Honorius op een gouden medaillon, gevonden in Velp (Collectie De Nederlands Bank)
[Vandaag bestaat de Mainzer Beobachter vijftien jaar, en ik plaats vijftien blogjes over vijftien voorwerpen uit de vijftiennoot Vandaag zijn Holland en Vlaanderen elk weer één gewest. Nederlandssprekende provincies.]
Velp
Zo’n veertig jaar geleden was in Nijmegen – en ik denk dat dat nog is geweest in het oude Museum Kam – een expositie over archeologische schatten die echt schatten waren. Dus kostbare voorwerpen die waren begraven omdat ze een grote en blijkbaar bedreigde waarde vertegenwoordigen. Hoewel de archeoblabla niet moe wordt n’importe welke vondst aan te duiden als schat, zijn slechts enkele vondsten werkelijk zo te typeren.
Afgelopen zaterdag werd in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden het boek Rome en de Lage Landen van de Belgische historicus, archeoloog en museumdirecteur Robert Nouwen ten doop gehouden. Dat is een heel belangrijk boek: de eerste synthese over dit onderwerp in een halve eeuw. Ik heb vorig jaar opgetreden als meelezer van het manuscript, en mocht bij de presentatie een toespraakje houden. Uiteraard deed ik dat maar wat graag. Dit is wat je noemt: de eer hebben iets te mogen doen.
Maar er was een probleem. Al vóór de presentatie waren verschillende mensen verbijsterd over het bescheiden karakter van de presentatie. Iemand noemde de locatie een “derderangszaaltje”, en inderdaad: de Tempelzaal in het museum had meer voor de hand gelegen dan de Trajanuszaal. We hadden ook kunnen uitwijken naar de Waalse Kerk. Bij een zo belangrijk boek beleg je een symposium met een dozijn hoogleraren uit binnen- en buitenland. Je nodigt het NOS-journaal uit en de koning, die immers de bekendste historicus van Nederland is, en die ook het eerste exemplaar aannam van de Wereldgeschiedenis van Nederland. Wij oudheidkundigen zijn toch niet minder dan andere historici?
[Tweede deel van een blog over het belang van Museum Dorestad in Wijk bij Duurstede. Het eerste was hier.]
En de Germanen dan?
Hier zijn echter vraagtekens te plaatsen. Al vanaf de vroege zestiende eeuw staan in het Nederlandse geschiedbeeld de Germanen centraal. Het hertogdom Gelre, al snel gevolgd door de Republiek, identificeerde zich met de Bataven; de bewoners van de noordelijke gewesten noemen zich nog altijd Friezen; een krant uit Twente noemt zich Tubantia; tal van gemeentes beschikken over Chamavenstraten, Frankenwegen of Saksenlanen; er is een ware industrie van Batavia’s, Batavi Droogstoppels, Batavus-fietsen en Batavier-bieren.
Vreemd is deze identificatie met het Germaanse verleden niet: het Nederlands stamt immers af van het Frankisch, het christendom kwam hier aan in de Frankische tijd, de oudste laag van onze literatuur stamt uit die tijd en de Rotterdamse havens gaan via Dordrecht terug op – daar zijn we! – het Frankische Dorestad. Nederland wortelt in een Germaans verleden, maar dat verleden heeft een dubbele handicap, namelijk dat het enerzijds moeilijk beleefbaar valt te maken (wie van u bezocht Erve Eme in Zutphen?) en anderzijds nogal unzeitgemäβ is in het zich verenigende Europa.
De laatste keer dat er een fatsoenlijk Nederlandstalig overzichtswerk verscheen over de Lage Landen in de Romeinse tijd was in 1981: De Romeinen in Nederland van Wim van Es. En dat was een herdruk. Er zijn sindsdien boeken verschenen over deelaspecten; feitelijk is het boek van Van Es eveneens een boek over een deelaspect. Zelf heb ik ook eens iets geschreven, maar het is niet moeilijk te erkennen dat De randen van de aarde en De rand van het Rijk niet de volwaardige syntheses zijn die we nodig hebben. Des te blijer ben ik dat me onlangs een lijvig manuscript werd toegestuurd van iemand die de Belgische en Nederlandse archeologie overziet én weet hoe een bron te lezen. Ik kreeg het verzoek te zien of er zaken ontbraken, en voor zover ik momenteel overzie, is dat niet het geval. Er is iets moois op komst.
Toch stuitte ik op iets wonderlijks: de rivier de Sabis, waar Julius Caesar in 57 v.Chr. de Nerviërs versloeg, zou “wellicht” de Selle zijn. Akkoord, alle kennis is voorlopig en je kunt iedere bewering daarom clausuleren met “wellicht”. En ja, topografische identificaties zijn lastig. Ik blogde al eens over de simplistische aanname dat de Drususgracht lag in Nederland en ik schreef een boek over de onmogelijkheid te bepalen waar Hannibal over de Alpen trok. Maar in het geval van de Sabis is er redelijke zekerheid.
Het tempeltje van Taffeh in het Rijksmuseum van Oudheden (Leiden)
Een paar weken geleden zat ik met iemand van de Leidse universiteit in het restaurant van het Rijksmuseum van Oudheden te praten over mijn komende boek. In Oudheidkunde is een wetenschap vertel ik waar momenteel de dynamiek zit in de oudheidkundige vakken. Denk aan ecokritiek, denk aan de gevolgen van bredere prospectie, denk aan digitale paleografie en denk aan de DNA-revolutie. Bij dit boek heb ik regelmatig advies nodig. Mijn gesprekspartner en ik hadden het over de wijze waarop een oudheidkundige een antiek denkbeeld reconstrueert, constateert dat wij over zo’n onderwerp anders denken, voor dat verschil een verklaring zoekt en zo aan inzicht wint in zowel de antieke als de eigen cultuur. Anders gezegd, we hadden het over de vertaalslag die bekendstaat als hermeneutiek: de kunst om culturen te begrijpen. De gedeelde methode van de geesteswetenschappen.
Toen begon de lichtshow. Dat is een klank-en-licht-presentatie, waarbij mooie beelden op de tempel van Taffeh worden geprojecteerd en een luide stem de mensen in het museum verwelkomt. Omdat ons gesprek werd overstemd en we elkaar niet meer konden verstaan, haalden mijn gesprekspartner en ik een nieuwe kop koffie, berustend in het feit dat de komende minuten waren bedoeld voor mensen die voor het eerst in een oudheidkundig museum komen.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.