De misbruikte Oudheid

Gisteravond mocht ik in de Antwerpse boekhandel De Groene Waterman mijn boek Oudheidkunde is een wetenschap ten doop houden. Het was leuk, want ik zag enkele oude bekenden terug en ik ontmoette enkele nieuwe mensen (die ik soms al kende van deze blog). Robert Nouwen, de auteur van Ambiorix tegen Caesar, en ik verzorgden twee lezingen over de feitenvrije wijze waarop de politiek en de erfgoedsector omgaan met de Oudheid. In België is bijvoorbeeld eerder deze maand wat ophef om uitspraken van de rechtse politicus Filip De Winter, maar we mogen ook denken aan de Antwerpse burgemeester Bart De Wever en prietpraat over Caesar bij een project als Via Belgica.

Misinformatie en misbruik van het verleden zijn onder meer mogelijk doordat wetenschappers hun inzichten niet voldoende uitleggen en onvoldoende breed zijn geschoold. Robert sprak daarover als eerste. Zijn betoog was mooi doortimmerd en plaatste het onderwerp in de bredere wetenschappelijke discussie. Die tekst leest u hier. Mijn verhaal was meer vanuit mijn praktijk als blogger en Oudheid-uitlegger. Ik plaats het hieronder en de trouwe volgers van deze blog zullen veel van wat ik vertel, al kennen.

Lees verder “De misbruikte Oudheid”

Romeinse wegen

Een boek waaraan je zelf hebt meegewerkt, dat kun je natuurlijk niet recenseren. Als je iets positiefs zegt, sta je onder verdenking een bevriende schrijver een handje te willen helpen; als je iets negatiefs zegt, heb je de auteur een rotstreek geleverd door niet tijdig te waarschuwen. Dat weerhoudt me er niet van uw aandacht te vragen voor een net verschenen boek van Robert Nouwen, die alles weet over het Romeinse erfgoed in Haspengouw, dus zeg maar de omgeving van Tongeren. Zijn nieuwste boek heet De Romeinse heerbaan. De oudste weg door de Lage Landen.

Via Vipsania

Die oudste weg is die van de Romeinse havensteden aan het Kanaal via Kassel, Velzeke, Asse, Tienen, Tongeren, Maastricht, Heerlen en Jülich naar Keulen. Je moet je een Romeinse weg niet voorstellen als alleen maar een al dan niet geplaveide straat. Het is een brede corridor door het landschap, met aan weerszijden de uitgestrekte landgoederen van grootgrondbezitters. Daar tussenin waren kleine en middelgrote boerderijen, dorpjes, stations om paarden te wisselen, herbergen en wat dies meer zij. En ook: compleet nieuwe steden op plaatsen waar voordien weinig mensen woonden. Het was dus niet alleen een weg, maar een complete streep romanisering dwars door iets dat aanvankelijk valt te typeren als een IJzertijdlandschap.

Lees verder “Romeinse wegen”

Liberchies

Geminiacum zoals het er nu bij ligt; het pad is de antieke weg.

De “grand strategy” van het Romeinse Rijk in de Julisch-Claudische periode (tussen pakweg 50 v.Chr. en 70 na Chr.) lijkt even bot als simpel te zijn geweest: zorg dat er aan de grenzen geen vijanden zijn. Anders gezegd: moord er zoveel mogelijk uit. Caesar onderwierp Centraal-Gallië en joeg in de periferie velen over de kling en eiste absolute gehoorzaamheid van de overlevenden; later vergrootte Augustus het gecontroleerde gebied naar de Rijn en werd een periferie tussen Rijn en Wezer leeg geveegd; nog later werd de directe invloedssfeer opgeschoven naar de Wezer en kregen de mensen tot aan de Elbe het hard te verduren.

Van de tekentafel

Het gaat me nu even om de expansie ten tijde van Augustus, toen het door Caesar leeg gemaakte Belgica Romeins werd. Om het te bevolken verplaatsten de Romeinen hele volksstammen. De Ubiërs, Bataven en Sugambriërs verhuisden van de oostelijke naar de westelijke Rijnoever. Het meer naar binnen gelegen gebied – zeg maar het huidige België – werd bij wijze van spreken van de tekentafel af ontworpen, met stedelijke knooppunten als Bavay en Tongeren en een netwerk van grote wegen. Ze worden vanouds Chaussée Brunehaut genoemd, naar een Frankische koningin die ze volgens een veertiende-eeuwse legende heeft laten repareren.

Lees verder “Liberchies”

Misverstand: Via Belgica

Misverstand: De weg van Bavay naar Keulen heette Via Belgica

De romanisering van de Lage Landen hield ook in dat er wegen werden aangelegd. De Romeinen betoonden zich daarin nogal traditioneel. De belangrijkste weg was althans al eeuwenoud toen ze hem in gebruik namen. Al in de Bronstijd reisden mensen vanuit het huidige Amiens naar Bavay, Tongeren en Keulen. Die steden waren er toen vanzelfsprekend nog niet, maar het bestaan van een weg kan worden afgeleid uit het feit dat er grafheuvels uit de Brons- en IJzertijd liggen, parallel aan het tracé van de Romeinse straat. Caesar rukte hierover in 57 v.Chr. op tegen de Nerviërs (meer), het Veertiende Legioen Gemina gebruikte de weg in 70 na Chr. om een grote opstand neer te slaan, en duizenden kooplieden benutten de straat om graan te brengen naar de Rijnlegers. Dit was de hoofdverkeersader van de Romeinse provincie Gallia Belgica, van letterlijk vitaal belang voor de duizenden legionairs die het imperium beschermden tegen aanvallen uit het Overrijnse.

Sinds mensenheugenis wordt de route in Noord-Frankrijk en Wallonië aangeduid als Chaussée Brunehaut (naar een Frankische koningin die de straat in de Vroege Middeleeuwen zou hebben laten repareren) en in Duitsland spreekt men wel van de Römerstraße en Agrippa-Straße, naar de Romeinse generaal die vermoedelijk bevel heeft gegeven de weg te plaveien. In Nederland en Vlaanderen kennen we geen naam die werkelijk ingeburgerd is geraakt. Een in 1987 gehouden expositie heette gewoon “Langs de weg”.

Lees verder “Misverstand: Via Belgica”

Bellus Imago

Zomaar een Latijnse inscriptie uit Timgad, vooral omdat ik de letters zo elegant vind.

Marc van Oostendorp had gisteren een aardig stukje over Nederlands Latijn. Er zijn mensen die vinden dat we bij het gebruik van Latijnse woorden in onze eigen taal ook de Latijnse regels moeten volgen. Van Oostendorp citeert iemand die de moeite nam een Nederlandse fotografieclub te schrijven dat ze zich beter geen Bellus Imago (“mooi plaatje”) konden noemen, omdat imago een vrouwelijk woord is en het eigenlijk bella zou moeten zijn. Wat een Romein overigens nog steeds vreemd zou vinden. Het lijkt een latinisering van het Franse belle image.

Maar het volgen van de Latijnse regels is geen wet van Meden en Perzen. Je kunt ook beargumenteren dat een leenwoord, als het eenmaal uit de uitlenende taal is vertrokken, zijn grammaticale regels achterlaat en zich aanpast aan de lenende taal. We zeggen ook dat iets is gehypet, waarbij we het Engelse hype gebruiken als een Nederlands woord. Er is geen bindende reden waarom wij ons zouden moeten houden aan de Latijnse regels.

Net als u en de classici die ik weleens spreek lig ik niet werkelijk wakker van deze kwestie. Ook Van Oostendorp lijkt het eerder curieus dan problematisch te vinden dat iemand die zichzelf typeert als een ooit volijverige gymnasiast zózeer aanstoot neemt van Bellus Imago dat hij de fotoclub een brief schrijft en zelfs een psychologisch profiel opstelt van de fotografen, die zouden hechten aan het prestige van het Latijn maar die taal in feite minachten.

Lees verder “Bellus Imago”

Drie stammen

Romeinse ruiterij (Institut archéologique du Luxembourg, Arlon)

Het zijn zomaar de namen van drie van de vele etnische groepen die worden genoemd in de Griekse en Romeinse bronnen: de Sunuci, de Frisiavonen en de Baetasii. De oudere Plinius noemt ze één keer. Achter de Schelde, zo schrijft hij, wonen de Catoslugi, de Atrebates (in Artesië), de Nerviërs (in Henegouwen), de Vermandui (rond Noyon), de Suaeuconen, Suessiones (rond Soissons), de Ulmanectes, de Tungri (rond Tongeren), de Sunuci, de Frisiavonen (Nederlandse archeologen zoeken die, om redenen die ik niet ken, in Zeeland), de Baetasii, de Leuci (in Lotharingen), de Treveren (rond Trier), de Lingonen (bij Langres), de Remers (rond Reims), de Mediomatrici (rond Metz), de Sequanen (in de Jura), de Raurici (achter Bazel) en de Helvetiërs (langs de Boven-Rijn).

Waar alle groepen uit deze grotendeels systeemloze lijst woonden, is een van de vele geografische puzzels uit de Oudheid, waarbij onderzoekers hypothese op hypothese stapelen. Als de Ulmanectes een schrijffout zijn voor Sulbanetes, dan leefden ze rond Senlis, waar een inscriptie die naam vermeldt. Als, als, als. We zullen vandaag eens speculeren over de Sunuci, Baetasi en Frisiavones.

Lees verder “Drie stammen”

De Taalgrens

Moelingen / Mouland

De Franken waren een federatie van stammen die woonden in het gebied dat we nu Overijssel en Drenthe noemen, en ook in het Roergebied en Nordrhein-Westfalen. Beide groepen werkten samen met de Romeinen, maar voerden er ook oorlog tegen. Er is weleens op gewezen dat de oostelijke groep wat agressiever lijkt te zijn geweest dan de noordelijke, maar één extra bron kan dat beeld veranderen.

Feit is dat de Franken vanaf de jaren vijftig van de derde eeuw de Rijn weleens overstaken en dat keizer Postumus rond 265 na Chr. een lijn versterkingen aanlegde om de grote weg door Belgica te beveiligen. Die weg begon in Boulogne en leidde via Amiens, Bavay, Tongeren, Heerlen en Jülich naar Keulen en wordt vanouds aangeduid als de Chaussée Brunehaut. (Dat ’ie tegenwoordig Via Belgica moet heten, is een deprimerend ander verhaal.) In elk geval: het was een belangrijke weg die verdedigd moest worden, want ten zuiden van deze straat lagen op de vruchtbare lössgronden de grote landgoederen waar graan werd verbouwd voor steden als Keulen en de forten langs de Rijn.

Lees verder “De Taalgrens”

Romeins Zuid-Limburg

Grafsteen van een Romeins echtpaar (Thermenmuseum, Heerlen)

De provincie Limburg – voor Vlaamse lezers: de Nederlandse helft van het oude hertogdom – was zo vriendelijk me een exemplaar te sturen van een reisgids voor Romeins Zuid-Limburg: Via Belgica. Romeins Zuid-Limburg. Het was hoog tijd dat zo’n gids er kwam, want ’s Neêrlands antieke verleden wordt steeds verder gereduceerd tot de limes. Een bizar voorbeeld van die verschraling is dit stuk in De Volkskrant, waarin een journalist zonder kritiek reproduceert dat in Nederland zichtbare Romeinse monumenten ontbreken. Hier is óf het badhuis van Heerlen (een van de grotere ruïnes benoorden de Alpen) weggereduceerd uit ons antieke verleden óf Limburg weggereduceerd uit Nederland. Ik stoor me weleens aan Limburgers die van alles wat vies en voos is de schuld geven aan de rest van Nederland, maar in dit geval hebben ze volkomen gelijk. Nu mogen die Limburgers ook zelf weleens de trom roeren om te verhinderen dat ze uit Nederlands Romeinse verleden worden weggeschreven, en gelukkig is er nu de reisgids.

Een andere vraag is of die zijn doel bereikt en daar kun je op twee manieren naar kijken: trekt dit mensen naar Limburg of trekt het mensen naar Romeins Limburg? Het eerste gaat beter dan het tweede.

Lees verder “Romeins Zuid-Limburg”

Goed nieuws over het Thermenmuseum

Het badhuis in het Thermenmuseum in Heerlen (het ziet er inmiddels beter uit maar ik heb alleen deze wat oudere foto)

Ik weet het: een stukje dat begint met “de grootste ruïne” suggereert dat er iets negatiefs gaat komen. De grootste ruïne, dat is de economie van Griekenland, de Amsterdamse binnenstad, de Italiaanse politiek, de puinhopen van Paars. Het is zelden een aanbeveling, behalve in Heerlen, waar de grootste Romeinse ruïne uit Nederland is te zien: in het Thermenmuseum liggen de resten van een enorm badhuis. Het museum heeft ook een geweldige collectie Romeinse vondsten uit Zuid-Limburg.

Het Rijksmuseum van Oudheden is een algemeen museum, het Valkhof en Hoge Woerd richten zich overwegend op de gemilitariseerde periferie van de limes, en wie het gewone, civiele Romeinse leven in de Lage Landen wil kennen, moet naar Heerlen, dat zich daarbij perfect laat combineren met het Gallo-Romeinse museum in Tongeren en eventueel de Katakomben van Valkenburg. Ik zou vaker over “de Euregio” schrijven als het, vanuit Amsterdam, niet zo verdraaid ver weg was. (Wat overigens bewijst hoe perifeer Amsterdam in Europa eigenlijk ligt.)

Lees verder “Goed nieuws over het Thermenmuseum”

Romeinenweek: Thermenmuseum

badhuis
In het Thermenmuseum ligt de grootste Romeinse ruïne in Nederland

Ik ben eens een kijkje wezen nemen in het Thermenmuseum in Heerlen, waar ik een jaar of vijf geleden voor het laatst was geweest. Het bestaat uit drie delen: een ruimte voor tijdelijke exposities, de enorme hal waarin je vanaf een loopbrug ’s lands grootste ruïne kunt zien, en daar achter de vernieuwde permanente tentoonstelling.

Was dat vroeger een algemene introductie tot de Romeinse cultuur, tegenwoordig staat vooral Romeins Zuid-Limburg centraal. Ik zag heel andere voorwerpen dan ik me van eerdere bezoeken herinnerde en de pronkstukken komen nu heel goed tot hun recht. Het voornaamste verschil is echter dat het allemaal wat ruimtelijker is opgesteld. Op de loopbrug over de ruïne zijn bovendien mooie animaties te zien van hoe het gebouw in elkaar heeft gestoken. Het museum is duidelijk verbeterd.

Lees verder “Romeinenweek: Thermenmuseum”