Een nieuwe aflevering in de onregelmatig verschijnende reeks faits divers, met deze keer werkelijk van alles wat. Daarom heet het ook “faits divers” natuurlijk.
Babylonische kronieken
Afgelopen dinsdag belde de post aan met een pakje. “Leg maar op de trap”, zei ik over de intercom, want ik verwachtte niks. Wat later ontdekte ik dat de baksteenzware zending wel degelijk voor mij was: het was Babylonian Chronographic Texts from the Hellenistic Period van Bert van der Spek e.a. Vaste lezers van deze blog kennen Van der Spek als de auteur van het handboek dat ik een tijdje geleden in 170 stukjes heb besproken.
In het Drents Museum in Assen is momenteel een mooieexpositie over het koninkrijk Dacië, zeg maar het antieke Roemenië. In de eerste eeuw voor en na het begin van onze jaartelling lag daar een sterk koninkrijk, dat het zo nu en dan de Romeinen in het zuiden en westen behoorlijk lastig kon maken. Soms kocht Rome de Daciërs dan ook maar af: het was goedkoper dan oorlog. Eén van de verklaringen voor de betrekkelijke sterkte van Dacië was de aanwezigheid van goudaders, die de koningen in staat stelde op elk moment extra soldaten aan te trekken.
De elite van Dacië
Dat goud, dat toonden de koningen van Dacië dan ook maar wat graag. Het was hét symbool van hun macht. In hun hoofdstad Sarmizegetusa Regia zijn in onder andere 1996 en 2003 fikse schatten opgegraven, bestaand uit imitaties van Romeinse goudstukken. Maar het klapstuk is de verzameling spiraalvormige gouden armbanden, waarvan er hierboven een is te zien. Vandalen hebben er vierentwintig gevonden die door de Roemeense autoriteiten zijn teruggevorderd. De helft daarvan is in de collectie van het Nationaal Historisch Museum in Boekarest. En een paar daarvan liggen momenteel in Assen. Ze dateren uit de tweede helft van de eerste eeuw v.Chr.
Papyri en andere oudheden uit het museum in Malawi belandden op de zwarte markt
Volgens mij zijn de fascinerende huisregels van deze blog zó fascinerend dat iedereen ze elke dag herleest. En de fascinerendste regel is dat ik me niet wil inlaten met illegale oudheden. Desondanks blijven mensen me benaderen die blijkbaar door de huisregels niet gefascineerd genoeg zijn.
Nog onlangs was er bijvoorbeeld iemand die schreef in de Ardennen iets fantastisch te hebben gevonden en daarover mijn advies wilde. Op de suggestie contact op te nemen met de archeologische autoriteiten volgde “dan niet”, en met die onbeschoftheid beschouwde hij de correspondentie als beëindigd. Voor alle anderen die onvoldoende gefascineerd zijn door de huisregels (en zonder een kwaad woord te willen spreken over de bona fide handelaren en verzamelaars) leg ik nog één keer uit waarom je beter geen oudheden kunt kopen als je niet heel goed weet waar ze vandaan komen.
Een van de weinige oudheden die ik zelf bezit: een ring uit het oude Hyrkanië
Was ik in mijn vorige blogje wat kritisch over de door Karl Stimm gekozen vorm, ik wil er geen enkel misverstand over laten bestaan dat hij in De verzamelaar gedemoniseerd tal van relevante punten aansnijdt. Zo wijst hij er terecht op dat de gedocumenteerde provenance geen perfecte oplossing is om vervalsing en roof uit te sluiten. Een gedocumenteerde provenance helpt, natuurlijk, maar dat ze bij veel verzamelstukken – denk aan munten – ontbreekt, wil niet zeggen dat de handelaar en de verzamelaar charlatans zijn. Als jij als koper wil dat jouw aankoop 101% zeker uit een legale opgraving komt, kan een handelaar in oudheden dat zelden garanderen.
Oudheden en hun provenance
De documentatie van de provenance valt bovendien te vervalsen. Misschien heeft u weleens gelezen dat veilinghuizen objecten terug moeten trekken omdat de documentatie niet in orde blijkt te zijn. Het gebeurt eigenlijk bij elke beurs weleens.
Het paleis van de gravin van Lebrija, met een mozaïek uit Italica
[Het tweede deel van Dieter Verhofstadts artikel over de Romeinse stad Italica, in Andalusië, en de Gravin van Lebrija. Het eerste deel was hier.]
Deze blog over Romeinse kunst in Europa heeft een andere kijk op de rol van de Gravin van Lebrija bij de opgraving van Italica. Als invloedrijke intellectuele kunstminner was ze maar al te goed op de hoogte van het belang van de oude Romeinse stad. Toen de opgravingen tegen het einde van de negentiende eeuw werden geïntensiveerd en de prachtige mozaïekvloeren werden blootgelegd, kocht zij enkele bewakers om, zodat ze een aantal naar haar woning kon verplaatsen. De verantwoordelijke voor de site, de archeoloog De los Ríos, confronteerde de gravin met wat hij als diefstal beschouwde en probeerde haar ertoe te bewegen de mozaïeken terug te geven. In plaats van zijn eis in te willigen, dreigde ze ermee hem te laten ontzetten uit zijn opdracht.
Vrouw in een mannenwereld
Deze versie, waarvan ik geen andere, laat staan officiële of wetenschappelijke, bron terugvind, geeft niet alleen een andere toedracht over de beweegredenen van de gravin, maar weerlegt de algemene teneur in de levensverhalen die men bij de stichting en op de -pedia’s vindt, namelijk dat het voor een vrouw in de negentiende eeuw zeer ongebruikelijk was om invloed uit te oefenen op het publieke leven en dat zij voortdurend moest optornen tegen de door mannen gedomineerde wereld van kunst, wetenschap en politiek. Dat zij een officieel aangestelde, mannelijke wetenschapper zomaar kon afdreigen, past niet in dat plaatje.
Bovenstaande foto is tien jaar geleden gemaakt, dus in 2013. Ze toont de Hellenistisch-Romeinse stad Apameia in Syrië. Het maanlandschap kwam symbool te staan voor de plundering en vernietiging van archeologische vindplaatsen in Syrië en Irak – met name door de zogenaamd Islamitische Staat.
Al snel sprak UNESCO van culturele genocide. Er was zeker iets gebeurd, maar het probleem was dat we het niet echt zeker wisten. Het ontbrak lange tijd aan onafhankelijke en betrouwbare informatie. Toen er wetenschappelijke literatuur kwam, gebaseerd op betrouwbare informatie, bleek dat de zaak genuanceerder en vooral gecompliceerder lag.
Soms maakt een diepe verslagenheid zich van je meester
Een week of drie geleden publiceerden de Vlaamse televisieomroep VRT en de krant De Tijd drie artikelen over de illegale handel in oudheden in België. Eén daarvan ging over de Benin-bronzen, het interessantste ging over een Egyptisch beeldje en het derde ging over de vraag waarom nu net België een draaischijf is geworden in de internationale zwarte handel. Het antwoord laat zich raden. De handel in illegale oudheden “heeft kunnen profiteren van de laksheid bij de overheden die moeten strijden tegen dit soort fraude”, aldus Sarah Durant, woordvoerster van het Brussels parket. De laatste specialist bij de Belgische federale overheid is begin dit jaar met pensioen gegaan en de centrale dienst kunstcriminaliteit is opgedoekt.
Als het over illegale oudheden gaat, kennen we uit Nederland soortgelijke journalistieke stukken. Theo Toebosch schrijft er regelmatig over in het Handelsblad het NRC: de grafgiften van Ny-Kau-Ptah, inbeslagnames op de kunstbeurs Tefaf, de Sapfo-papyri, illegaal keramiek in het Amsterdamse Allard Pierson-museum en nog vorige maand de arrestatie van de Italiaanse grafrover Raffaele Monticelli. Ik heb zelf een artikel in de pen gehad over de plundering van opgravingen, niet in verre buitenlanden maar hier in Nederland. Daarbij stuitte ik op zóveel voorbeelden dat het domweg geen krantenartikel meer zijn kon. Wie denkt een boek over illegale oudheden te kunnen schrijven dat geen eindeloze herhaling van steeds hetzelfde verdrietige verhaal is, kan zich melden en krijgt mijn documentatie cadeau.
Zoals u weet oefende de zogenaamd Islamitische Staat ofwel I.S.I.S. ofwel Daesh recentelijk een schrikbewind uit in het noorden van Irak en het westen van Syrië. De terreur vormde een opvallend wreed en sadistisch hoofdstuk in de sowieso gewelddadige geschiedenis van deze regio. Het gebied heeft sinds de ondergang van het Ottomaanse Rijk rust noch duur gekend. Het zou voor de westerse media makkelijk zijn geweest de gebruikelijke oriëntalistische stereotypen van stal te halen, en dat gebeurde ook wel, maar dit keer was er ook iets anders. Er waren tevens berichten over de door ISIS georganiseerde plunderingen en verwoestingen van cultureel erfgoed. Toen ik Irak in oktober bezocht, waren die niet te missen.
Plundering
Eerst een kanttekening. Er zijn inderdaad plunderingen geweest en er zijn inderdaad antiquiteiten verkocht. Het was makkelijk. Er bestond immers al een door de autoriteiten gedoogd handelsnetwerk voor illegaal verworven oudheden. De westerse landen waren niet alleen grootafnemers, ze faciliteerden de zwarte handel ook met enerzijds een financiële structuur om belasting te ontwijken en geld wit te wassen en anderzijds academici die heling goedpraatten (meer).
De heilige Behnam lijkt een beetje op Sint-Joris. In elk geval iconografisch. De in Irak vereerde heilige is net als zijn Mediterrane collega een te paard gezeten drakendoder. De parallel gaat verder. Moslims vereren zowel Behnam als Joris als Khidr, de groene man. Joden vereren deze bemiddelaar tussen mensheid en God alsof het Elia is. Of Ezechiël, zoals in Khifl. Vermoedelijk is het de oude cultus van Baäl die in de volkscultuur steeds andere vermommingen heeft aangetrokken.
Zo’n heilige met diverse identiteiten, dat staat haaks op het verlangen van islamisten dat mensen slechts één identiteit hebben, hun religieuze. (Het is een vorm van modernisme, waarin alles eenduidig te verdelen moet zijn en elke ambiguïteit ergernis oproept.) Begrijpelijk dus dat de zogenaamd Islamitische Staat zich tegen dit soort volksculten richtte en de drie monniken uit het klooster van Mar Benham gevangennam. Wat er met hen is gebeurd, weet ik niet. Wel weet ik dat twee monniken zijn teruggekeerd. Er zijn nog drie of vier christelijke families in de omgeving. Het met dynamiet vernietigde graf van Benham is gerestaureerd (alleen de koepel was kapot) en verder moet u maar even hier kijken.
Mooi hè, deze broche. Ik fotografeerde haar in het Rheinisches Landesmuseum in Bonn. Het voorwerp is gevonden bij Wezel, tegenover Xanten aan de Rijn, en komt uit een vrouwengraf uit de Merovingische tijd. Afgezien van deze gouden broche – de technische term is “schijffibula” – was er ook een ring, een goudstuk dat als hanger werd gebruikt, een koperen armband, een gordel en een doosje waarin een amulet had gezeten. Dat was er niet, dus niet alle voorwerpen zijn geborgen.
In elk geval: de overledene was een chique Frankische dame. Dat blijkt natuurlijk vooral uit de broche, die is gemaakt met een goudsmeedtechniek die bekendstaat als granaat-cloisonné. Als ik het goed begrijp werden daarbij draadjes over de schijf gelegd en vastgesoldeerd, waardoor kleine hokjes ontstonden, die vervolgens werden gevuld met stukjes glas, granaat en andere mineralen. Ik weet niet of ik het helemaal correct uitleg maar de reageerpanelen staan voor u open.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.