Storm op zee

Papyrus 𝔓45

Een van de allerbekendste verhalen uit het Nieuwe Testament, het onderwerp waarover ik op zondag graag blog, is dat over de storm op zee. Of beter: het Meer van Galilea, een plas zoet water van 166 vierkante kilometer, zo groot als de gemeente Amsterdam. Hier is de versie van de evangelist Marcus.

Toen het avond was geworden, zei hij tegen hen: “Laten we het meer oversteken.” Ze lieten de menigte achter en namen hem mee in de boot waarin hij al zat, en voeren samen met de andere boten het meer op.noot Marcus 4.35-36; NBV21.

Dit is meteen interessant. In de eerste vier hoofdstukken van het Marcusevangelie hebben we alleen gelezen over Johannes de Doper en over Jezus’ prediking in Galilea. Jezus verlaat Galilea nu en zal aankomen bij Gadara, en daarmee is hij weg uit het land van Israël. Hij verlaat als het ware zijn vaderland. Het zal geen enkele antieke luisteraar hebben verbaasd dat er een storm opstak: een gangbaar literair motief. Neem Herodotos: als de Perzische koning Kambyses een leger stuurt naar de vreemde wereld der Libiërs, verdwijnt het in een storm; als zijn opvolger Darius een vloot stuurt naar de wereld van de Grieken, zinkt die in een storm; en als Xerxes een brug bouwt van Azië naar Europa, wordt ook die verwoest.

Lees verder “Storm op zee” →

Een vaas uit Apulië

Krater uit Apulië (Museum für Kunst und Gewerbe, Hamburg)

Apulië, de “hak” van Italië, is een deel van de oude wereld dat ik niet goed ken. Ik ben er twee keer met de trein doorheen gekomen en een keer met de fiets, en dat is alles. Mijn gebrek aan kennis vreet een beetje, want in allerlei musea heb de wonderlijkste Apulische vazen gezien, zoals de krater (mengvat) hierboven, in het Museum für Kunst und Gewerbe in Hamburg. Zoals wel meer vazen uit Apulië, oogt ’ie wat rommelig.

De Kopenhagen-schilder, zoals kunsthistorici de rond 335 v.Chr. actieve kunstenaar noemen, heeft een aantal motieven los bij elkaar geplaatst. De oren zijn gevuld met twee portretten. Op de nek en hals staan diverse horizontale banden, vervolgens is er een los hoofd in een veld vol vegetatie. Na een band over de buik is er dan een afbeelding van een tempeltje, waarin een naakte krijger is te zien. Aan weerszijden van het tempeltjes staan wat vrouwenfiguren met voorwerpen in de hand, en tot slot is er een effen zwarte voet. Afgezien van de verticale symmetrieas zit er weinig systeem in. Zoals ik al zei: het oogt al met al nogal rommelig.

Lees verder “Een vaas uit Apulië” →

De omtrek van de aarde: Dionysodoros

Ourania, de muze van de sterren- en aardrijkskunde (Archeologisch museum, El-Djem)

Hoe groot is de wereld? Wat is de omtrek van de aarde? Verschillende geleerden hebben zich daar in de Oudheid mee bezig gehouden. De eerste die ik wil noemen, was een sjamaanachtige wiskundige genaamd Dionysodoros van Melos. U weet: een sjamaan is iemand die middels een soort bijna-dood-ervaring komt tot diepere kennis over de werkelijkheid. Die kennis kon aardrijkskundig van aard zijn, zoals we in een eerder blogje zagen, toen ik Aristeas van Prokonessos noemde. Ook Dionysodoros, die mogelijk leefde in de vierde eeuw v.Chr., deelde geografische inzichten. Zijn nabestaanden vonden

in zijn graf een brief, ondertekend door Dionysodoros en gericht aan de mensen in de wereld van de levenden. Daarin stond dat hij vanuit zijn graf was aangekomen aan de onderkant van de aardbol en dat de afstand 42.000 stadiën bedroeg. Geen gebrek aan meetkundigen om de tekst te verklaren: deze brief was vanuit het middelpunt van de aarde verzonden, zeiden zij, wat het verste punt is vanaf de oppervlakte naar beneden en tevens het centrum van de globe. Aan de hand van dit gegeven konden ze de omtrek berekenen en ze verklaarden dat die 252.000 stadiën bedraagt.noot Plinius de Oudere, Natuurlijke historie 2.248; vert. Van Gelder e.a..

Lees verder “De omtrek van de aarde: Dionysodoros” →

Pausanias

Reconstructie van Feidias’ Athena Parthenos (Museumpark Orientalis, Berg en Dal)

Als we het hebben over een wereld waarover we onvoldoende informatie hebben, de Oudheid dus, luidt één van de meest overbodige en meest stuitende clichés – en een cliché dat ik helaas zelf ook wel heb gebruikt – dat over deze of gene auteur weinig bekend is, zodat we alle informatie over diens leven moeten afleiden uit diens werk. De Griek Pausanias is ook zo’n schrijver. Misschien kwam hij uit Magnesia-bij-de-Sipylos (in het westen van Turkije), misschien kwam hij daar niet vandaan. Hij was misschien al in de vijftig toen hij begon te schrijven aan het werk dat bekendstaat als Gids voor Griekenland, misschien ook niet. Wellicht was hij tevens arts, wellicht ook niet. Vermoedelijk heette hij Pausanias, maar zelfs dat is niet helemaal zeker.

Erg belangrijk is de auteur vanzelfsprekend niet. Het gaat om wat ’ie te vertellen heeft, en dat is gelukkig heel interessant. Vooral omdat hij ons informeert over een wereld waarover we veel te weinig informatie hebben.

Lees verder “Pausanias” →

Hesiodos en het Lied van Kumarbi

Zeus (Nationaal museum, Athene)

Op naam van de archaïsche Griekse dichter Hesiodos, die u zo rond 700 v.Chr. moet plaatsen, zijn twee grote leerdichten overgeleverd: om te beginnen Werken en dagen, een schitterend gedicht over het dagelijkse management van een boerderij (en ja, dat onderwerp sluit allerminst uit dat iemand er mooi over schrijft), en daarnaast de Theogonie (“geboorte der goden”), een overzicht van alle goden en hun onderlinge conflicten, in het Nederlands vertaald door Ronald Blankenborg.

De Theogonie

We horen over hoe uit de oorspronkelijke chaos twee goden zijn voortgekomen, namelijk Ouranos en Gaia ofwel Vader Hemel en Moeder Aarde. Dit kosmische paar krijgt verschillende kinderen, waaronder de graangod Kronos, die jaloers is op de macht van zijn vader. Gaia heeft zo haar eigen redenen om een afkeer te hebben van Ouranos, en zij zet haar kinderen op tegen hun vader. Kronos neemt het voortouw bij de aanslag en overmeestert Ouranos, die hij met zijn graansikkel castreert.

Lees verder “Hesiodos en het Lied van Kumarbi” →

Sjamanisme

Detail van een kruikje uit de schat van Sânnicolau Mare; mogelijk een sjamaan in extase (Nationaal Museum, Boedapest)

Je begroef graankorrels in de aarde en in het voorjaar ontstonden daaruit grote halmen. De overstromende rivier bracht de dood over de uiterwaarden, maar in het voorjaar was de vallei vruchtbaar. Je gooide dode bladeren, maaisel, schillen en ander afval op de composthoop, en na verloop van tijd werden daaruit maden en wormen geboren. Moderne biologen denken er anders over, maar het was niet onlogisch dat men in de Oudheid dacht dat nieuw leven alleen kon ontstaan uit de dood en dat de twee onlosmakelijk met elkaar samenhingen.

Er waren feitelijk twee werelden: die van de levenden en die van de doden. Soms maakten ze contact: het is vooral mooi gedocumenteerd in de Keltische verhalen, maar alle volken hadden gedenkdagen waarin de doden even wat dichterbij waren. De Romeinen kenden bijvoorbeeld de Lemuria, waarbij ze rituelen uitvoerden om niet tot rust gekomen doden te verdrijven uit de woonhuizen. Daarnaast waren er religieus specialisten die de oversteek van de ene naar de andere wereld konden maken; onderzoekers noemen hen sjamanen.

Lees verder “Sjamanisme” →

De zevende hemel

De tien manichese hemels

Zoals gebruikelijk blog ik op zondag over de Grieks-Romeins-Joodse wereld van het Nieuwe Testament, en vandaag moet dat maar eens gaan over het wonderlijke idee dat er boven de aarde diverse hemels zijn. Zo schrijft de apostel Paulus in zijn Tweede Brief aan de Korintiërs:

Ik ken een volgeling van Christus die veertien jaar geleden tot in de derde hemel werd weggevoerd – in zijn lichaam of buiten zijn lichaam, dat weet ik niet, dat weet God alleen. Maar ik weet dat deze man …   werd weggevoerd tot in het paradijs en dat hij daar woorden hoorde die geen mens kan en mag uitspreken.noot 2 Korintiërs 12.2-4; NBV21.

Lees verder “De zevende hemel” →

Antieke woorden voor “lezen”

Een Romein zit te lezen (Landesmuseum, Trier)

Onlangs verscheen op deze plek een stukje over het al dan niet stil lezen in de Oudheid. Ik legde daarin uit dat de negentiende-eeuwse theorie dat men in de Oudheid vrijwel uitsluitend hardop las, inmiddels is verlaten: we weten inmiddels dat er wel degelijk ook stil werd gelezen – al moest je die vaardigheid dan natuurlijk wel beheersen. De voordelen van stil lezen zijn, en dat besefte men in de Oudheid ook, dat het sneller gaat en je je beter op de tekst kunt concentreren. De Griekse astronoom Claudius Ptolemaeus (87 – na 150 n.C.) schrijft bijvoorbeeld:

Als we ons bij het lezen moeten concentreren, lezen we in stilte. (Judic. 5.2)

Lees verder “Antieke woorden voor “lezen”” →

De Korè van Lyon

De korè van Lyon (Musée des Beaux-Arts, Lyon)

Kijk, dit is nou leuk. Tweemaal. Ik bedoel het bovenstaande beeld, dat ik vorige maand heb gefotografeerd in het Musée des Beaux-Arts in Lyon. Het stelt een vrouw voor en als u eens een boek over Griekse kunstgeschiedenis hebt gelezen, weet u dat kuntshistorici dit type standbeeld aanduiden als een korè, “meisje”. Archeologen moeten er honderden hebben gevonden, zoals ze ook honderden kouroi hebben gevonden, “jongens”. De meeste dateren uit de zesde eeuw v.Chr., en altijd zijn het staande figuren die je frontaal aankijken. Ze hebben altijd één voet iets naar voren; de jongens zijn naakt, de meisjes gekleed. Ze zijn vrij nauwkeurig te dateren aan de hand van de amandelogen, de glimlach en (bij de kouroi)  de klutsknieën. Dit meisje is uit steen gehouwen tussen 540 en 520 v.Chr. Ze heeft als offerande een duif in de hand.

Het eerste wat leuk is aan dit beeld, is dat het is gemaakt van een marmersoort die werd (en wordt) gewonnen bij Athene, en dat de wijze waarop de kunstenaar het lichaam heeft afgebeeld, eveneens duidt op een Atheens atelier. Maar Atheense korai dragen meestal een lange wollen peplos, terwijl deze korè een linnen chiton draagt. Dat kledingstuk was populair in de Griekse steden in het westen van het huidige Turkije; anders gezegd, we hebben een oosterse invloed.

Lees verder “De Korè van Lyon” →

Alexander de Grote in Pamfilië

Syllion

In het vorige blogje vertelde ik hoe Alexander de Grote in de eerste maanden van 333 v.Chr. langs de Lycische kust was getrokken. Na deze tocht kwamen de Macedoniërs aan in Pamfylië, een uitgestrekte vlakte in het zuiden van Turkije, die in het voorjaar even groen is als Holland of Vlaanderen. Net als de Grieken woonden de Pamfyliërs in met elkaar rivaliserende steden en ook hier gold dat de vijand van je buurman je vriend is. Anders gezegd: Alexander belandde in een politiek wespennest.

Het wespennest

Door zich te verbinden met het Lycische Faselis haalde hij zich een conflict op de hals met Termessos, en dat leidde er weer toe dat de Pamfylische stad Perge zich bij de Macedoniërs aansloot, wat op zijn beurt tot gevolg had dat die als vijanden werden beschouwd door de bewoners van Syllion en Aspendos. Met diplomatieke middelen zette Alexander de situatie naar zijn hand. Althans, dat dacht hij.

Lees verder “Alexander de Grote in Pamfilië” →