Zomaar een griffioen die u tegen kunt komen in Tunesië (Museum El-Djem)
U hoeft niet verder te lezen; wat nu volgt is slechts reclame. Het is echter niet alleen omdat mijn schoorsteen moet roken. Ik heb voor Home Academy een cursus gemaakt over de Libanese geschiedenis, waarover u hier meer informatie vindt. Door bemiddeling van Cordaid gaat de opbrengst rechtstreeks naar Catholic Relief Services, een hulporganisatie in Libanon. Die ondersteunt momenteel Palestijnse en Syrische vluchtelingen, mensen die hun huis bij de ontploffing in Beiroet zijn verloren en mensen die door Israëlische bombardementen dakloos zijn geworden. Als u geen zin hebt om naar mijn cursus te luisteren, kunt u ook daar doneren.
Reizen
Dan: ik verzorg in het najaar een reis naar Tunesië. Dat is een tof land, waar ik al een paar keer ben geweest. We bezoeken onder andere Karthago en talloze Romeinse opgravingen. Welke? U leest het daar. Meer informatie over de reis naar Tunesië vindt u hier.
Vanaf volgende week ligt Goden en halfgoden in de winkel, de eerste Nederlandse vertaling van de fragmenten van de Fenicische Geschiedenis van de Fenicisch-Grieks-Romeinse auteur Filon van Byblos. De vertaler is Hein van Dolen, dus dat is allemaal tiptop voor elkaar, en ik ben degene die de vertaalde fragmenten probeert uit te leggen. Nu is Filon een volstrekt onbekende auteur. Ik was nét begonnen dit blogje te schrijven toen een bekende oudheidkundige me belde, en die vertelde me tussen neus en lippen door nog niet eerder van Filon (en Berossos) te hebben gehoord. Waarom verdient Filon wat meer aandacht?
1
De overgeleverde fragmenten documenteren de mythen die ooit circuleerden in Kanaän en Fenicië. Dit is de wereld waarin het jodendom is ontstaan, en Filon helpt begrijpen tegen wie de eerste monotheïsten zich afzetten. Misschien niet heel vaak, maar het is in elk geval informatie die afkomstig is van een auteur die nog niets wist van het rabbinaat. Dat is een ongebruikelijk en daarom belangrijk perspectief.
Binnenkort verschijnt mijn boek over Filon van Byblos, een auteur uit de Romeinse tijd die in het Grieks schreef over de Feniciërs. Dat spel met identiteiten is leuk, en de door hem navertelde mythen werpen licht op allerlei interessante zaken. Dus ik denk dat het een boeiend boek is, al is het misschien iets voor fijnproevers. De relevante fragmenten zijn bovendien vertaald door Hein van Dolen, dus het is zeker leuk. U bestelt het boek hier.
Berossos
Maar ik wil het over Filon niet te lang hebben. Hij was namelijk niet de enige antieke auteur die “zijn” volk voorstelde aan het Griekstalige publiek. Flavius Josephus deed het voor de Joden en Manethon deed het voor de Egyptenaren. En Berossos deed het voor de Mesopotamiërs.
In het vorige blogje legde ik uit hoe de politieke landkaart van Judea en omgeving er in de nieuwtestamentische tijd uitzag. Wat van mensen woonden hier nu? Ik denk dat wij dat eigenlijk niet goed begrijpen kunnen. Dat komt ten dele doordat niet iedere gemeenschap een politieke chroniqueur had als Flavius Josephus, of religieuze literatuur als het Nieuwe Testament, de Dode Zee-rollen of de Mishna. Maar even wezenlijk is dat wij zijn geconditioneerd door de nationale staat:noot Ik krijg dat lelijke anglicisme “natie-staat” dat de laatste jaren zo populair aan het worden is, almaar niet uit mijn pen. het idee dat in één land één door zijn taal gedefinieerd volk woonde met één min of meer dezelfde cultuur. Wij zijn slecht voorbereid op de pluriformiteit van de toenmalige wereld.
Tegenstellingen
Binnen de Herodiaanse rijken waren bijvoorbeeld joodse delen, met Jeruzalem als bekendste voorbeeld, maar ook hellenistische steden als Caesarea, Samaria, Sepforis, Tiberias en Panias. Op het platteland lijken mensen waarde te hebben gehecht aan joodse gebruiken, maar dat wilde niet zeggen dat ze geen kritiek hadden op de Tempel. (Het wil ook niet zeggen, trouwens, dat wij moeten denken dat we ze kunnen begrijpen vanuit het latere rabbijnse jodendom – een fout die nogal eens wordt gemaakt.) Omgekeerd leefden er joodse groeperingen buiten wat wij instinctief geneigd zijn te beschouwen als een joods gebied. Het kan niet vaak genoeg benadrukt worden dat Jeruzalem, welke pretenties de stad ook had, niet de enige tempel voor Jahweh was.
Georg Heinrich Pertz (1795-1876) was niet zomaar een historicus. Hij was de directeur van de Monumenta Germaniae Historica, een reeks met alle op Duitsland betrekking hebbende teksten uit de Oudheid en Middeleeuwen. Iemand met een uitgebreide correspondentie, want regelmatig meldden mensen hem materiaal dat mogelijk interessant kon zijn. Hij keek dus niet op toen hij op 18 oktober 1835 een brief kreeg van een Portugese edelman, João Pereiro, die vertelde dat in het klooster van Santa Maria de Merinhão een manuscript lag met alle negen boeken van de Fenicische geschiedenis van Sanchouniathon in de vertaling van Filon van Byblos.
Dit was spektakel. Er waren immers maar een paar fragmenten van deze tekst bekend. Een complexe tekst, met veel problemen, waarover ik al eerder blogde en waarover Hein van Dolen en ik in 2025 een boek hopen te publiceren. De belangrijkste kwestie is dat Filon van Byblos weliswaar voorgeeft een oeroude Fenicische tekst van ene Sanchouniathon te hebben vertaald, maar dat deze tekst zogeheten euhemerische ideeën bevatte die niet voor pakweg 300 v.Chr. zijn gedocumenteerd. Het is een mystificatie. Evengoed waren de overgeleverde fragmenten interessant genoeg om te doen verlangen naar meer. Pertz zelf had er voor zijn project weinig aan, maar vertelde het aan een krant. Het nieuws was daar.
Friedrich Wagenfeld
In november schreef Pereiro een tweede brief, dit keer naar een hem via een wederzijdse kennis bekende jonge geleerde, de vijfentwintigjarige Friedrich Wagenfeld uit Bremen. Het ging om in totaal dertien nieuw-ontdekte oude teksten en Wagenfeld kreeg toestemming om delen van de Fenicische geschiedenis alvast te publiceren. De rest kwam later, als de financiën met het klooster waren geregeld. Wagenfeld toog meteen aan het werk. Hij had een patroon nodig en schreef Georg Friedrich Grotefend aan, de man die er als eerste in was geslaagd delen van het Perzische spijkerschrift te lezen. Die wilde zijn gewicht wel in de strijd gooien en bovendien: hij woonde in Hannover, kon ook Pertz erbij betrekken en dan kon het hele project snel naar de uitgever van de Monumenta.
Die winter vertaalde Wagenfeld de delen van het manuscript die hij in handen had gekregen. Al in januari 1836 kon zijn vertaling naar de uitgever. Uit de correspondentie blijkt dat Wagenfeld ook twee middeleeuwse handschriften uit Portugal had ontvangen, die Pertz’ belangstelling hadden.
Terwijl de uitgever het boek zette, schreef Grotefend een enthousiast voorwoord. En zo verscheen in juni 1836 alvast de Duitse vertaling van Sanchuniathon’s Urgeschichte der Phönizier in einem Auszuge aus der wieder aufgefundenen Handschrift von Philo’s vollständiger Übersetzung. Er zat een afbeelding bij van het oorspronkelijke, Griekse handschrift; verder was er commentaar van Wagenfeld. De lezers vonden parallellen tussen de tekst van Sanchouniathon en de Bijbelboeken Genesis en Ezechiël, het werd duidelijk dat er handelscontacten waren geweest met Sri Lanka, en ook de familie van Sanchouniathon kwam in beeld. Hij zou in het midden van de negende eeuw hebben geleefd.
Skepsis
Niet iedereen was echter overtuigd. Als iets te mooi is om waar te zijn, is het immers meestal ook niet waar. Zie in onze tijd het Evangelie van de Vrouw van Jezus. In de negentiende eeuw wist men dat ook. Een van degenen die lont rook, was Franz Carl Movers, die voor die tijd veel wist van het oude Fenicië en in het najaar in het Jahrbuch für Theologie und christliche Philosophie een artikel publiceerde waarvan de titel niets aan duidelijkheid te wensen overliet: “Die Unächtheit der im Eusebius enthaltenen Fragmente des Sanchoniathon bewiesen”.
Movers was niet de enige of eerste criticus. Diverse geleerden wezen erop dat de persoonsnamen in het nieuwe boek allemaal waren te vinden in de in 1835 gepubliceerde Paläolographische Studien über phönizische und punische Schrift van Wilhelm Gesenius, net als Movers een kenner. Een geleerde uit Bremen, Schmidt, had Wagenfeld enkele keren gesproken en had nogal wat inconsistenties in zijn verhaal geconstateerd.
Al in september verscheen bij de uitgever die Wagenfelds vertaling had gepubliceerd een brochure: Die Sanchuniathonische Streitfrage. De auteur beschikte over de twee brieven van Pereiro en acht brieven van Wagenfeld. Wonderlijk genoeg waren die geschreven op hetzelfde papier, hoewel Pereiro toch in Portugal woonde. De auteur van de brochure had ook achterhaald dat er geen klooster van Santa Maria de Merinhão was en dat de naam “Pereiro” wel heel vreemd was – Pereira zou hebben gekund, maar Pereiro, nee. Pikant detail: de auteur van de brochure was de zoon van Grotefend.
Geheime provenance
Hoe zat de vork nu wel in de steel? Was Wagenfeld een vervalser? Hij had de schijn tegen, maar dat hij brieven had vervalst, wilde natuurlijk niet zeggen dat ook het Griekse manuscript dat hij zei te hebben vertaald, niet bestond. Philip Christiaan Molhuysen, de directeur van het Athenaeum in Deventer, wees er in oktober 1836 in Vaderlandsche letteroefeningen op dat Wagenfeld
… wel eenen Codex onder zich kan hebben, geschreven op parkement omstreeks de 13de eeuw … Wij kunnen ons voorstellen, dat hij met de plaats, van waar, en de wijze, op welke het handschrift in zijn bezit gekomen is, om zeer gegronde redenen, niet voor den dag wil komen, en daarom zoo wel den Overste Pereira en deszelfs brieven, als het klooster … verdicht heeft.
Een geheime provenance is een rode vlag. Hedendaagse academische gedragscodes verbieden de publicatie van gestolen data niet zonder reden. Maar in de negentiende eeuw vonden wetenschappers het niet zo erg erfgoed weg te nemen, dus Wagenfeld had een voor die tijd geloofwaardig voorwendsel.
De afloop
En zo kwam het dat Wagenfeld in 1837 de volledige Griekse tekst, met een Latijnse vertaling kon publiceren: Sanchoniathonis Historiarum Pheniciae Libros Novem. Dit keer niet meer bij de uitgever in Hannover, die zijn handen ervan aftrok, maar in Bremen.
Nu was het Karl Otfried Müller (1797-1840) die in de pen klom – nog zo’n negentiende-eeuwse supergeleerde. En zijn oordeel was vernietigend. Hij wees op een groot aantal fouten, maar was verder opvallend positief. De vervalsing was bewonderenswaardig knap gemaakt, was geschreven in een Grieks dat geloofwaardig leek op dat van Filon en wist de toon van de antieke geschiedschrijvers goed te treffen. En laten we eerlijk zijn: het is grappig om een mystificatie te maken rond een tekst die zelf al mystificatie is.
Friedrich Wagenfeld publiceerde in 1845 nog een onderhoudend Bremens Volkssagen (nog steeds leverbaar) en overleed een jaar later, op 26 augustus 1846, zesendertig jaar oud.
Een van de voordelen van een eigen blog is dat je je volgers nog eens om advies kunt vragen. Ik ben op zoek naar een woord.
Hierboven ziet u een van de beroemdste reliëfs uit de Bronstijd: het stelt de god Baäl voor, de regengod van Ugarit. Hij heeft een knots in de rechterhand en een bliksemschicht in de andere hand. Onder zijn voeten zijn golven, die de verslagen zeegod Yamm weergeven. Het kleine mannetje voor de godheid zal de koning van Ugarit wel zijn, die dit reliëf in de vijftiende eeuw v.Chr. heeft laten vervaardigen en oprichten bij de tempel van Baäl. Daar is dit voorwerp in 1932 opgegraven. Het is nu te zien in het Louvre in Parijs.
Een nieuwe aflevering van de onregelmatig verschijnende reeks faits divers, met deze keer twee boeken.
Romeinse Rijk
Eerst maar eens een boek dat ik al een tijdje geleden heb gelezen: The Roman World from Romulus to Muhammad van Greg Fisher (2022). Het is een nogal traditioneel overzicht van de geschiedenis van – u raadt het al – het Romeinse Rijk. Volmaakt is het niet; de landkaarten hadden stukken beter gekund en de nadruk ligt wel erg op generaals en oorlogen. Grotemannengeschiedenis dus.
Zulke boeken krijgen tegenwoordig soms het verwijt dat ze het patriarchaat steunen en hoewel ik de ratio van die kritiek kan volgen, vind ik een veel fundamenteler probleem dat in dit boek de relatie tussen dieperliggende processen en oppervlakkige evenementen onderbelicht is. Een historicus moet in elk geval de feiten en oorzaken zo intersubjectief mogelijk presenteren; dat resultaat kan dan later een rol spelen in andere, meer politieke discussies.
Misschien herinnert u zich dat ik een tijdje geleden bezig was met Filon van Byblos. Dat is een Grieks schrijvende auteur uit de Romeinse tijd die schreef over de mythen van het oude Fenicië. Zijn driedubbele identiteit is al interessant, net als de Fenicische verhalen. Die documenteren enerzijds een godsdienst die naast het Jodendom heeft bestaan, en anderzijds een tussenschakel was tussen het oude Nabije Oosten en Griekenland. Maar het meest boeiend is hoe die informatie tot ons is gekomen.
Bestond Sanchouniathon?
De zeven fragmenten van Filon van Byblos, die leefde rond 130 na Chr., zijn overgeleverd door de christelijke auteur Eusebios, twee eeuwen later. Misschien heeft die Filon niet zelf gelezen en citeert hij een uittreksel door de filosoof Porfyrios, maar dat laat ik even rusten. Filon claimt nergens dat hij zelf de Fenicische mythen heeft gelezen: hij vertelt alleen maar na wat hij las bij een zekere Sanchouniathon. Die zou hebben geleefd in de tijd van de Trojaanse Oorlog, dus zeg maar rond 1200 v.Chr., en op zijn beurt weer ene Taäutos navertellen.
Het is bizar maar waar: ik bestelde onlangs op zaterdagmorgen een boek bij een uitgever in Parijs, en het was er op maandagavond, tegen een alleszins schappelijk posttarief. Voor het boek betaalde ik ook al een prijs die je vrijwel redelijk zou kunnen noemen. Ik heb het over de nieuwe tekstuitgave van de hellenistische auteur Euhemeros. Het boek, Évhémère de Messène: Inscription sacrée (2022), gaat terug op het proefschrift waarmee Sébastien Montanari in Tours promoveerde bij Bernard Pouderon.
Euhemeros
En het was een feest om te lezen! In een uitgebreide introductie vernemen we de voornaamste biografische details over Euhemeros: hij kwam uit Messina, schreef De heilige inscriptie en sleet begin derde eeuw v.Chr. zijn oude dagen in Alexandrië. Montanari en Pouderon menen dat Euhemeros, zoals deze zelf schrijft, aan het hof van koning Kassandros van Macedonië verbleef en werkelijk een tocht over de Indische Oceaan heeft gemaakt. Dit overtuigde mij niet maar is verder onbelangrijk, omdat het verslag sowieso grotendeels erkende fictie is.
Mot, de antiheld uit het Fenicische scheppingsverhaal (relief uit Ugarit; Archeologisch museum van Aleppo).
U heeft nog ongeveer een week om naar de Byblos-tentoonstelling in het Rijksmuseum van Oudheden te gaan. Misschien is het leuk nog één keer over Byblos te bloggen en daarvoor neem ik nog een citaat uit de Fenicische Geschiedenis van Filon van Byblos. De expositie legt de nadruk vooral op de Bronstijd, wat een perfect te verantwoorden keuze is, maar bij elke keuze vallen dingen overboord. Zoals de aanwijzingen die we hebben voor de godenverhalen die circuleerden.
Aanwijzingen. Méér is het niet. Over Filon heb ik al verteld dat hij een Griekstalige Romein was die schreef over het oude Fenicië. Zijn geschiedwerk bevatte euhemeristische delen, dat wil zeggen dat Filon – op gezag van een eerdere auteur Sanchouniathon? – de goden presenteerde als verdienstelijke stervelingen. Dit is een hellenistische interpretatie van de aloude mythen, maar dat laat onverlet dat die mythen dus wel ouder zijn en kunnen teruggaan op de IJzer- of Bronstijd.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.