Zes redenen om Filon van Byblos te lezen

Vanaf volgende week ligt Goden en halfgoden in de winkel, de eerste Nederlandse vertaling van de fragmenten van de Fenicische Geschiedenis van de Fenicisch-Grieks-Romeinse auteur Filon van Byblos. De vertaler is Hein van Dolen, dus dat is allemaal tiptop voor elkaar, en ik ben degene die de vertaalde fragmenten probeert uit te leggen. Nu is Filon een volstrekt onbekende auteur. Ik was nét begonnen dit blogje te schrijven toen een bekende oudheidkundige me belde, en die vertelde me tussen neus en lippen door nog niet eerder van Filon (en Berossos) te hebben gehoord. Waarom verdient Filon wat meer aandacht?

1

De overgeleverde fragmenten documenteren de mythen die ooit circuleerden in Kanaän en Fenicië. Dit is de wereld waarin het jodendom is ontstaan, en Filon helpt begrijpen tegen wie de eerste monotheïsten zich afzetten. Misschien niet heel vaak, maar het is in elk geval informatie die afkomstig is van een auteur die nog niets wist van het rabbinaat. Dat is een ongebruikelijk en daarom belangrijk perspectief.

Lees verder “Zes redenen om Filon van Byblos te lezen” →

Herakles (2)

De Kretenzische Stier (Archeologisch Museum, Antalya)

In mijn vorige blogje introduceerde ik de eerste zes werken die Herakles moest verrichten voor koning Eurystheus van Tiryns. De halfgod had de Peloponnesos ontdaan van monsters en zou voor zijn volgende zes werken reizen maken buiten de Peloponnesos.

De Kretenzische stier

Herakles’ zevende werk was het vangen van de Kretenzische stier. De bronnen zijn het oneens over de aard van dit beest: was het de vader van de Minotaurus of was dit het dier dat Europa vervoerde van Fenicië naar Kreta? Om het nog wat complexer te maken, wordt hetzelfde verhaal verteld over de Atheense held Theseus. In elk geval: men vertelde dat Herakles het ondier bedwong in de buurt van Marathon.

Lees verder “Herakles (2)” →

Ernest Renan over godsdienst

Machnaqa

Toen de Franse keizer Napoleon III in 1860 een leger naar Libanon stuurde om daar de druzen en maronieten uit elkaar te houden, suggereerde de Franse geleerde Ernest Renan hem dat hij ook wat wetenschappers mee zou sturen. De eerste Napoleon had geholpen om van de egyptologie een echte wetenschap te maken, Napoleon III kon de fenicologie stimuleren. En zo reisde Renan naar Libanon. Ik heb al wel eens eerder naar zijn Mission de Phénice (1864) verwezen. Het is een fascinerend, speels boek.

Het volgende citaat toont een romantische geest aan het werk; je zou het zo niet meer schrijven. Maar Renan maakt duidelijk dat de christenen de Libanonbergen hebben gekerstend en daarbij niet iets volledig nieuws brachten, maar iets ouds aanpasten.

Lees verder “Ernest Renan over godsdienst” →

De mythe van Adonis

De bron van de rivier de Adonis

Hoewel uitgeverij Athenaeum in de jaren negentig heeft geprobeerd de Grieks-Romeinse auteur Lucianus van Samosata (ca.125 – ca.180) onder de aandacht van het grote publiek te brengen, is zijn oeuvre nooit echt aangeslagen. En dat is jammer, want het is een grappige auteur met een brede belangstelling. Wie De ontmaskering van de charlatans nog kan bemachtigen, zal meer dan eens bulderen van de lach om de manier waarop Lucianus afrekent met religieuze oplichters. Of beter: wat hij beschouwt als oplichters. Die nuance doet echter niet af aan ons leesplezier.

In De Syrische godin is Lucianus serieuzer van toon. Hij verkent de religie van de Levant, die hem vreemd is, maar die hemt desondanks (of juist daarom) fascineert. In mijn onlangs begonnen reeks blogjes met vertaalde teksten over Libanon, mag de volgende beschrijving van de eredienst in Byblos niet ontbreken – en eerlijk gezegd vraag ik me af waarom ik dit verhaal pas nu online plaats.

Lees verder “De mythe van Adonis” →

Romeins Andalusië

Een Iberisch-Romeinse dame (Archeologisch Museum, Córdoba)

Toen de Romeinse troepen rond 208 v.Chr. aankwamen in het huidige Andalusië, betraden ze een wereld waarop niets hun had voorbereid. Er waren steden en heuvelforten, er waren metaalmijnen, er waren uitgestrekte akkers en boomgaarden, en langs de kust lagen havensteden, waar kooplieden aankwamen en vertrokken naar alle plaatsen langs de Middellandse Zee. Ergens achteraan, niet ver van de monding van de Guadalquivir, lag Cádiz, waar schepen aanlegden met goud uit de Bambouk en tin uit Armorica. De Romeinen zouden dit gebied, dat ze eerst Hispania Ulterior (“het verre Spanje”) en later Baetica noemden, nooit meer opgeven.

Baetica is vernoemd naar de rivier de Baetis, die wij Guadalquivir noemen. Dat is een arabisme: het betekent Grote Rivier. Maar ook Baetis was al een semitische naam. Net als Guad is Baetis afgeleid van een woord dat rivier betekent, denk maar aan wadi. Het eerdere semitisme illustreert de vroege aanwezigheid van Fenicische kolonisten en Karthaagse heersers. Ook een naam als Málaga, “zoutstad”, is Fenicisch, terwijl het eerste element in Córdoba het Fenicische woord qrt weergeeft, “stad”. De Feniciërs dreven al sinds de negende eeuw v.Chr. handel met een lokaal IJzertijd-koninkrijk, dat we gewoonlijk Tartessos noemen. Deze naam leeft voort in die van het volk dat woonde op de vruchtbare vlakte bezuiden de Guadalquivir, de Turdetaniërs.

Lees verder “Romeins Andalusië” →

Faits divers (24)

Een scheepswrak in het archeologisch museum van Girne; wellicht krijgen we zoiets ook te zien in Cartagena

Omdat het nieuwe academisch jaar is begonnen en de oudheidkunde dus wordt bedreigd, beginnen we deze “faits divers” met een petitie. Dit keer gaat het om de gymnasia in Denemarken, die geen financiële steun meer krijgen. Vorig semester waren er petities voor twee archeologische instituten, vier voor klassieke talen, één voor geesteswetenschappen in het algemeen en twee voor musea (overzicht). Soms hielpen die petities, dus tekenen is geen vergeefse moeite. U vindt de Deense petitie daar.

Ter zake nu.

Lees verder “Faits divers (24)” →

Een Fenicisch Oera Linda Boek

Het handschrift van Friederich Wagenfeld

Georg Heinrich Pertz (1795-1876) was niet zomaar een historicus. Hij was de directeur van de Monumenta Germaniae Historica, een reeks met alle op Duitsland betrekking hebbende teksten uit de Oudheid en Middeleeuwen. Iemand met een uitgebreide correspondentie, want regelmatig meldden mensen hem materiaal dat mogelijk interessant kon zijn. Hij keek dus niet op toen hij op 18 oktober 1835 een brief kreeg van een Portugese edelman, João Pereiro, die vertelde dat in het klooster van Santa Maria de Merinhão een manuscript lag met alle negen boeken van de Fenicische geschiedenis van Sanchouniathon in de vertaling van Filon van Byblos.

Dit was spektakel. Er waren immers maar een paar fragmenten van deze tekst bekend. Een complexe tekst, met veel problemen, waarover ik al eerder blogde en waarover Hein van Dolen en ik in 2025 een boek hopen te publiceren. De belangrijkste kwestie is dat Filon van Byblos weliswaar voorgeeft een oeroude Fenicische tekst van ene Sanchouniathon te hebben vertaald, maar dat deze tekst zogeheten euhemerische ideeën bevatte die niet voor pakweg 300 v.Chr. zijn gedocumenteerd. Het is een mystificatie. Evengoed waren de overgeleverde fragmenten interessant genoeg om te doen verlangen naar meer. Pertz zelf had er voor zijn project weinig aan, maar vertelde het aan een krant. Het nieuws was daar.

Friederich Wagenfeld

In november schreef Pereiro een tweede brief, dit keer naar een hem via een wederzijdse kennis bekende jonge geleerde, de vijfentwintigjarige Friederich Wagenfeld uit Bremen. Het ging om in totaal dertien nieuw-ontdekte oude teksten en Wagenfeld kreeg toestemming om delen van de Fenicische geschiedenis alvast te publiceren. De rest kwam later, als de financiën met het klooster waren geregeld. Wagenfeld toog meteen aan het werk. Hij had een patroon nodig en schreef Georg Friedrich Grotefend aan, de man die er als eerste in was geslaagd delen van het Perzische spijkerschrift te lezen. Die wilde zijn gewicht wel in de strijd gooien en bovendien: hij woonde in Hannover, kon ook Pertz erbij betrekken en dan kon het hele project snel naar de uitgever van de Monumenta.

Die winter vertaalde Wagenfeld de delen van het manuscript die hij in handen had gekregen. Al in januari 1836 kon zijn vertaling naar de uitgever. Uit de correspondentie blijkt dat Wagenfeld ook twee middeleeuwse handschriften uit Portugal had ontvangen, die Pertz’ belangstelling hadden.

Terwijl de uitgever het boek zette, schreef Grotefend een enthousiast voorwoord. En zo verscheen in juni 1836 alvast de Duitse vertaling van Sanchuniathon’s Urgeschichte der Phönizier in einem Auszuge aus der wieder aufgefundenen Handschrift von Philo’s vollständiger Übersetzung. Er zat een afbeelding bij van het oorspronkelijke, Griekse handschrift; verder was er commentaar van Wagenfeld. De lezers vonden parallellen tussen de tekst van Sanchouniathon en de Bijbelboeken Genesis en Ezechiël, het werd duidelijk dat er handelscontacten waren geweest met Sri Lanka, en ook de familie van Sanchouniathon kwam in beeld. Hij zou in het midden van de negende eeuw hebben geleefd.

Skepsis

Niet iedereen was echter overtuigd. Als iets te mooi is om waar te zijn, is het immers meestal ook niet waar. Zie in onze tijd het Evangelie van de Vrouw van Jezus. In de negentiende eeuw wist men dat ook. Een van degenen die lont rook, was Franz Carl Movers, die voor die tijd veel wist van het oude Fenicië en in het najaar in het Jahrbuch für Theologie und christliche Philosophie een artikel publiceerde waarvan de titel niets aan duidelijkheid te wensen overliet: “Die Unächtheit der im Eusebius enthaltenen Fragmente des Sanchoniathon bewiesen”.

Movers was niet de enige of eerste criticus. Diverse geleerden wezen erop dat de persoonsnamen in het nieuwe boek allemaal waren te vinden in de in 1835 gepubliceerde Paläolographische Studien über phönizische und punische Schrift van Wilhelm Gesenius, net als Movers een kenner. Een geleerde uit Bremen, Schmidt, had Wagenfeld enkele keren gesproken en had nogal wat inconsistenties in zijn verhaal geconstateerd.

Al in september verscheen bij de uitgever die Wagenfelds vertaling had gepubliceerd een brochure: Die Sanchuniathonische Streitfrage. De auteur beschikte over de twee brieven van Pereiro en acht brieven van Wagenfeld. Wonderlijk genoeg waren die geschreven op hetzelfde papier, hoewel Pereiro toch in Portugal woonde. De auteur van de brochure had ook achterhaald dat er geen klooster van Santa Maria de Merinhão was en dat de naam “Pereiro” wel heel vreemd was – Pereira zou hebben gekund, maar Pereiro, nee. Pikant detail: de auteur van de brochure was de zoon van Grotefend.

Geheime provenance

Hoe zat de vork nu wel in de steel? Was Wagenfeld een vervalser? Hij had de schijn tegen, maar dat hij brieven had vervalst, wilde natuurlijk niet zeggen dat ook het Griekse manuscript dat hij zei te hebben vertaald, niet bestond. Philip Christiaan Molhuysen, de directeur van het Athenaeum in Deventer, wees er in oktober 1836 in Vaderlandsche letteroefeningen op dat Wagenfeld

… wel eenen Codex onder zich kan hebben, geschreven op parkement omstreeks de 13de eeuw … Wij kunnen ons voorstellen, dat hij met de plaats, van waar, en de wijze, op welke het handschrift in zijn bezit gekomen is, om zeer gegronde redenen, niet voor den dag wil komen, en daarom zoo wel den Overste Pereira en deszelfs brieven, als het klooster … verdicht heeft.

Een geheime provenance is een rode vlag. Hedendaagse academische gedragscodes verbieden de publicatie van gestolen data niet zonder reden. Maar in de negentiende eeuw vonden wetenschappers het niet zo erg erfgoed weg te nemen, dus Wagenfeld had een voor die tijd geloofwaardig voorwendsel.

De afloop

En zo kwam het dat Wagenfeld in 1837 de volledige Griekse tekst, met een Latijnse vertaling kon publiceren: Sanchoniathonis Historiarum Pheniciae Libros Novem. Dit keer niet meer bij de uitgever in Hannover, die zijn handen ervan aftrok, maar in Bremen.

Nu was het Karl Otfried Müller (1797-1840) die in de pen klom – nog zo’n negentiende-eeuwse supergeleerde. En zijn oordeel was vernietigend. Hij wees op een groot aantal fouten, maar was verder opvallend positief. De vervalsing was bewonderenswaardig knap gemaakt, was geschreven in een Grieks dat geloofwaardig leek op dat van Filon en wist de toon van de antieke geschiedschrijvers goed te treffen. En laten we eerlijk zijn: het is grappig om een mystificatie te maken rond een tekst die zelf al mystificatie is.

Friederich Wagenfeld publiceerde in 1845 nog een onderhoudend Bremens Volkssagen (nog steeds leverbaar) en overleed een jaar later, op 26 augustus 1846, zesendertig jaar oud.

Literatuur

James Anson Farrer, Literary Forgeries (1907)

De Fenicische schepen

Egyptische afbeelding van een zeewaardig schip

Er zijn allerlei afbeeldingen van Fenicische schepen en er zijn ook teksten over die schepen. Die teksten kunnen in het Fenicisch zijn, maar ook in andere talen. En er zijn ook wrakken. Dat zijn drie soorten documentatie van dezelfde werkelijkheid. Als je in de taal onderscheid maakt, zou je verwachten dat je ook verschillende soorten scheepswrakken vindt en dat er afbeeldingen zijn van de scheepstypen. Alleen, het wil maar niet lukken perfecte overeenkomsten te vinden.

Een deel van de verklaring is natuurlijk dat onderwaterarcheologen niet zo heel erg veel Fenicische wrakken hebben gevonden. Dat komt mede doordat onderzoek lastig is. De Feniciërs staken meteen in zee naar Cyprus, Kreta, Malta en verder. Als de schepen vergingen, liggen de wrakken niet voor de kust maar in de diepe zee. Dat bemoeilijkt het onderzoek. (We weten dit overigens al heel lang en dat onlangs als nieuw inzicht werd gepresenteerd dat de antieke zeevaarders de volle zee bevoeren, is een zelfs voor archeologische begrippen opvallende onwaarheid.) Los daarvan is wat een wrak heet, soms weinig meer dan de lading. Dan is het hout vergaan. En als er toch hout is, is lang niet altijd goed te reconstrueren hoe het schip eruit zag. Al zijn er natuurlijk ook voorbeelden van goed bewaarde houten frames.

Lees verder “De Fenicische schepen” →

Sanchouniathon

Stèle met de naam “Sanchouniathon” uit Sousse

Misschien herinnert u zich dat ik een tijdje geleden bezig was met Filon van Byblos. Dat is een Grieks schrijvende auteur uit de Romeinse tijd die schreef over de mythen van het oude Fenicië. Zijn driedubbele identiteit is al interessant, net als de Fenicische verhalen. Die documenteren enerzijds een godsdienst die naast het Jodendom heeft bestaan, en anderzijds een tussenschakel was tussen het oude Nabije Oosten en Griekenland. Maar het meest boeiend is hoe die informatie tot ons is gekomen.

Bestond Sanchouniathon?

De zeven fragmenten van Filon van Byblos, die leefde rond 130 na Chr., zijn overgeleverd door de christelijke auteur Eusebios, twee eeuwen later. Misschien heeft die Filon niet zelf gelezen en citeert hij een uittreksel door de filosoof Porfyrios, maar dat laat ik even rusten. Filon claimt nergens dat hij zelf de Fenicische mythen heeft gelezen: hij vertelt alleen maar na wat hij las bij een zekere Sanchouniathon. Die zou hebben geleefd in de tijd van de Trojaanse Oorlog, dus zeg maar rond 1200 v.Chr., en op zijn beurt weer ene Taäutos navertellen.

Lees verder “Sanchouniathon” →

Na de Zeevolken (2)

[Tweede deel van een bespreking van Eric Cline, After 1177 BC. The Survival of Civilizations; het eerste deel was hier.]

Data, informatie, interpretatie, model

Het oudheidkundig wetenschappelijk proces bestaat, grosso modo, uit vier stappen. We beginnen met het verzamelen van data. Die worden in verband gebracht met andere data en zo veranderen ze in informatie. Dan volgt een eerste interpretatie, waarna we tot slot de grote synthese kunnen schrijven vanuit een vaak sociaalwetenschappelijk model. Dat is ook wat Cline doet. Bij het beschrijven van de tijd na de Zeevolken gebruikt hij resilience theory, ofwel inzichten over de veerkracht van een samenleving. Daarmee is hij de enige niet. Kyle Harper deed het in The Fate of Rome (2017).

Cline benut als leidraad het IPCC-rapport uit 2012, gewijd aan de wijze waarop de mensheid zich kan aanpassen aan veranderend klimaat. Daaraan ontleent hij een helder begrippenapparaat. De Assyriërs, Babyloniërs en Egyptenaren hadden het vermogen om tegenslagen te absorberen, wellicht doordat ze een stabiele agrarische sector hadden (Eufraat, Tigris, Nijl). Voor hun waren de problemen iets waarmee viel om te gaan. (Het onvertaalbare Engelse woord is coping.) De Neo-Hittieten pasten zich aan (adapting) en de Feniciërs en Cyprioten transformeerden zichzelf. De crisis van de een is de kans van de ander. En dat is een aanzienlijk genuanceerder beeld dan het eenzijdige “instorting”.

Lees verder “Na de Zeevolken (2)” →