Belgrado, een stad met vele gezichten: zonnig, vrolijk, melancholiek, westelijk van het oosten en oostelijk van het westen.
[Tweede van de vier blogjes die Tim Frangias wijdde aan Belgrado. Het eerste was hier.]
Van alle namen die de stad rijk is geweest is Singidun de oudste. Indien we geloof moeten hechten aan de mythe met de topografische duiding uit mijn vorige bijdrage, dan werden Iason, Medea en de Argonauten gastvrij door een Keltische stam, de Singi, ontvangen.
Met deze naam zijn we direct in een historische tijd beland. Het gebied waar de stad Belgrado ligt, werd ooit door de Kelten gedomineerd, die de naam voor hun grondgebied bedachten als een combinatie van het woord singi (cirkel) en dun (nederzetting). Daarom wordt de oudste, geschreven naam van de stad Belgrado (Singidun) geïnterpreteerd als een cirkelvormige nederzetting, of waarschijnlijker nog, een vestingwerk die in deze vorm opgebouwd is.
De splitsing van de Sava (van links naar rechts) en de Donau incl. ‘veliko ratno ostrovo’ (rechts) met aan de overkant Novi Beograd, kijkend richting Surčin en gezien vanaf het fort Kalemegdan.
[Laatste deel van een gastblog van Tim Frangias over Belgrado. Het eerste deel vond u hier en het tweede daar.]
De Donau als paradijselijke rivier: Belgrado en Konstantinopel
Volgens andere legendes is de Donau (zoals de Tigris, Eufraat en Indus) één van de vier rivieren die ontspringen in het paradijs, zodat Belgrado met zijn wallen op een oude plek ligt, omspoeld door een van de hemelse rivieren. Aleksandar Diglič schrijft in Belgrade, The Eternal City het volgende:
Een persoon die bezeten is van fantasie, en er zijn genoeg van zulke types in Belgrado, vertelde mij dat een walnoot die vanuit Belgrado in de Donau wordt gegooid, er negen dagen over zou doen om naar Konstantinopel te drijven. Of dit nu waar is of niet, de waarheid is dat deze twee steden een sentimentele, eeuwenoude relatie hebben die nooit zal worden beëindigd.
De oude binnenstad van Belgrado (Stari Grad) vanaf het fort Kalemegdan gezien, staand bovenop de klif Kauliakos; de rivier de Sava bevindt zich rechts; ver weg is de Avala (met de toren, de Avala Toranj en zendmast daarop) zichtbaar.
[Tweede deel van een gastblog van Tim Frangias over Belgrado. Het eerste deel vond u hier.]
Belgrado bij Apollonios Rhodios
Belangrijke momenten in het Argonauten-verhaal spelen zich af in wat de periferie van de “klassieke wereld” genoemd zou kunnen worden, terwijl het verhaal notabene verteld wordt door een auteur uit het klassiek literaire canon. De tocht van de helden over de Donau brengt hen in wat tegenwoordig (onder andere) Servië beslaat, een uithoek van de “klassieke” wereld van de oudheid. De Istros, de Donau, is één van de vele plaatsen waar de Argonauten langs komen, maar tegelijkertijd cruciaal als het gaat om het beschrijven van de topografische plaats die vandaag Belgrado is.
Nadat de Argonauten zich meester hadden gemaakt van het Gulden Vlies zeilden zij, op de vlucht voor de Kolchiërs, op hun terugreis naar Hellas de rivier de Istros (of: Donau) op. In het vierde boek van de Argonautika lezen we de volgende verzen:
De oudste opgetekende beschrijving van wat nu de stad Београд, Beograd (Belgrado) is, vinden we bij de Griekse dichter Apollonios Rhodios, van wiens hand wij de Argonautika (in vier boeken) over hebben, een heldenepos dat deze dichter tussen 270 en 245 v.Chr. schreef. In deze bijdrage wijs ik de betreffende passage aan als onderdeel van een bespiegeling over Belgrado, een stad die mij om inmiddels haast ontelbare redenen zeer dierbaar is. De Argonautika gaat over het verhaal van Iason en de Argonauten (een groep van vijftig mythische zeelieden, waaronder Herakles en Orfeus) die op een missie waren naar Kolchis om het Gulden Vlies te bemachtigen, én over de liefde tussen Iason en Medea. Het Gulden Vlies was de gouden vacht van de god Xrysomallos, de ram die de kinderen van koning Athamas, Prixos en Hellen, wegvoerde om hen te redden uit handen van Athamas en zijn vrouw Ino. Het Gulden Vlies zou magische krachten (zoals genezing en de mogelijkheid tot eeuwige verjonging) herbergen…
De missie van de helden van de Argo
Na vele avonturen landde Iason in Kolchis en vroeg Iason aan Aeëtes toestemming het Gulden Vlies te mogen meenemen. Aeëtes weigerde dit niet met zoveel woorden, maar eiste dat Iason eerst een stuk land zou beploegen met behulp van twee bronzen stieren die hij van niemand minder dan de vuurgod Hephaistos gekregen had. Deze dieren hadden nog nooit een juk kunnen dragen, want briezend ademden zij vuur uit. Na het ploegen moest Iason draketanden zaaien die nog stamden van de oude draak van Thebe (Kadmos). Met de reuzen die uit dit zaaisel zouden ontstaan, moest Iason tenslotte een strijd op leven en dood leveren.
In zijn eentje zou hij deze taken nooit volbracht hebben. Maar omdat Afrodite (de godin van de liefde en schoonheid) Medea, de prinses van Kolchis, reddeloos verliefd had gemaakt op Iason, had deze verliefde (en zoals later blijkt ook wraakzuchtige) tovenares zich bij de Argonauten aangesloten en hielp hen het Gulden Vlies te bemachtigen en te ontsnappen. Medea had Iason laten beloven haar te trouwen en naar Griekenland mee te nemen als zij hem zou helpen het vlies te bemachtigen, en gaf hem een toverbalsem die hem onkwetsbaar zou maken voor het brons en het vuur van de stieren. Tevens gaf zij hem de raad de reuzen tegen elkaar op te hitsen door een steen in hun midden te werpen. In de daardoor ontstane verwarring zou hij hen kunnen doden.
Iason volgde de raad op, smeerde zich in en volbracht de hem opgelegde taken. Aeëtes wilde het vlies echter niet geven en smeedde het plan om de Argo in brand te steken. Om dit te verijdelen bewoog Medea de helden in de nacht te vluchten, nadat zij en Iason zich van het vlies meester hadden kunnen maken doordat Medea met haar tovermiddelen de draak die het vlies bewaakte in slaap had doen vallen. Medea’s vader Aeëtes, de koning van Kolchis (thans: de Krim), was woedend over Medea’s verraad en had de achtervolging ingezet nadat Medea aan boord van de Argo was gegaan, terwijl ze haar broertje Apsyrthos mee had genomen. Terwijl Medea’s vader de Argo op de hielen zat doodde Medea Apsyrthos en wierp – om haar vader te vertragen – zijn ledematen bij tussenpozen in het water. Aeëtes verloor kostbare tijd door de ledematen bijeen te garen, waardoor hij de Argo niet meer kon inhalen. In verschillende richtingen zond hij nu gewapende mannen uit met de opdracht zijn dochter Medea levend naar Kolchis terug te brengen.
De Argonauten richting de Balkan
Zelf begaf de koning zich naar Tomi (thans het Roemeense Constantza aan de Zwarte Zee (let in de context van het verhaal op het Griekse woord τόμοι = stukken), waar hij de resten van Apsyrtos begroef. Een andere lezing van de dood van Apsyrtos is dat hij, door zijn vader ter achtervolging van de Argo uitgestuurd, door Iason in de tempel van Artemis bij de monding van de Istros ( thans de Donau) gedood werd. En zo brengt de Griekse mythe ons in de wereld van de Balkan en naar Belgrado .
[Een gastbijdrage over Belgrado van Tim Frangias. Zo meteen meer. Dank je wel Tim! Momenteel is de Week van de Klassieken. Het programma vindt u daar.]
De samenvloeiing van Donau en Sava, gezien vanaf de basis van IIII Flavia Felix (Belgrado)
Zoals ik vertelde in het vorige blogje, was IIII Macedonica uit Mainz in ongenade gevallen doordat het Rijnleger tijdens de Bataafse Opstand (69-70 na Chr.) opzichtig had gefaald. Keizer Vespasianus herformeerde het echter onder de naam IIII Flavia en stationeerde het in Burnum, het huidige Kistanje in Kroatië.
Hoewel veel soldaten vanuit het oude legioen naar het nieuwe zullen zijn overgeplaatst, waren er ook rekruten uit Noord-Italië en wellicht Zuid-Gallië. Gnaeus Julius Agricola (de toekomstige schoonvader van de Romeinse geschiedschrijver Tacitus) hield toezicht op de feitelijke formering van het legioen. Omdat het insigne van de vernieuwde eenheid bestond uit het sterrenbeeld Leeuw, is het mogelijk dat het eind juli of begin augustus 70 officieel werd opgericht.
Ik heb al geblogd over de Aoos, Elbe, Eufraat, Rijn en Tigris, dus laten we het nu eens hebben over de Donau. De Romeinen noemden de hele stroom Danubius, de Grieken gebruikten die naam alleen voor het westelijke deel. De benedenloop kenden ze als Ister. De mooie blauwe rivier ontspringt in het Zwarte Woud en mondt uit in de Zwarte Zee. Met een lengte van ongeveer 2860 kilometer is de rivier ongeveer even lang las de Eufraat. In Europa is alleen de Wolga langer. De antieke auteurs meenden dat, afgezien van de halflegendarische rivieren van India, alleen de Nijl groter was dan de Donau.
Onder de vele zijrivieren van de Donau – Plinius de Oudere kende er niet minder dan zestig – zijn de Iller, de Lech, de Altmühl, de Naab, de Regen, de Isar, de Ilz, de Inn, de Traun, de Enns, de Morava, de Leitha, de Rába, de Váh, de Drava, de Tisza, de Sava, de Olt, de Siret en de Prut. Dat is nogal wat, maar de rivier is dus lang en stroomt door Duitsland, Oostenrijk, Slowakije, Hongarije, Kroatië, Servië, Roemenië, Bulgarije en schampt zelfs even aan Moldavië en Oekraïne.
Tegel met inscriptie uit Sirmium (Museum van Sremska Mitrovica)
Vandaag de dag is Sremska Mitrovica een vriendelijk provinciestadje in het noorden van Servië. Een mooie kerk, een plein waar je lekker ijs kunt eten en goed bier wordt getapt, een museum met opvallend aardig personeel, her en der wat ruïnes. Weinig doet je vermoeden dat die ruïnes behoorden bij een van de meest roemruchte steden van het Romeinse Rijk: Sirmium. Gelegen aan de Sava, de belangrijke route van Istrië naar de Midden-Donau, was de stad voorbestemd tot grandeur, en inderdaad: niet minder dan tien Romeinse keizers zijn hier geboren. Mocht u het precies willen weten: het gaat om Decius (r.249-251), zijn zonen Herennius Decius en Hostilianus (beide in 251), Claudius II (r.268-270) en zijn broer Quintillus (r.270), Aurelianus (r. 270-275), Probus (r.276-282), Maximianus (r. 285-310), Constantius II (r.337-361) en Gratianus (r.367-383). Overigens stierven Claudius II en Probus in hun geboorteplaats, gebruikte Licinius (r.308-324) Sirmium als residentie, organiseerden de christenen er vier synodes en zijn er diverse veldslagen gevochten in de omgeving.
In de vierde eeuw werd het de hoofdstad van de prefectuur van Illyricum, een van de vier administratieve delen van het rijk. Niet minder dan drie legioenen werden toen gebruikt om Sirmium te verdedigen: IIII Flavia, V Iovia en VI Herculia. Ondanks deze en latere troepeninzet viel de stad in 441 in handen van de Hunnen en toen hun federatie uiteenviel, heersten achtereenvolgens de Ostrogoten en de Gepiden over Sirmium. In 567 herstelde de Byzantijnse heerser Justinus II het keizerlijk gezag. Een complex verhaal met een tragische afloop.
Hoorn uit een Avaars graf (Nationaal Museum, Boedapest)
De Romeinse wereld was altijd bedreigd, of voelde zich bedreigd, door de bewoners van de omringende gebieden. De auteurs van onze bronnen besteden veel aandacht aan de conflicten en beschrijven de tegenstanders als de wildste barbaren. Zo heeft het idee kunnen ontstaan dat het altijd oorlog was, dat het Imperium Romanum ten onder ging toen de druk op de grenzen te groot werd en dat de wildste woestelingen de macht overnamen. De standaarduitdrukking is “Grote Volksverhuizingen” en bij mijn weten denkt alleen Mark Rutte nog dat het echt zo is gegaan.
De bronnen geven voldoende informatie om te zien dat het niet klopt. Als een van die verhuizende volken in de vijfde eeuw Catalonië bereikt en wordt aangevallen door een lokaal Romeins leger, blijkt de volledige stam te passen binnen de stadsmuren van één stad, Barcelona. Zo talrijk waren de barbaren dus niet. Trouwens, hoe barbaars waren die barbaren eigenlijk als we ze archeologisch niet kunnen onderscheiden van de Romeinen uit die tijd? Sterker nog: we weten dat weggelopen slaven en opstandige boeren zich graag aansloten bij zo’n migrantengroep, wat erop duidt dat die groepen etnisch niet zo homogeen waren als hun stamnamen suggereren. Als je tot slot ziet dat de leiders van de migranten carrière maakten binnen het Romeinse staatsapparaat, komt de vraag op wat het verschil was tussen een Romein en een Frank, Visigoot of Vandaal.
Ik ben momenteel in Belgrado. Achter mijn hotel ligt een straat die is genoemd naar Gavrilo Princip, de man die in 1914 de Oostenrijkse kroonprins neerschoot en daarmee bereikte dat Oostenrijk intervenieerde op de Balkan, waar het al sinds 1912 onrustig was. Dat conflict bleef nu niet langer gelokaliseerd en zo begon de Eerste Wereldoorlog. Ik zag vandaag een monument “Voor de gevallenen van de Grote Oorlog. 1912-1918”: voor de Serviërs begon de wereldbrand niet in 1914. De Turken zouden zelfs nog een jaar eerder kunnen beginnen.
Ik ben in het legermuseum geweest in het Kalemegdan-fort. De drie vitrines Romeinse archeologie waren de moeite niet waard, maar de zaal over de slag op het Merelveld was dat wel. (Ik weet wel dat iedereen het tegenwoordig heeft over “de slag bij Kosovo”, maar ik vind “Merelveld” zo mooi klinken.) In hetzelfde gebouw bekeek ik de uitputtende documentatie van de Servische opstand tegen de Turken. Er was aandacht voor de Eerste en de Tweede Wereldoorlog, voor maarschalk Tito, en ook voor het uiteenvallen van Joegoslavië. In de laatste zaal hingen onder meer het uniform van een krijgsgevangen genomen Amerikaanse soldaat (“Carpenter”) en geweren van wat werd omschreven als “Albanese terroristen”.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.