Het standbeeld van Ambiorix in Tongeren. Ik zeg dit er voor de zekerheid even bij: dit is dus een negentiende-eeuwse reconstructie. De held der Belgae zal in het echt niet hebben geleken op een pakje Gauloises of zijn gaan staan op een hunebed uit de tijd van de Trechterbekercultuur.
Misverstand: Ambiorix’ standbeeld stelt eigenlijk Vercingetorix voor
Er bestaat nog een ander misverstand rond Ambiorix in Tongeren. De auteur van dit boekje heeft verschillende keren horen vertellen dat het standbeeld eigenlijk Caesars laatste Gallische tegenstander Vercingetorix voorstelt. De Fransen zouden het beeld niet meer nodig hebben gehad nadat ze een groter standbeeld voor hun held hadden opgericht in Alesia, waar Caesar Vercingetorix en de Galliërs definitief versloeg. Nu ze iets indrukwekkenders hadden, zouden de Fransen het kleine beeld maar hebben verkocht aan de Belgen.
Misverstand: Ambiorix versloeg de Romeinen bij Tongeren
Het standbeeld in het stadscentrum van Tongeren mag er zijn. Het is een stoer besnorde Ambiorix, die als leider van de Eburonen in de herfst van 54 v.Chr. het Veertiende Legioen van Julius Caesar vernietigde. Caesar noemt de plaats waar het gebeurde Atuatuca, en omdat dit ook de naam was die Tongeren in de Romeinse keizertijd droeg, heeft men die stad lang aangewezen als de plaats waar de legionairs ten onder waren gegaan.
Ten onrechte. In Tongeren ontbreekt elk spoor van Romeinse aanwezigheid vóór pakweg 30 v.Chr. en hoewel absence of evidence niet onmiddellijk evidence of absence is, wordt het dat wel als er na veel opgravingen nog altijd niets is gevonden. De plaats van Ambiorix’ overwinning wordt tegenwoordig dan ook elders gezocht.
[Vandaag een bijdrage over voetbal van een van de vaste gasten in de reageerpanelen van deze blog: Dirk Zwysen uit Antwerpen.]
Trouwe lezers van dit blog knipperen niet meer met de ogen als ze lezen over meervoudige attestatie, seriatie, isotopenonderzoek en het vermoedelijk verzonnen woord röntgenfluorescentiespectrometrie (kom nou). Allemaal zeer rationele manieren om licht te werpen op de Oudheid. Maar hoe betrouwbaar ook, deze methoden schieten tekort als we de Oudheid willen ervaren. Hoe was het om naar de wagenrennen te gaan en de roden te zien winnen? Hoe voelde het als een triomftocht passeerde? Wat ging er door het hoofd van de hoplieten bij Marathon? Voor zulks einfühlen trekt een beetje onderzoeker naar de voetbal (door Nederlanders foutief het voetbal genoemd).
Nu dient men zich uiteraard niet te begeven naar het eerste het beste stadion, maar naar een authentieke voetbaltempel. In de Lage Landen is uw beste optie een bezoek aan het Bosuilstadion in Antwerpen, de thuisbasis van de Royal Antwerp FC.
De godin Bendis op een panter (Rogozen-schat, Archeologisch museum, Vratsa)
De expositie die ik vanmorgen beschreef, “Racines, les civilisations du Bas-Danube” in het Grand Curtius-museum in Luik, is het oudere zusje van de tentoonstelling “Dacia Felix” in het Gallo-Romeins museum in Tongeren. Waar het verhaal in Luik eindigt in de Vroege IJzertijd, daar neemt Tongeren de draad op door de geschiedenis van het Beneden-Donau-gebied te vertellen van de Late IJzertijd tot en met de Romeinse onderwerping van wat destijds Dacië heette.
Het is het verhaal van allerlei volken die naar de regio trokken en een gedeelde kunststijl hadden, met allerlei diermotieven. De Thracische stam der Geten stamde af van de eerste golf van Indo-Europese bewoners, die in het vierde en derde millennium v.Chr. westwaarts waren gekomen vanuit het huidige Oekraine; de Grieken arriveerden in de zevende eeuw op Zwarte Zee-kust; de Skythen behoorden tot een meer oostelijke groep Indo-Europees-sprekenden en trokken in de zesde eeuw vanuit Centraal-Azië richting Karpaten; de Kelten zakten ergens in de vierde eeuw v.Chr. vanuit het westen de Donau af. Uit dit alles ontstond het volk van de Daciërs, dat in de vroege tweede eeuw na Chr. door de Romeinse keizer Trajanus werd onderworpen. De huidige taal van de regio, het Roemeens, stamt af van het Latijn.
De Franken waren een federatie van stammen die woonden in het gebied dat we nu Overijssel en Drenthe noemen, en ook in het Roergebied en Nordrhein-Westfalen. Beide groepen werkten samen met de Romeinen, maar voerden er ook oorlog tegen. Er is weleens op gewezen dat de oostelijke groep wat agressiever lijkt te zijn geweest dan de noordelijke, maar één extra bron kan dat beeld veranderen.
Feit is dat de Franken vanaf de jaren vijftig van de derde eeuw de Rijn weleens overstaken en dat keizer Postumus rond 265 na Chr. een lijn versterkingen aanlegde om de grote weg door Belgica te beveiligen. Die weg begon in Boulogne en leidde via Amiens, Bavay, Tongeren, Heerlen en Jülich naar Keulen en wordt vanouds aangeduid als de Chaussée Brunehaut. (Dat ’ie tegenwoordig Via Belgica moet heten, is een deprimerend ander verhaal.) In elk geval: het was een belangrijke weg die verdedigd moest worden, want ten zuiden van deze straat lagen op de vruchtbare lössgronden de grote landgoederen waar graan werd verbouwd voor steden als Keulen en de forten langs de Rijn.
Gisteren had ik het over Pytheas, die de oudste beschrijving van het kustgebied van de Lage Landen heeft gegeven, en een van u merkte op dat de Belgische geschiedenis dus blijkbaar niet begint met Julius Caesar. Daarop ontspon zich een discussie over “Sjuul de Keizer”. Iemand constateerde dat ouwe Sjuul geen keizer was en daarna kwam de vraag op waarom veel mensen wel denken dat Julius Caesar keizer was.
Eén, als Pytheas niet de oudste beschrijving van het kustgebied van de Lage Landen heeft geboden, is er nog een andere kandidaat voor een voor-Caesarische vermelding, namelijk Xenofon van Lampsakos. Zijn werk, geschreven rond 100 v.Chr., is verloren gegaan maar lijkt allerlei eilanden te hebben beschreven in de zeeën ten noorden van Skythië, zeg maar “barbaars Europa”. Vrijwel alles is, vanuit ons perspectief, verzonnen, maar bedenk dat het antieke waarheidsconcept niet leek op het onze. Dingen golden als waar omdat ze leken op dingen die mensen al kenden en waarvan ze aannamen dat ze waar waren. Plinius de Oudereciteert Xenofon
… dat drie dagen uit de noordelijke kust een eiland van enorme afmetingen ligt, Balcia geheten. Pytheas noemt het “het koninklijke”. Ook de Vogeleilanden worden vermeld – daar leven de bewoners van vogeleieren en haver – en nog andere eilanden, waar mensen met de hoeven van paarden ter wereld komen (zodat ze “Paardenvoeters” worden genoemd). Op weer andere eilanden, die van de Eenenaloorders, bedekken gigantische oren de verder naakte lichamen van de bewoners.
Evangeliarium van Notger van Luik (Grand Curtius Museum, Luik)
“Luik, je hebt Christus te bedanken voor Notger,” schrijft Notgers anonieme biograaf, “en je hebt Notger te bedanken voor al het overige.” Daarmee zei de auteur van de Vita Notgeri geen woord teveel. Keizer Otto I de Grote had de monnik uit Sankt Gallen in 971 benoemd tot bisschop van Luik en hoewel deze zijn keizer en daarna diens opvolger Otto II, vervolgens regentes Theophanu en tot slot de jonge Otto III altijd loyaal heeft gediend, was hij niet blind voor de belangen van zijn bisdom. In de jaren na de dood van Otto II steunde hij Theophanu door dik en dun, maar wat hij voor haar veroverde, voegde hij vaak toe aan zijn eigen gebieden, zoals Hoei en een deel van de Haspengouw. Hiermee werd hij de grondlegger van wat later het prinsbisdom Luik zou zijn. In zijn hoofdstad bouwde hij diverse kerken, een paleis en een omwalling.
De man was creatief. Een mooi verhaal – ik sta niet in voor de betrouwbaarheid – is dat over de belegering van het bergfort Chèvremont (bij Chaudfontaine), waar hij zijn tegenstanders een gevechtspauze toestond in verband met een bevalling. De volgende dag vroegen die tegenstanders hem of hij dan de doop wilde komen verzorgen, want ze erkenden weliswaar zijn wereldlijke gezag niet, maar hij was wel de hoogste aanwezige geestelijke. Notker stemde in en toog naar de burcht met een grote groep monniken, die bij nader inzien soldaten bleken te zijn, waarmee hij het garnizoen al snel had overmeesterd.
Luik is niet alleen Luik. Wie vanaf Maastricht langs de Maas naar de grote Waalse stad reist, rijdt eigenlijk al vanaf de grens langs de eindeloze industrieterreinen en bedrijvenparken. Dit is een van de grootste economische knooppunten van Noordwest-Europa. Dat was al zo in de negentiende eeuw en om er zeker van te zijn dat de strategisch belangrijke zone in oorlogstijd Belgisch zou blijven, kreeg Luik na 1887 een gordel van twaalf forten, die de stad moesten beschermen als Duitsland en Frankrijk ooit nog eens ten oorlog zouden gaan en de neutraliteit van België zouden negeren.
Toen het er in 1914 op aankwam, bleken de Duitsers de zwakten van de reeks te kennen. Ze vielen langs verschillende kanten aan, kenden het gat in de reeks (langs de Maas) en op 7 augustus, drie dagen na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, capituleerde Luik. Daarna werden de forten van binnenuit de cirkel aangevallen. Daar waren ze niet op ontworpen, maar de forten hielden het desondanks nog zes dagen uit, ondanks de inzet van het allerzwaarste veldgeschut dat de wereld tot dan toe had gezien, de Dikke Bertha.
In Karelië in het oosten van Finland schijnt een plek te zijn die “Stalins vinger” heet. Volgens de moderne legende legde de tiran, toen de grens in 1940 werd getrokken, zijn hand op de landkaart, zodat degene die de grens aan het intekenen was, er met de pen omheen moest. Het plaatje hierboven toont de Duits-Belgische grens en toont, zoals u ziet, ook zo’n vreemde en onlogische vorm. Daar moest ik het mijne van weten en toen ik vorige week toch naar Aken moest, ben ik er dus heen gefietst.
Dat was makkelijker gezegd dan gedaan, want (a) ik moest de Vaalserberg op en (b) er was geen weg naar deze “vinger”. Er is wel een onregelmatig bospad dat langs de grens loopt, zodat ik in feite nogal aan het cross-country cycling was. Wat ook wel weer eens leuk is op je vierenvijftigste. Voorbij het stuk voorbij de Duitse “vinger” in België was het bospad trouwens meer de bedding van een beekje. Maar goed, ik kwam er en de vinger bleek een weilandje te zijn.
Zoals Vladimir Majakovski al schreef en zoals de Talking Heads al bezongen, is de hemel slaapverwekkend saai. Het zal u dus niet verbazen dat le bon Dieu zich af en toe verveelt. Van zijn kant heeft de duivel, die altijd maar mensen moet straffen, daar zo nu en dan ook weleens tabak van. Allebei gaan ze dus weleens een blokje om en omdat de eeuwigheid oneindig lang is, was onvermijdelijk dat ze elkaar een keer tegenkwamen. Ze knoopten een praatje aan en God stelde voor dat ze, om wat afleiding te hebben, eens een partijtje zouden dammen.
“Maar we hebben geen schijven!”, wierp de duivel tegen, die professioneel nou eenmaal op al het positieve negatief moet reageren.
God wist raad. “Als we daar nu eens zwartbonte koeien voor nemen!” Zonder veel moeite vonden ze wat dieren zonder witte vlekken op de kop, zodat ze goed waren te onderscheiden van de witte speelstukken, waarvoor ze schapen namen.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.