Nero’s Gouden Huis (2)

Mozaïek uit het Gouden Huis (Antiquarium del Palatino, Rome)

Ik beschreef in mijn vorige stukje de bouw van het Gouden Huis van keizer Nero. Hier is het landkaartje nog even. De hoofdingang lag op de Velia: de helling ten oosten van het Forum Romanum, waar later de beroemde ereboog van Titus is opgericht. Nero liet ook het Klooster van de Vestaalse Maagden herbouwen en een straat naar zijn paleis aanleggen, aan weerszijden voorzien van galerijen. Wie de straat uit liep, bereikte op de heuveltop een rechthoekig plein, het vestibulum, met daarop de Colossus. Die moet dus hebben gestaan in de buurt van de Titusboog, vrijwel zeker op plek van de huidige kerk van Santa Francesca Romana. De kerktoren geeft een idee van de hoogte van het enorme standbeeld.

Op de top van de Velia begon een zijstraat naar de verblijven op de Palatijn, maar wie rechtdoor liep, bereikte het dal tussen Velia, Caelius en Oppius. Hier lag de vierkante, door colonnades omgeven vijver en begon het parkachtige deel van het Gouden Huis. Ten zuidoosten van de vijver stond het podium waarop de tempel van de vergoddelijkte Claudius moest verrijzen. (De aanleg werd na de brand onderbroken om de bouwvakkers in te zetten bij de wederopbouw van de stad.) Daar liet Nero een waterpartij aanleggen, waarvan de resten nog te zien zijn aan de Via Claudia.

Lees verder “Nero’s Gouden Huis (2)”

Nero’s Gouden Huis (1)

Interieur van de vleugel van het Gouden Huis op de Oppius

In juli 64 na Chr. werd Rome getroffen door een catastrofe. Ik heb op deze blog de beroemde beschrijving door Tacitus weleens geciteerd. Grote branden waren niet ongewoon – elke voorindustriële stad werd er van tijd tot tijd door getroffen – en er waren voorzorgsmaatregelen genomen. Zo stonden her en der brandmuren, waarvan die achter het Forum van Augustus tegenwoordig nog het meest herkenbaar is.

Maar tegen een brand zo groot als die van 64 waren alle menselijke maatregelen vergeefs. De brand woedde dagenlang en legde hele wijken in de as. Keizer Nero nam meteen maatregelen voor de getroffen bevolking. Hij liet barakken bouwen in zijn tuinen aan de andere zijde van de Tiber, voerde levensmiddelen aan, liet toezien op woekerprijzen. Allemaal voorbeeldig, maar het gerucht dat hij de lier ter hand had genomen om de brand van Troje te bezingen, liet zich niet onderdrukken. De oplossing was, zoals bekend, dat hij de stedelijke Joden, die woonden tegenover de plek waar de brand was begonnen, de schuld gaf. Omdat dat er nogal veel waren, selecteerde hij een kleine, toch al omstreden groep: de messiasbelijdende joden die in het Grieks christenen heetten, vereerders van een gekruisigde rebel.

Lees verder “Nero’s Gouden Huis (1)”

Arm en straatarm in Rome (5)

Slavenboeien (Noord-Brabants Museum, Den Bosch)

[Volgens de propagandisten zou Rome in de vroege keizertijd een stad van marmer zijn geweest, maar de werkelijkheid was anders. Dit is het slot van een reeks over armoede en extreme armoede. Het eerste deel was hier.]

Slavernij en sociale mobiliteit

Dwars door de bevolking van Rome liep een onderscheid tussen vrije en onvrije mensen. Onder meer vanuit de juridische geschriften hebben we een vrij scherp beeld van de positie van de servi. Hun onvrijheid had als voordeel dat er iemand naar hen omkeek. Hoog­opgeleide slaven leidden vermoedelijk een redelijk comfortabel leven, bijvoorbeeld als arts of onderwijzer. Sommigen van hen hielden er zélf slaven op na; getrapte slavernij dus. Het gros zal uitgebuit zijn en als voetveeg behandeld. Veelzeggend is dat deurwachten soms vastgeketend werden. Er zijn daarentegen ook voorbeelden van slaven die liefdevol bijgezet werden in het familiegraf.

Lees verder “Arm en straatarm in Rome (5)”

Arm en straatarm in Rome (4)

Een schaal met kleingeld (Amfitheater, Grand)

[Volgens de propagandisten zou Rome in de vroege keizertijd een stad van marmer zijn geweest, maar de werkelijkheid was anders. Dit is het vierde deel van een vijfdelige reeks over armoede en extreme armoede. Het eerste deel was hier.]

Koopkracht

Laten we naar het Romeinse kleingeld kijken om gevoel te krijgen voor de koopkracht van de bevolking. Bij Petronius lezen we: ‘Hij was zo gierig dat hij een quadrans met zijn tanden uit de modder zou trekken’. Dat oordeel komt duidelijk uit een elitaire koker. De quadrans was de kleinste denominatie. Letterlijk een kwart-as. Twee quadrantes hadden de waarde van éen semis, die overigens weinig geslagen werd. De as had een spilfunctie in het geldsysteem. Vier asses maakten één sestertius. Vier sestertii waren even veel waard als één zilveren denarius, waarvan er 25 in een gouden aureus gingen.

Lees verder “Arm en straatarm in Rome (4)”

Arm en straatarm in Rome (3)

Een zakkendrager, iemand uit het plebs (Nationaal Museum, Beiroet)

[Volgens de propagandisten zou Rome in de vroege keizertijd een stad van marmer zijn geweest, maar de werkelijkheid was anders. Dit is het derde deel van een vijfdelige reeks over armoede en extreme armoede. Het eerste deel was hier.]

Plebs sordida

Tegenover het ‘fatsoenlijke’ plebs stond het plebs sordida, het ‘smoezelige’ plebs. De armoede van deze restcategorie was structureel. Het waren sloebers, aangeduid als egentes (nooddruftigen) of inopes (mensen zonder bezittingen). Immigranten waren oververtegenwoordigd. Hoewel het vrije mensen betrof, liepen zij het risico om zoveel schulden op te bouwen, dat zij zichzelf of hun kinderen in slavernij moesten uitleveren. Voor het plebs sordida was een dak boven het hoofd niet vanzelfsprekend, evenmin als kleding of een volle maag. In plaats van dure tarwe weken de arme mensen vaak uit naar gerst, kikkererwten en lupinezaad (noot 1). MacMullen (1974) gaat ervan uit dat een derde van de totale bevolking, met inbegrip van de slaven, voortdurend in grote schaarste leefde. Uitgaand van de 200.000 die ik hierboven berekende, includeert hij dus een deel van het plebs frumentaria.

Lees verder “Arm en straatarm in Rome (3)”

Arm en straatarm in Rome (2)

Graanopslagplaatsen bij Romes rivierhaven

[Volgens de propagandisten zou Rome in de vroege keizertijd een stad van marmer zijn geweest, maar de werkelijkheid was anders. Dit is het tweede deel van een vijfdelige reeks over armoede en extreme armoede. Het eerste deel was hier.]

Plebs frumentaria

Het plebs frumentaria (ook wel plebs togata genoemd) onderhield banden met de elite dankzij het clientela-systeem. Dat systeem kwam erop neer dat een cliens bescherming genoot van een patronus, in ruil voor wederdiensten. Wie niet representatief was en geen tegenprestatie kon leveren, moest zichzelf redden. Het plebs frumentaria kwam in aanmerking voor verstrekkingen van graan, door de staat ter beschikking gesteld.

Lees verder “Arm en straatarm in Rome (2)”

Arm en straatarm in Rome (1)

De maatschappelijke hiërarchie: de keizer, verheven boven de armen.

Keizer Augustus was er trots op dat hij Rome als een stad van marmer achterliet. Met zijn intensieve bouwprogramma’s had hij ervoor gezorgd dat de ‘hoofdstad van de wereld’ (caput mundi) zich kon spiegelen aan steden als Alexandrië, Efese en Antiochië. Sindsdien zijn luxe en decadentie onlosmakelijk verbonden aan de hoofdstad van het Romeinse Rijk. Er is veel bekend over het leven van de elite. Maar wat zien we als we verder kijken dan de marmeren façade? Hoe zag het leven van eenvoudige lieden eruit?

Twee problemen dienen zich aan:

  1. Geschreven bronnen zijn in hoofdzaak dóór en vóór de elite geproduceerd; een kleine toplaag met weinig belangstelling voor de rest. Hoe dieper men naar beneden kijkt, hoe vager de contouren.
  2. De elite is beter vertegenwoordigd in het bodemarchief dan eenvoudige lieden.

Lees verder “Arm en straatarm in Rome (1)”

Kybele in de Grieks-Romeinse wereld

Een Romeinse Kybele (Museum Carnuntinum, Petronell)

De cultus van de moedergodin was, zoals ik in het vorige stukje schreef, in Anatolië eeuwenoud en de naam Kybele kwam uit het oosten van die regio. De Frygiërs, die in de IJzertijd Anatolië waren binnengetrokken en zich in het westen van Anatolië hadden gevestigd, namen de cultus over. Zo bezien is het grappig dat de Griekse en Romeinse auteurs de cultus van Kybele typeren als Frygisch. Frygië was echter alleen een halteplaats bij de verspreiding van de cultus naar het westen. Een andere halteplaats kan de Lydische hoofdstad Sardes zijn geweest, waar een tempel stond voor Kubaba.

Griekse godin

De Grieken meenden dat de Anatolische geboortegodin dezelfde was als hun eigen Rhea, de moeder van de Olympische goden en godinnen Hestia, Demeter, Hera, Hades, Poseidon en Zeus. Deze gelijkstelling vergemakkelijkte de verspreiding van de cultus, die al in de zesde eeuw v.Chr. bekend was in Lokroi in Zuid-Italië. De Grieken waren geïntrigeerd door de extatische riten van “de grote moeder van de goden”, maar Kybele werd nooit deel van de gewone Griekse mythische wereld.

Lees verder “Kybele in de Grieks-Romeinse wereld”

De tempel van Elagabal in Rome

De schaarse resten van de tempel van Elagabal

Een van de meest curieuze personen uit de Oudheid was de kindkeizer Heliogabalus (r.218-222). Die heette eigenlijk Varius Avitus Bassianus, maar toen hij eenmaal keizer was, noemde iedereen hem Antoninus. De naam waaronder hij beroemd is geworden, Heliogabalus dus, is een verbastering van de naam van de door hem vereerde Syrische zonnegod Elagabal. Dat is ook al niet de echte naam van die god, want die heette in het Aramees Ila ha-Gabal, “heer van de berg”. De bijnaam Heliogabalus is daarvan dus een verbastering. Weliswaar zou Elagabalus meer voor de hand hebben gelegen, maar met het ietwat onlogische eerste element verwijst de weergave ook naar de Griekse zonnegod Helios.

Kortom: er was een kindkeizer die we gemakshalve Heliogabalus noemen en die vereerde een zonnegod die we Elagabal noemen.

Wie een mooi boek wil lezen over Heliogabalus’ wonderlijke regeringsperiode, kan terecht bij Louis Couperus. Zijn roman De berg van licht (1905) is in feite een omgekeerde Stille kracht: in het laatstgenoemde boek gaat een westerling ten onder in de Oost, in De berg van licht gaat een oosterling ten onder in het Westen. Het is trouwens interessant hoe Couperus een Syrische wereld toont waarin androgyniteit zo niet geaccepteerd dan toch denkbaar was. Wie nu fronst bij non-binariteit, zou eens Couperus kunnen gaan lezen.

Lees verder “De tempel van Elagabal in Rome”

Circus Maximus (3)

Wagenmenner uit het Circus Maximus (Palazzo Massimo, Rome)

[Laatste van drie stukjes over het Circus Maximus in Rome. Het eerste was hier.]

Keizer en volk

Zelfs keizers en gladiatoren waren minder populair dan wagenmenners. Gezien hun populariteit deed een keizer er goed aan zich te vertonen in zijn loge in het Circus. Iets van de populariteit van de sportlieden straalde dan op hem af. Bovendien kon de vorst, door openlijk te delen in de emoties die de races opriepen, tonen dat hij niet van zijn onderdanen verschilde. Zo bezien deed keizer Marcus Aurelius het verkeerd:

Hij had de gewoonte tijdens de Circusvoorstellingen te lezen, te luisteren en te signeren, en het verhaal gaat dat de menigte hem daarover dikwijls schertsend heeft gekapitteld. (Historia Augusta, Marcus Aurelius 15.1)

Lees verder “Circus Maximus (3)”