Het Astronomische Dagboek dat de slag bij Gaugamela vermeldt (British Museum, Londen)
Misverstand: Bij Gaugamela vond een belangrijke veldslag plaats
Sparta zou, nadat het Athene had verslagen, de machtigste staat van Griekenland moeten zijn, maar het was een omstreden hegemonie. In 395-386 verdedigde het zijn heerschappij tegen een coalitie van Argos, Korinthe, Thebe en Athene, dat van de Perzische koning een nieuwe vloot ter beschikking had gekregen. Meer oorlogen volgden. De Thebanen wisten de macht van de Spartanen te breken in de slag bij Leuktra, Athene verwierf en verloor een tweede bondgenootschap, en vanaf 354 tot 346 waren alle Griekse stadstaten met elkaar in oorlog.
De voornaamste resultaten van al dit bloedvergieten waren een snelle ontwikkeling van de krijgskunst, almaar grotere invloed voor Perzië en het verlies van Griekse controle over de gebieden in het noorden, waar de stammen van Macedonië zich verenigden. Vanaf 346 beheerste hun koning het noorden van Griekenland en het voornaamste Griekse heiligdom, Delfi.
Een van de centrale punten in de discussie over maximalisme en minimalisme is de “Large Stone Structure”: vrijwel zeker niet het paleis van koning Salomo.
Misverstand: Maximalisten zijn gelovigen, minimalisten wetenschappers
Wie de Oudheid bestudeert, baseert zich op twee soorten bewijsmateriaal: geschreven teksten en archeologische vondsten. Het komt vaak voor dat die niet met elkaar in overeenstemming zijn. Voor Caesars claim dat hij de Belgen heeft onderworpen, bestaat bijvoorbeeld nog geen archeologische bevestiging. Een soortgelijke tegenspraak doet zich voor bij de stad Ekbatana, het huidige Hamadan in Iran. Volgens de Griekse auteur Herodotos (c.480-c.429) was dat een machtige stad met zeven ringmuren, maar elk archeologisch spoor daarvan ontbreekt.
Een derde voorbeeld is de staat van David en Salomo, die – als we de Bijbel mogen geloven – in de tiende eeuw v.Chr. een machtig koninkrijk beheersten dat zich uitstrekte tot ver buiten de grenzen van het huidige Israël. Het zou waar kunnen zijn. Traditionele supermachten als Assyrië (in Noord-Irak) en Egypte lieten de Levant in deze tijd met rust. Alleen: er is geen archeologisch bewijs voor het bestaan van het machtige bijbelse koninkrijk, en die afwezigheid kan niet langer worden weggeredeneerd met ‘het kan nog worden gevonden’. Daarvoor is er te veel en te lang gezocht. We zouden langzamerhand wel eens een kleitabletje willen zien met een administratieve tekst gedateerd naar de regeringsjaren van Salomo, maar zelfs zoiets simpels ontbreekt. De overblijfselen van gebouwen die ooit werden gepresenteerd als bevestiging van het bijbelse relaas – de stallen van Salomo in Megiddo bijvoorbeeld – blijken bij nader te jong te zijn.
De eerste steden ontstonden in het derde millennium v.Chr. in het oude Nabije Oosten. Vaak werden ze bestuurd door een koning die ook het omringende platteland beheerste. Tweeduizend jaar later ontstonden ook in Griekenland steden, en daarvan was Sparta een van de machtigste.
Het wordt wel beschouwd als kazernestaat, en inderdaad: de bewoners besteedden veel tijd aan hun opleiding tot soldaat. Dit werd mogelijk gemaakt doordat ze het land lieten bewerken door staatshorigen ofwel heloten. De vrije burgers kregen zo zeeën van vrije tijd, waarvan ze dus een deel wijdden aan militaire oefeningen. Uit allerlei teksten blijkt dat de Spartanen een sobere levenswijze prefereerden om bikkels van krijgers te vormen. Sparta’s imago – goed getraind en immer voorbereid op oorlog – was ijzersterk en bestaat nog altijd.
Misverstand: Caesars laatste woorden waren “Et tu, Brute?”
Na Caesars overwinningen in Gallië draaide het Romeinse politieke leven om nog maar twee politici: Pompeius en Caesar. Ze kwamen gewapend tegenover elkaar te staan in een burgeroorlog. De laatste won. Vanaf 48 v.Chr. was Caesar alleenheerser in wat officieel nog steeds een republiek was. Veel senatoren, ook degenen die hun benoeming aan hem hadden te danken, vonden dat zoveel macht bij één man gevaarlijk was. Op 15 maart 44 v.Chr. vermoordden ze de al te succesvolle generaal. Een van de moordenaars was Marcus Junius Brutus Caepio, de zoon van Caesars maîtresse.
De laatste woorden van de vernietiger van de republiek worden vaak aangehaald als “Et tu, Brute?”, “Ook jij, Brutus?” Deze woorden zijn op geen enkele plaats vermeld vóór Shakespeares toneelstuk Julius Caesar.
Betere papieren heeft “Tu quoque, Brute?”, wat hetzelfde betekent. Deze woorden zijn voldoende bekend om specialisten in de argumentatieleer ertoe te brengen de jij-bak officieel aan te duiden als het tu quoque-argument. Maar ook deze uitspraak heeft Caesar niet gedaan. Als hij al iets zei, deed hij dat in het Grieks. De biograaf Suetonius schrijft:
Toen hij merkte dat hij van alle kanten met getrokken dolken werd belaagd, omhulde hij zijn hoofd met zijn toga en trok gelijk met zijn linkerhand de plooien van zijn toga omlaag tot aan zijn voeten, zodat ook het onderste gedeelte van zijn lichaam bedekt zou zijn en hij er behoorlijk bij zou liggen. Alleen bij de eerste stoot kermde hij zonder een woord, al hebben sommigen overgeleverd dat hij, toen Marcus Brutus zich op hem stortte, in het Grieks tot hem heeft gezegd: “Ook jij, mijn zoon?” (Suetonius, Leven van Caesar 82.2)
Naschrift
In een aardig artikel uit 2016 wijst Ioannis Ziogas erop dat Caesars laatste woorden niet de vraag zijn van een verbijsterd man. De Griekse woorden kai su betekenen letterlijk “ook jij”, maar betekenen in feite “morgen gij”.
Nu u hier toch bent…
Door de coronacrisis ben ook ik aan huis gebonden. Terwijl ik graag wat had gedaan om mijn boek te promoten over de wedloop tussen papyrusvervalsers en wetenschappers, Bedrieglijk echt. Dat de oudheidkunde wordt gebruikt om de winst van zwarthandelaren op te drijven, vond (en vind) ik voldoende verontrustend om het wat meer onder de aandacht te hebben willen brengen. Dus bestel, lees en bespreek dat boek. Of bekijk dit filmpje. Ik ben trouwens ook beschikbaar voor betaald schrijfwerk.
Misverstand: Perikles had de Peloponnesische Oorlog goed voorbereid
In 431 v.Chr. verklaarde Sparta de oorlog aan Athene, vrezend dat die stad te machtig zou worden en teveel invloed zou gaan uitoefenen, met name in de Griekse heiligdommen. Het beloofde een lange oorlog te worden, en de Spartanen stuurden meteen gezanten naar Perzië om daar hulp te vragen. De grote koning had echter geen belangstelling voor een conflict met Athene, dat zich al een generatie lang onthield van inmenging in de Perzische aangelegenheden.
Zoals destijds te doen gebruikelijk, probeerden de strijdende partijen elkaar schade toe te brengen door het platteland te brandschatten. De belegering van steden was een vaardigheid die men in Griekenland op dat moment nog slecht beheerste, maar het was mogelijk de tegenpartij de toegang tot haar akkers te ontzeggen en zo uit te hongeren. Het brandschatten bracht de Spartanen echter geen stap verder, aangezien de Atheners als enigen een vloot bezaten en hun voedsel konden aanvoeren van overzee. Ondertussen konden zij vanaf zee wel het land van de Spartanen en hun bondgenoten naar hartenlust plunderen. Zo hoefden ze het niet te laten aankomen op een veldslag met de geduchte Spartaanse troepen. Bovendien beschikte Athene over een met 6000 talenten zilver gevulde krijgskas, waar in vredestijd jaarlijks zo’n 1000 talenten bij kwamen. De Atheense generaal-politicus “Perikles had de oorlog goed voorbereid”, schrijven twee Nederlandse oudhistorici in een veelgebruikt handboek voor eerstejaarsstudenten.
Verhoorscène uit “The Passion of the Christ” (20th Century Fox)
Misverstand: De joden riepen “Zijn bloed kome over ons en onze kinderen”
De affaire-Goeree in 1985 is een beruchte botsing tussen jodendom en evangelisch christendom, waarbij het predikantenechtpaar Lucas en Jenny Goeree op ramkoers kwam te liggen met het jodendom en vrijwel alle christelijke kerken. De aanleiding was dat ze de woorden “zijn bloed kome over ons en onze kinderen”, die een groep Joden zouden hebben geroepen tijdens het proces tegen Jezus van Nazaret, uitlegden als een wenszin en betrokken op de Holocaust.
Ze waren niet de eersten die zulke dingen beweerden, maar de rel was ongekend heftig. Een herhaling vond plaats in 2004, toen bleek dat Mel Gibson de woorden opnam in zijn film The Passion of the Christ. De Nederlandse distributeur vond toen een elegante oplossing door ze in de ondertiteling onvertaald te laten, maar het is zinvol de kwestie nog eens te bespreken, in de hoop dat ze nooit meer opduikt.
Wat dit beeld van Jacquel Brel in Brussel te maken heeft met de hangende tuinen van Babylon, ontdekt u aan het einde van dit blogje.
Misverstand: In Babylon waren Hangende Tuinen
Terwijl in Italië en Griekenland de eerste steden ontstonden, werden de oeroude steden van het Nabije Oosten verenigd in één wereldrijk, dat aanvankelijk werd bestuurd door de Assyriërs uit het noorden van Irak, en na 612 door de Babyloniërs, die leefden aan de benedenloop van de Eufraat en de Tigris. Hun hoofdstad Babylon gold als de culturele hoofdstad van het oude Nabije Oosten. Sommige monumenten zijn beroemd geworden, zoals de stadspoort die tegenwoordig staat in het Vorderasiatisches Museum in Berlijn of de negentig meter hoge tempeltoren die was gewijd aan de oppergod Marduk: de “Toren van Babel”. Niet minder fameus zijn de Hangende Tuinen die koning Nebukadnezar II (r. 605-562) zou hebben laten bouwen voor zijn koningin, een jonge vrouw uit het huidige Iran die terugverlangde naar de bergen van haar vaderland.
Deze tuinen worden genoemd door verschillende Griekse auteurs: de geograaf Strabon, de historicus Flavius Josephus, de ingenieur Filon van Byzantion en Kleitarchos, die een biografie schreef van Alexander de Grote. Dat boek is verloren gegaan maar wordt geciteerd door de Siciliaanse historicus Diodoros en diens Romeinse collega Curtius Rufus. Bronnen genoeg dus. Het beeld dat we krijgen is dat van een tuinencomplex van anderhalve hectare groot, even hoog als de stadsmuren en rustend op zware fundamenten van natuursteen.
James Irwin (links) zocht op de verkeerde berg naar de Ark van Noach
Misverstand: De Ark van Noach liep aan de grond op de berg Ararat
Elke antieke beschaving kende mythen over het ontstaan van de wereld. In het Babylonische scheppingsverhaal Enuma Elisj werden fasen van opbouw afgewisseld door fasen van verwoesting. Het bekendste voorbeeld van zo’n verwoestingfase is de grote overstroming die een einde maakte aan de pas geschapen mensheid. Alleen de opvarenden van een wonderbaarlijk schip overleefden. De populaire mythe werd al in het derde millennium opgeschreven en werd eindeloos doorverteld. Zo kwam ze terecht in Griekenland, op het Arabisch Schiereiland en in Judea, waar het verhaal werd opgenomen in de Bijbel.
Sommige moderne gelovigen hebben zó veel respect voor hun heilige boek, dat ze in het oosten van Turkije op zoek zijn gegaan naar de restanten van het grote schip, de Ark van Noach. James Irwin (1930-1991), de piloot van de maanlander van de Apollo-15, organiseerde verschillende expedities, zonder iets te vinden; Ron Wyatt (1933-1999) claimde meer succes en zou bij andere gelegenheden ook nog de Toren van Babel, Sodom en Gomorra alsmede de Ark van het Verbond hebben weten op te sporen. Zo zijn er miljoenen dollars besteed aan de zoektocht naar een scheepswrak op de berg die tegenwoordig wordt aangeduid als Ararat. En dat is de verkeerde plek. De Bijbel noemt namelijk geen berg met die naam.
Misverstand: Vespasianus’ laatste woorden waren dat hij vreesde een god te worden
Goede Romeinse keizers werden na hun dood vereerd als goden, en het oordeel of iemand goed had geheerst was vooral afhankelijk van de vraag of hij een zoon had die hem als keizer zou opvolgen en de vergoddelijking er bij de Senaat zou doordrukken. Omdat keizer Vespasianus (r.69-79) een zoon had, Titus, kon hij er zeker van zijn dat na zijn dood aan hem zou worden geofferd. Hij zou zijn gestorven met de geslaagde grap dat hij vreesde een god aan het worden te zijn.
Twee verregende re-enactors in een lorica segmentata
Misverstand: Alle legionairs droegen een lorica segmentata
Het meest zichtbare aspect van de macht van de Romeinse keizer was het leger, waarover ontzettend veel bekend is uit enkele militaire traktaten, tientallen brieven, honderden inscripties en ontelbare archeologische vondsten. We kennen de rangen, de regimentsgeschiedenis van de legioenen, de militaire bases, de bewapening en de voornaamste campagnes, en we zijn ook tot in detail op de hoogte van zaken als soldij en training. In feite is er, tot de zestiende eeuw, geen leger geweest waarvan we zoveel weten. Zo voelen de Romeinse legioenen bijna vertrouwd aan.
En dat is ook het probleem, want al snel ga je te modern denken. Hedendaagse legers kennen eenheid van tenue: alle soldaten dragen hetzelfde uniform. Het is verleidelijk te denken dat dit in de legioenen ook zo was. Dat komt overigens niet uitsluitend door het moderne voorbeeld, maar ook doordat mensen eeuwenlang alleen bij passiespelen – toneelstukken over Jezus’ laatste dagen – zagen hoe een Romeinse soldaat eruit zag, en de kostuummakers vaak hetzelfde patroon gebruikten om verschillende acteurs te kleden.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.