Een Algerijnse officier in Vechten

Inscriptie van Antistius Adventus (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

Een half jaar geleden was ik op reis door Algerije en hoewel ik veel mooie dingen heb gezien, was er ook een mini-teleurstelling: terwijl ik wél de grafsteen vond van Adiutor, iemand uit Nederland die belandde in Algerije, vond ik niets over Antistius, een Romeinse bestuurder uit de tweede eeuw na Chr. die de omgekeerde reis maakte. Er zijn in Algerije minstens twee inscripties (deze EDCS-13100076 en EDCS-16300167) maar ik heb die niet gezien. Een derde inscriptie is gevonden bij de Muur van Hadrianus (EDCS-07801373) en een vierde – hier boven – komt uit Vechten, even onder Utrecht. Die staat bekend als EDCS-11100902 en als u denkt dat ze slecht leesbaar is, heeft u gelijk, maar zie hieronder.

De jonge bestuurder

Quintus Antistius Adventus Postumius Aquilinus is rond 128 geboren in een senatoriële familie uit de Numidische stad Thibilis, halverwege Cirta en Hippo Regius, en profiteerde van het netwerk van Afrikaanse bestuurders dat in de loop van de tweede eeuw steeds meer invloed kreeg in Italië en uiteindelijk een keizer zou leveren, Septimius Severus. Uit de vier inscripties kennen we Antistius’ loopbaan, die hem kort voor 150 moet hebben gebracht naar Rome, waar hij een van de leden was van het college der vigintiviri, de beginnende magistraten, meest senatorenzonen, die ieder jaar werden benoemd. Hij was een van het viertal dat samen verantwoordelijk was voor het onderhoud van de straten in Rome.

Lees verder “Een Algerijnse officier in Vechten” →

Zware cavalerie

Zware cavalerie in het Romeinse leger (Reliëf uit Adamclisi; afgietsel in het Limes Museum, Aalen)

In zijn prachtige catalogus van troepen die met de Perzische koning Xerxes naar Europa kwamen, beschrijft Herodotos allereerst de Perzen zelf.

Zij droegen de volgende uitrusting: een tiara of vilthoed met slappe rand, een geborduurd hemd met lange mouwen, daaronder een maliënkolder die eruitzag als visschubben, en ten slotte een pofbroek. Een metalen schild hadden ze niet, wel een beukelaar van gevlochten takken. Aan de binnenkant daarvan hing de pijlkoker. Verder waren ze voorzien van korte speren, formidabele bogen met rieten pijlen en ook nog dolken die aan de koppel naast de rechterheup waren bevestigd. (Historiën 7.61; vert. Hein van Dolen).

Dit type maliënkolder, bestaand uit allerlei kleine plaatjes, kennen we uit Centraal-Azië. Het was lichter flexibeler dan een plaatharnas en maakte het mogelijk grotere delen van het lichaam te bedekken. Droeg een ruiter zo’n schubbenpantser, dan had hij wel een sterk paard nodig, een Nesaïsche hengst zoals de Grieken het noemden, maar als dat edele dier écht sterk was, kon het ook zelf een maliënkolder krijgen.

Lees verder “Zware cavalerie” →

Het Tiende Legioen Gemina

Hoofd van een legionair met op de helm X G(emina) (Römermuseum, Wenen)

Ik moet nog eens bloggen over de Romeinse officier Velius Rufus, die in het laatste derde van de eerste eeuw een gelauwerde carrière had die hem van de rang van centurio via drie continenten bracht tot in de hoogste bestuursklasse. Die loopbaan is uitzonderlijk omdat ze zo uitgebreid is gedocumenteerd. Van de overgrote meerderheid van de soldatenlevens is veel minder bekend.

Maar toch: ook al zijn hun grafstenen minder informatief, het zijn er wel heel erg veel. Elk jaar tekenden ruim 10.000 Romeinse burgers bij om te gaan dienen in een van de grensprovincies. Voor een garnizoensstad als Nijmegen, waar het Tiende Legioen Gemina was gelegerd, betekende dit dat er elk jaar ruim 350 rekruten van elders bij kwamen.

Lees verder “Het Tiende Legioen Gemina” →

Misverstand: De ondergang van het Negende

Misverstand: VIIII Hispana ging ten onder in Schotland

De dood van keizer Trajanus in 117 lijkt gepaard te zijn gegaan met enige onrust aan de grenzen. Zijn opvolger Hadrianus gaf de veroveringen in Irak op. In Schotland werd een compleet legioen vernietigd, VIIII Hispana. Dat is althans de premisse van Rosemary Sutcliff in haar geweldige jeugdboek The Eagle of the Ninth (1954). Ze vertelt hoe een jonge Romeinse officier, die door een verwonding geen dienst meer kan doen, op zoek gaat naar het veldteken van het Negende Legioen Hispana, de adelaarstandaard, en dit uiteraard ook vindt.

Lees verder “Misverstand: De ondergang van het Negende” →

Misverstand: Wapenrustingen

Twee verregende re-enactors in een lorica segmentata

Misverstand: Alle legionairs droegen een lorica segmentata

Het meest zichtbare aspect van de macht van de Romeinse keizer was het leger, waarover ontzettend veel bekend is uit enkele militaire traktaten, tientallen brieven, honderden inscripties en ontelbare archeologische vondsten. We kennen de rangen, de regimentsgeschiedenis van de legioenen, de militaire bases, de bewapening en de voornaamste campagnes, en we zijn ook tot in detail op de hoogte van zaken als soldij en training. In feite is er, tot de zestiende eeuw, geen leger geweest waarvan we zoveel weten. Zo voelen de Romeinse legioenen bijna vertrouwd aan.

En dat is ook het probleem, want al snel ga je te modern denken. Hedendaagse legers kennen eenheid van tenue: alle soldaten dragen hetzelfde uniform. Het is verleidelijk te denken dat dit in de legioenen ook zo was. Dat komt overigens niet uitsluitend door het moderne voorbeeld, maar ook doordat mensen eeuwenlang alleen bij passiespelen – toneelstukken over Jezus’ laatste dagen – zagen hoe een Romeinse soldaat eruit zag, en de kostuummakers vaak hetzelfde patroon gebruikten om verschillende acteurs te kleden.

Lees verder “Misverstand: Wapenrustingen” →

Legionairs toen en soldaten nu

Lambaesis

Ik blogde gisteren over legioennamen en maakte een vergelijking met de legers in onze eigen tijd. De Eerste Divisie van het Nederlandse leger heette ook 7 December, schreef ik, en die vergelijking ontlokte de vraag of legioenen en divisies wel vergelijkbaar zijn.

Wel in dit opzicht. De chaotische nummers en namen zijn hetzelfde. In andere opzichten zijn de verschillen echter groter.

Een belangrijk verschil is er als we kijken naar de relatie tussen gevechtseenheden en ondersteunend personeel. Ik meen dat bij de landmacht tegenover elke soldaat die werkelijk vecht drie mensen staan die ervoor zorgen dat hij dat ook werkelijk kan doen, maar ik heb het niet kunnen natrekken. In een Romeins legioen was er daarentegen nauwelijks ondersteunend personeel en van het onderscheid tussen commanding en executive officers zou men vreemd hebben opgekeken.

Lees verder “Legionairs toen en soldaten nu” →

Namen en nummers

Dakpan van het Twaalfde Legioen Victrix. De naamstempel was goed zodat de naam van de eenheid in spiegelbeeld staat (Palais Rohan, Straatsburg)

Een legioen was een Romeinse infanterie-eenheid. In de loop der eeuwen varieerde de omvang, maar in de Keizertijd moeten we denken aan zo’n 5300 zwaarbewapenden. Dit waren beroepssoldaten die zo’n twintig jaar dienden en na afloop een boerderij konden krijgen als oudedagsvoorziening. Met wat spaargeld om slaven te kopen hoefden ze zich geen zorgen te maken. Wie kon lezen en schrijven, kon bovendien een administratieve carrière maken en promotie maken: centurio, misschien nog verder. De loopbaan van Velius Rufus geeft een idee van wat er mogelijk was voor iemand die beschikte over talent, moed en contacten.

Net als in onze tijd, waarin eenheden “Eerste Divisie ‘7 December’” kunnen heten, had elk legioen een nummer en een naam. In Nijmegen waren vanaf 70 achtereenvolgens het Tweede Legioen Adiutrix, het Tiende Legioen Gemina en het Negende Legioen Hispana gestationeerd. Het Derde Legioen Augusta was het garnizoen van de Maghreb. Het Tweede Legioen Parthica was de strategische reserve van het Romeinse Rijk. Het Vierde Legioen Italica is een mysterie. Het Zesde Legioen Victrix hees Constantijn de Grote op het schild. De vraag is: waarom zou je eenheden een nummer én een naam geven? En een andere vraag: waarom zijn er diverse eerste legioenen maar ontbreken er ook sommige nummers? Was het niet logischer alle nummers één keer te gebruiken?

Lees verder “Namen en nummers” →

Lambaesis

De noordelijke poort van Lambaesis

Vanuit Constantine reden we naar Batna, een kapsonesloos provinciestadje dat drie uur verder naar het zuiden ligt. We deden er wat langer over omdat we ook naar het graf van Massinissa – als het van deze Numidische koning is – en het enorme graf bij Médracen wilden gaan. Dit laatste is een kolossale stenen tumulus. Het mausoleum wordt gedateerd in de vierde eeuw v.Chr.

Even voorbij Batna ligt Tazoult, het antieke Lambaesis, de plek waar het Derde Legioen Augusta was gestationeerd. Ik heb me voorgenomen ooit alle legioenbases te hebben gezien – het zijn de plaatsen waarvandaan het Romeinse gezag werd gevestigd en uitgeoefend – en deze plek stond dus hoog op mijn wensenlijstje. Het is een complexe site, die bestaat uit de eigenlijke legioenbasis met een amfitheater, een klein fort, een heiligdom gewijd aan Aesculapius, burgerlijke bewoningskernen, grafsteden en een Byzantijns fort.

Lees verder “Lambaesis” →

Legionairs uit Mainz

Een van de Kästrich-sokkels: twee legionairs in actie (Landesmuseum, Mainz)

Nou heet deze blog de Mainzer Beobachter, maar over Mainz, het antieke Mogontiacum, heb ik nog maar weinig geschreven. Oké, ik heb weleens wat grafschriften besproken, maar erg veel meer is er nog niet uit mijn pen gekomen. Tijd om daar eens verandering in te brengen en te schrijven over het kunstwerk hierboven.

Dit is één reliëf uit een serie van tien, twee keer vijf. Ze zijn gevonden op de heuvel die bekendstaat als Kästrich: in feite de citadel van de oude stad. Hier lag een legioenbasis die tijdens de Bataafse Opstand enkele aanvallen weerstond – de burgerlijke nederzetting in de richting van de Rijn werd wel gebrandschat – en daarna door legionairs van I Adiutrix en XIV Gemina werd herbouwd. De reliëfs dateren uit die tijd, het laatste kwart van de eerste eeuw. Het zijn de sokkels van pilaren in een poort of een tempeltje.

Lees verder “Legionairs uit Mainz” →

Sint-Gereon

St. Gereon, Keulen

Een van de romaanse kerken van Keulen is gewijd aan de heilige Gereon, een van de soldaten van het zogenaamde Thebaanse Legioen. Die eenheid zou zich in de vierde eeuw tot het christendom hebben bekeerd en bij St Maurice-en-Valais in Zwitserland collectief ter dood zijn gebracht toen het een dienstbevel weigerde uit te voeren dat de manschappen immoreel achtten.

De legende is ontstaan in 383 na Chr., toen – ik moet even uit mijn hoofd citeren – de rivier Rhône zijn loop verlegde en een massagraf zichtbaar werd. Bisschop Eucherius van Lyon hield zijn geschokte gelovigen voor dat dit de lichamen waren van die Thebaanse legionairs en vertelde over hun wederwaardigheden ten tijde van “caesar Maximianus”. In een boek waarover ik al eens blogde heeft Donald O’Reilly erop gewezen hoe vreemd dit is. Maximianus bekleedde een hogere rang, augustus, en was alleen enkele maanden in 285/286 caesar. Dit suggereert dat Eucherius het verhaal niet verzon en een contemporaine bron benutte.

Lees verder “Sint-Gereon” →