantijnse encyclopedie uit de tiende eeuw na Chr. (Suda is Byzantijns Grieks voor ‘magazijn’, een opslagplaats voor wetenswaardigheden dus.) ‘Karkinos’ is in de Suda een van de 30.000 trefwoorden.
We lezen daar, dat hij ‘op z’n akmê was tijdens de honderdste Olympiade’. Dat is een typische manier van Griekse historiografen om iemand te dateren: ‘akme’ betekent ‘toppunt’, ‘rijpheid’ en verwijst naar een leeftijd van ca. veertig jaar, als iemand geacht werd op het hoogtepunt van zijn creatieve vermogens te zijn. Karkinos’ akmê viel dus in de honderdste Olympiade, d.w.z. in het honderdste viertal jaren na de allereerste Olympische Spelen. Volgens de legende vonden die plaats in 776 v.Chr., en dat betekent dus dat Karkinos volgens de Suda ongeveer veertig geweest moet zijn in de periode 380-376/375 v.Chr. Verder memoreert de Suda dat Karkinos weliswaar 160 toneelstukken op zijn naam had staan, maar dat hij er slechts met één daarvan ooit een prijs won. Dat is aanzienlijk sneuer dan misschien lijkt, want Griekse toneelstukken werden altijd voor een wedstrijd geschreven en slechts in competitieverband opgevoerd.
Medea doodt haar kinderen (Antikensammlung, München)
In mijn reeks vertaalde bronnen, hier gepresenteerd in het kader van de Week van de Klassieken, vandaag een stukje dat ik, anders dan de eerdere stukjes, niet aan de datum kan ophangen. Het is meer algemeen geldig: een beschrijving van een Grieks huwelijk. Het fragment komt uit de tragedie Medeia van Euripides, een van de allerklassiekste teksten van een van de allerklassiekste auteurs. Ik durf de plot daarom wel bekend te veronderstellen: Medeia is naar Griekenland gekomen om te trouwen, maar door haar echtgenoot verstoten. De enige manier waarop ze nog wraak kan nemen is het doden van haar eigen kinderen. Voordat ze die wanhoopsdaad ten uitvoer brengt, maakt ze duidelijk wat het huwelijksleven voor haar inhield.
Of het representatief is, weet ik niet. Ik zou denken dat veel huwelijken weliswaar waren gearrangeerd, maar dat ze daarom niet per se ongelukkig waren. Dat vermoeden baseer ik echter op niet meer dan enerzijds de twee gearrangeerde huwelijken die ik ken (maar je kunt de eenentwintigste eeuw niet vergelijken met de Oudheid) en anderzijds de aanname dat mensen niet met elkaar kunnen samenleven als er niet minimaal enige sympathie is. Dat laatste is natuurlijk een ongeldige redenering: je zegt in feite “het is niet zo want ik geloof het niet”. Daarmee kun je rector magnificus worden aan de universiteit van Groningen maar dat maakt het nog niet tot een geldige redenering.
Kijk, dat is nu vleiend. Mijn nichtje van tien stelt belang in de dingen die ik schrijf. Ze houdt van lezen, vindt geschiedenis leuk, was ooit van plan zelf een boek te schrijven, en ik geloof dat haar broertje een soortgelijk plan inmiddels ten uitvoer aan het brengen is. Allemaal prachtig, en als ze nu mijn kleine blog wil lezen, dan vind ik dat ontzettend vererend.
Helaas schrijf ik niet voor kinderen, en betrap ik mezelf nu op zelfcensuur. Dat had ik niet zien aankomen.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.