Barmhartige en andere samaritanen (2)

Het Wekenfeest op de berg Gerizim (© Wikimedia Commons | gebruiker Fade to Black)

Ik schreef gisteren over de oorsprong van de samaritanen en vatte samen dat de cultus van JHWH altijd wijdverbreid is geweest en diverse cultusplaatsen heeft gehad. In de zevende eeuw v.Chr. begon Jeruzalem echter te claimen de enige échte tempel te hebben van de enige werkelijk vererenswaardige godheid. Dit werd gecodificeerd in de Wet van Mozes en dan met name het Bijbelboek Deuteronomium, dat samen met het Deuteronomistisch Geschiedwerk het begin vormt van wat we het jodendom kunnen noemen. Niet iedereen, zo schreef ik, ging mee met deze vernieuwing. Ik bracht Elefantine in herinnering en vertelde dat ook elders oude tradities bleven bestaan, die ertoe leidden dat, toen de noordelijke JHWH-vereerders de Wet aanvaardden, ze daarin enkele wijzigingen aanbrachten.

Tempelbouw

Als jaartal noemde ik “na 500 v.Chr.”. Dat was omdat ik even geen zin had in een discussie over het ontstaan van de Wet van Mozes,. Dat is een mijnenveld. Toch kunnen we iets preciezer zijn. Vlak voor 330 v.Chr. was er verdeeldheid onder de priesters van Jeruzalem en verschillende families verlieten de stad. Volgens Flavius Josephus vestigden zich in Samaria, een belangrijk bestuurscentrum in het toenmalige Perzische Rijk. Daar kregen ze in 332 v.Chr. van de Macedonische veroveraar Alexander de Grote toestemming om een ​​eigen tempel te bouwen op de berg Gerizim, vlakbij Sichem, een paar kilometer ten oosten van Samaria. Archeologisch is de vastgesteld dat Sichem rond dit moment werd herbouwd.

Lees verder “Barmhartige en andere samaritanen (2)”

Spelfout

(Ooit gezien in het Gallo-Romeins Museum in Tongeren.)

Ik zou deze zomer mijn lang-verhoopte reisje naar Straatsburg kunnen maken als ik, voor elke keer dat iemand Pilates schreef in plaats van Pilatus, een euro zou hebben gekregen. En in het Engels kun je dan nog zo leuk zeggen dat Jezus, die boze geesten uitdreef, “went around exercising until he was killed by Pilates”.

(In 2016 gezien op NU.nl)

Fik Meijers Romeinse Rijk (2)

Moeilijk leesbaar, maar deze beroemde inscriptie uit Caesarea vermeldt in de tweede regel Pontius Pilatus en in de derde zijn functie,
Moeilijk leesbaar, maar deze beroemde inscriptie uit Caesarea vermeldt in de tweede regel Pontius Pilatus en in de derde regel zijn functie, “praefectus”. Het origineel is in het Israel Museum in Jeruzalem; dit is een goede kopie.

[Dit is het tweede deel van een beschouwing over Fik Meijers Macht zonder grenzen. Het eerste deel leest u hier. Ik leg hieronder uit wat een historicus doet met bronnen.]

Jaren geleden leidde Fik Meijer in – ik meen – Felix Meritis een gesprek met Tom Holland, de auteur van Persian Fire. In dit boek over de Perzische Oorlogen beweert Holland dat dat conflict verklaart waarom het vrije, humanistische westen zo anders is dan het religieuze, despotische Nabije Oosten. Zo’n eeuwenlang beslaande tegenstelling moet je bewijzen – als je het alleen maar claimt, ben je geen historicus maar een als historicus verklede ideoloog. Het toeval wil dat de beslissendheid van de Perzische Oorlogen een voorbeeld is uit een essay van Max Weber dat wordt behandeld in handboeken voor geschiedtheorie, zoals Chris Lorenz’ De constructie van het verleden. Een eerstejaarsstudent weet dus waarom Hollands beweringen kulleklap zijn. Het curieuze is nu dat Meijer, hoewel toch hoogleraar oude geschiedenis, Holland prees: hij had bij het lezen van Persian Fire niet gemerkt dat Holland niet was opgeleid als oudhistoricus.

Vanzelfsprekend schrijft de beleefdheid voor dat we soms iets aardigs zeggen over een wanproduct – in de tweede alinea van dit stuk beschreef ik een veel voorkomende situatie waarin ik beleefdheid liet gaan vóór eerlijkheid – maar Meijers uitspraak gaat, voor een beleefdheid, te ver. Veel te ver: dit is alsof een lid van de directieraad van het RIVM in het openbaar Jomanda complimenteert met de woorden dat hij niet had gemerkt dat ze niet was opgeleid als arts. Ik vrees dat de verklaring voor Meijers misplaatste compliment is dat hij domweg de waarheid sprak: hij had inderdaad niet gemerkt dat Holland niet was opgeleid als oudhistoricus. Zou hij dat wel hebben herkend, dan zou hij de organisator van de bijeenkomst immers hebben gezegd dat geesteswetenschappers ideologie plegen door te prikken (“deconstrueren”) en dat hoogleraren zich niet kunnen lenen voor het respectabel laten lijken van kwakgeschiedenis. Mijn indruk dat Meijer niet in staat is de wetenschappelijke kwaliteit van historische publicaties te beoordelen, wordt bevestigd door zijn boek Macht zonder grenzen, waarin hij methodische fout op methodische fout laat volgen. Die fouten komen redelijk overeen met wat hij doet in Jezus en de vijfde evangelist. Zo wordt het grote publiek gedesinformeerd over de oude wereld, groeit het beeld dat een methode er niet toe doet en kunnen de Hollands en Van Rossems dezer wereld denken dat zij kunnen bijklussen in de oude geschiedenis. Je hoeft immers toch niet te zijn opgeleid als oudhistoricus.

Lees verder “Fik Meijers Romeinse Rijk (2)”