Domitianus (35): Dominus et deus

Genius (Capitolijnse Musea, Rome)

Aan het einde van zijn leven had Alexander de Grote verklaard dat hij een god op aarde was. Sindsdien was verering vrij standaard bij de koningen van het Ptolemaïsche Egypte, waar men niet alleen op Alexander maar ook op een faraonische traditie teruggreep. Ook in het Seleukidische Rijk bestond een heersercultus. In het Romeinse Rijk lag het moeilijker. Men vereerde echter overleden, vergoddelijkte keizers en ook de genius (levenskracht, persoonlijke beschermgod) van de regerende vorst. Dat gebeurde op ’s keizers verjaardag en op de dag van zijn troonsbestijging.

Het beeld hierboven toont zo’n genius. Het komt uit de Capitolijnse Musea in Rome maar is nu op de expositie over keizer Domitianus in het RMO in Leiden. Domitianus had zich al eerder betoond als een nieuwe Meleager en liet, zoals gebruikelijk, zijn genius vereren.

Dominus et deus

Allemaal niets bijzonders, maar hij ging een stap verder. Bij zijn zelfpresentatie speelde niet een rol dat hij een zoon was van de vergoddelijkte Vespasianus (filius divi Vespasiani), hij wilde zelf worden aangesproken als god (deus). Volgens de Grieks-Romeinse geschiedschrijver Cassius Dio gaven slaafse onderdanen zoveel eerbewijzen aan Domitianus, dat de hele wereld, althans voor zover door de Romeinen beheerst, leek te zijn gevuld met portretbustes en standbeelden van goud en zilver. Domitianus

Lees verder “Domitianus (35): Dominus et deus” →

Caesar in Brindisi

De haven van Brindisi

Als ik u zeg dat het 22 december was, als ik toevoeg dat het was in het jaar waarin Marcellus en Lentulus consuls van Rome waren, en als ik dat omreken naar 17 november 49 v.Chr. op onze kalender, dan weet u dat u bent beland in een nieuwe aflevering van de reeks “Wat deed Julius Caesar vandaag morgen 2069 jaar geleden?”

Caesars troepen

Hij kwam aan in Brindisi in de hak van Italië. Hij was uit Rome vertrokken op wat wij 8 november 49 v.Chr. noemen en na een reis over de Via Appia bereikte hij op de tiende dag de havenstad waarvandaan hij de Adriatische Zee wilde oversteken. Hijzelf schrijft in zijn Aantekeningen bij de Burgeroorlog (in de vertaling van Hetty van Rooijen):

Lees verder “Caesar in Brindisi” →

Pinksteren

Armeense miniatuur van Pinksteren (Noravank)

Het is pinksterzondag, dus u kon raden over welke passage uit het Nieuwe Testament ik blog. Inderdaad. Hier is ’ie, Handelingen 2.1-13 in de Nieuwe Bijbelvertaling. De “ze” uit de eerste regel verwijst naar de Twaalf, die in de voorafgaande passage weer op sterkte is gebracht na de dood van Judas.

Toen de dag van het Pinksterfeest aanbrak waren ze allen bij elkaar. Plotseling klonk er uit de hemel een geluid als van een hevige windvlaag, dat het huis waar ze zich bevonden geheel vulde. Er verschenen aan hen een soort vlammen, die zich als vuurtongen verspreidden en zich op ieder van hen neerzetten, en allen werden vervuld van de heilige Geest en begonnen op luide toon te spreken in vreemde talen, zoals hun door de Geest werd ingegeven.

Vlammen

De kunstgeschiedenis grossiert in afbeeldingen van de vrome mannen met vlammetjes bovenop hun hoofd.

Lees verder “Pinksteren” →

De troon van Satan

Het Pergamonaltaar (Berlijn)

In Berlijn zijn een kleine zeventig voorwerpen in de oudheidkundige musea op het beroemde Museumeiland met een kleverige vloeistof besmeurd. Er zit geen patroon in het vandalisme, de schade is niet zó groot dat de restauratie vóór het politieonderzoek moest gaan. De voornaamste zorg van de beheerders is dat er ook leenstukken zijn besmeurd. Het is lelijk nieuws, maar vooralsnog zijn er geen aanwijzingen dat het groter is dan dit.

De media zijnde de media is het wel groter gemaakt. In het museum staat namelijk ook het Pergamonaltaar ofwel de Troon van Satan. Ik ga hier de verbanden die complotdenkers bedenken geen extra publiciteit geven. Ik beperk me tot de bewering dat dit de Troon van Satan zou zijn.

Dat is gebaseerd op de Openbaring van Johannes, het wonderlijke laatste boek van het Nieuwe Testament, geschreven in de laatste jaren van de eerste eeuw na Chr. Er waren christenen gedood en de auteur spreekt zijn lezers moed in. Als ze vast hielden aan hun geloof in Christus, zouden ze op de Jongste Dag worden gerechtvaardigd. Johannes’ collectie fantasmagorieën vormt fenomenale literatuur. U hoeft niet te geloven in een naderend Oordeel om het met ingehouden adem te lezen. (Indien u desondanks een aanbeveling nodig heeft: het was de favoriete hotelkamerlectuur van Hunter S. Thompson zaliger nagedachtenis.)

Lees verder “De troon van Satan” →

De West-Anatolische cultuur

Een wijnschenkkan van de West-Anatolische cultuur (Allard Pierson-museum, Amsterdam)

Voor Nederlanders ligt de grens met de grote oosterbuur al een paar eeuwen onveranderlijk vast. Sinds de Pragmatieke Sanctie van 1549 dus. Die grens is inmiddels volkomen onzichtbaar. Fiets van Glanerbrug naar Gronau en je zult zien dat er maar weinig verandert. Omdat de rijksgrens net zo goed een gemeentegrens had kunnen zijn, kunnen wij ons niet goed voorstellen dat een grens ook een open zenuw zou kunnen wezen. Voor de Grieken is dat anders. Thessaloniki, de op één na grootste Griekse stad, ligt pas sinds 1912 binnen Griekenland. Smyrna, ten oosten van de Egeïsche Zee, was vele eeuwen een centrum geweest van de Griekse cultuur toen het in 1922 verloren ging. Dus minder dan een eeuw geleden. Open zenuw.

Dat geldt omgekeerd voor de Turken. Ik zal niet snel de wrange lach vergeten van de man die moest toegeven dat “Istanbul” een Griekse etymologie had (eis ten polin, “naar de stad”) en langer de naam Constantinopel had gedragen dan de huidige naam. Ik begrijp die gevoeligheid niet, maar wat je niet rationeel vindt, hoeft daarom nog niet irreëel te zijn. Grenzen zijn in Zuid0ost-Europa meer dan bij ons een gegeven en dat geldt ook voor wantrouwen jegens de buren.

Lees verder “De West-Anatolische cultuur” →

Eutropius (1): Ten oorlog

Valens (Nationaal Historisch Museum, Sofia)

Terwijl u dit op zondag leest, ben ik op weg naar Schiphol, omdat ik in Beiroet moet zijn voor mijn werk. Omdat ik daar vermoedelijk geen tijd zal hebben voor mijn dagelijkse stukje bied ik u in tien afleveringen de tekst aan van de inleiding die ik schreef voor de vertaling die Vincent Hunink maakte van het Breviarium ofwel Korte geschiedenis van Rome van de laat-Romeinse auteur Eutropius. Als alles goed gaat, verschijnt die medio november. (Wie annotatie van deze tekst verlangt, mag het boek kopen.)

Er was geen kunstmest in het Romeinse Rijk. De agrarische rendementen waren daardoor zo laag dat slechts een kleine minderheid van de bevolking kon worden vrijgesteld van werk op het platteland. Er waren weinig ambachtslieden, weinig ambtenaren en vooral: weinig onderwijzers, zodat de bevolking grotendeels ongeletterd bleef en informatie schaars was. Dat gold ook voor informatie over de vijanden van het Romeinse Rijk. Een goed generaal bereidde zich voor op een veldtocht door het lezen van geschiedenisboeken over de betreffende tegenstander.

Zo ook keizer Valens (r.364-378), die in 369 na Chr. bezig was met de voorbereiding van een expeditie tegen de Perzen. Het conflict met de oostelijke grootmacht was al ruim een eeuw oud. In 224 na Chr. had de Perzische vorst Ardašir zijn koning, Artabanos IV, verslagen en diens hoofdstad ingenomen. Niet alleen was zo de aloude dynastie van de Parthische Arsaciden vervangen door die van de Perzische Sassaniden, ook de relaties met het Romeinse Rijk bekoelden. Geen decennium was verstreken zonder gevechten. De laatste ronde was geëindigd toen de Romeinse keizer Julianus was gesneuveld, waarna zijn opvolger Jovianus (r.363-364) vrede had gekocht door enkele gebieden langs de Tigris aan de Perzen af te staan. De vrede was kort van duur geweest, want de Perzische vorst Sapor II had het vredesverdrag vrijwel onmiddellijk geschonden, waardoor keizer Valens zich gedwongen zag de strijd te hervatten.

Lees verder “Eutropius (1): Ten oorlog” →

Bisschoppen in ballingschap (2)

Romeinse reiskoets (Römisch-Germanisches Museum, Keulen)

In mijn vorige stukje noemde ik drie voorbeelden waar de bestudering van Grieks en Latijnse literaire teksten door de DNA-revolutie zou kunnen veranderen – of beter, waar ze de standaard zou kunnen volgen die bij de bestudering van de allervroegste christelijke literatuur al bestaat. Ik noemde de hellenistische filosofie, Vergilius en Ovidius. Eergisteren realiseerde ik me een nieuw thema, waar ik al een tijdje over loop te denken, namelijk de iets minder vroege christelijke literatuur. Laten we zeggen: de vierde eeuw.

Het probleem

Het historische probleem is dat er rond 400 na Chr. een duidelijke norm is binnen het christendom, die ik gemakshalve even zal aanduiden als orthodox. Hierin zitten twee elementen, namelijk enerzijds dat wie christen is, niet tegelijk een andere religie kan hebben, en anderzijds dat er binnen dit christendom maar één waarheid kan zijn. Beide ideeën klinken momenteel vanzelfsprekend maar waren dat in de antieke wereld niet. Wat ik niet begrijp, is waar die orthodoxie vandaan komt. Binnen het antieke denken is daartoe geen aanleiding. Niemand heeft ooit een dogmatiek opgesteld voor de cultus van Marduk, Maat, Minerva, Mithras, Magusanus of de Muzen.

Lees verder “Bisschoppen in ballingschap (2)” →

Eutropius

Portret van een vierde-eeuwse Romein (Ny Carlsberg Glyptotek, Kopenhagen)

Over Flavius ​​Eutropius, de auteur van een zeer korte geschiedenis van het Romeinse Rijk, weten we eigenlijk alleen wat hij ons zelf terloops meedeelt, en dat is vooral dat hij in 363 deelnam aan de noodlottig verlopen campagne van de Romeinse keizer Julianus tegen de Perzen. De Korte Geschiedenis eindigt anderhalf jaar later met de dood van Julianus’ opvolger Jovianus en de troonsbestijging van de gebroeders Valentinianus en Valens. Het werkje lijkt vervaardigt in 369. Verder weten we uit de aanhef van de Korte Geschiedenis dat Eutropius voor keizer Valens werkte als minister voor verzoekschriften.

Tot zover wat we zeker weten. We hebben minder zekerheid over ’s mans verdere loopbaan. Er is een tweede Eutropius, die in 371-372 gouverneur was van de provincie Asia, in 380-381 prefect van Illyrische prefectuur en in 387 consul, samen met keizer Valentinianus II. Een hoge eer. Als deze tweede Eutropius niet dezelfde is als de historicus, zitten we ineens met een magistraat die nogal out of the blue verschijnt en de allerhoogste posities bekleedt. Dat is niet onmogelijk, maar meestal weten we toch wel íets over de voornaamste Romeinse bestuurders in deze periode. Het is daarom het meest aannemelijk dat we te maken hebben met dezelfde persoon, een conclusie die we ook als het waarschijnlijkere scenario moeten aannemen op grond van het Scheermes van Ockham.

Lees verder “Eutropius” →

Een tijdgenoot van Bar Kochba

De nieuwe inscriptie (foto Jenny Carmel)
Een nieuwe inscriptie documenteert een tijdgenoot van Bar Kochba (foto Jenny Carmel)

Een archeologische vondst uit Israël zonder hype, kan het nog? Jazeker. Het berichtje dat vandaag in Ha’aretz stond komt althans in de buurt. Niet ver van Tel Dor is in zee een inscriptie gevonden met daarop de naam van een nog onbekende Romeinse gouverneur van Judea. Dat is op zich al interessant, want het lijstje bestuurders van die provincie was redelijk compleet. De tekst met de volledige, nogal lange naam van de nu ontdekte magistraat:

De stad Dor eert Marcus Paccius, zoon van Publius, Silvanus Quintus Coredius Gallus Gargilius Antiquus, gouverneur van Judaea en van … in de provincie Syrië, en beschermheer van de stad Dor.

Interessant is de naam van zijn provincie, Judaea dus, want in 136 hernoemde keizer Hadrianus, die net de enorme opstand van Simon bar Kochba had onderdrukt, het gebied: vanaf nu zou het Palestina heten. Dat betekent dus dat de nu gevonden inscriptie moet dateren van vóór 136. Er is echter nóg een inscriptie van Gargilius Antiquus, eveneens uit Dor. Die is al langer bekend en geeft iets andere informatie.

Lees verder “Een tijdgenoot van Bar Kochba” →

Quirinius

Portret van een Romein, ongeveer 20 na Chr. (Glyptothek, Munchen)

Je zou Publius Sulpicius Quirinius een van de bekendste Romeinen aller tijden kunnen noemen. Hij wordt namelijk genoemd in het kerstverhaal, dat christenen over de hele wereld elk jaar weer aan elkaar vertellen. Hier is de vermelding bij Lukas die vanavond in menige kerk zal worden voorgelezen: “In die dagen vaardigde keizer Augustus een decreet uit dat de hele wereld zich moest laten registreren. Deze eerste registratie vond plaats toen Quirinius gouverneur van Syrië was.” (Lukas 2.1-2)

We weten veel meer over deze Quirinius. Hij werd geboren in de buurt van Lanuvium, een stadje in de buurt van Rome; zijn familie was vermogend, maar kon zich er niet op beroemen dat haar leden hoge ambten hadden bekleed. Die waren gereserveerd voor een beperkt aantal families. De staatsgreep van keizer Augustus bood echter ruimte aan de provinciale elite, die nu kon doorstromen naar de hoogste bestuursfuncties.

Lees verder “Quirinius” →