De Iberiërs (2)

Een span ossen (Archeologisch museum van Catalonië, Barcelona)

[Tweede van drie blogjes over de bewoners van Zuidoost-Spanje in de tweede helft van het eerste millennium v.Chr. Het eerste was hier.]

Economie

De meeste Iberiërs waren eenvoudige boeren, peasants. Maar naarmate de ijzerbewerking beter werd – dit speelt dus in de eerste fase, tussen 550 en 425 v.Chr. – slaagde men erin meer te produceren: vooral tarwe en gerst. Er ontstonden in de huidige regio’s Valencia en Murcia steeds grotere overschotten, die men vrijwel zeker verhandelde met de Feniciërs en de Karthagers, de Grieken en de Etrusken.

Naast akkerbouw was er natuurlijk ook veeteelt. De vochtigere gebieden langs de kust en de rivieren waren geschikt als weiland, waar runderen en schapen konden grazen. Er was altijd zuivel en vlees, maar de runderen konden ook dienen als trekdier en de schapen leverden wol. En textiel kon worden geëxporteerd. Op andere bodems konden de Iberiërs varkens, geiten en pluimvee houden.

Lees verder “De Iberiërs (2)”

De Iberiërs (1)

Iberisch aardewerk (Museum voor onderwaterarcheologie, Alicante)

Ik heb op deze blog al redelijk vaak geschreven over de Iberiërs. Dat is een wat onhandige term, want ze slaat van oorsprong op de bewoners van het zuidoosten van Spanje, en kreeg later een tweede betekenis: alle bewoners van het Iberische Schiereiland, dus met inbegrip van de Tartessiërs in Andalusië, de Lusitaniërs langs de Oceaankust en alle andere groepen. Ik wil nu de eerste definitie volgen: de antieke bewoners van de huidige regio’s Valencia en Murcia.

Een eigen archeologische cultuur is aan te wijzen vanaf het midden van de zesde eeuw v.Chr. Die lijkt voort te komen uit de eerdere IJzertijdculturen, maar verschilt daarvan doordat er inmiddels handelscontacten waren met Fenicische en Griekse kooplieden. De eersten zaten ook wat verder naar het zuidwesten en hadden tevens contact met Tartessos, terwijl de laatsten wat noordelijker zaten en daar contact hadden met de diverse Keltische volken.

Lees verder “De Iberiërs (1)”

Het huis van Massinissa

Stamboom van het huis van Massinissa (klik=groot)

Het bovenstaande plaatje wilde ik al een tijdje hebben en ik ben blij dat Kees Huyser het voor me heeft gemaakt. (Dank je wel Kees!) Zoals u ziet is het een stamboom, meer precies die van het huis van Massinissa, die rond 203/202 door de Romeinen werd erkend als koning van Numidië – zeg maar het huidige Algerije.

Hij was niet de eerste koning in de regio: zijn vader Gaïa heerste al over de oostelijke Numidiërs, die bekendstaan als de Massyliërs. Een andere koning, Syfax, heerste over de Masaeisyliërs in het westen, verenigde beide rijken en werd vervolgens verdreven door Massinissa. Met Romeinse steun regeerde hij een halve eeuw en zou zijn koninkrijk hebben opgestoten in de vaart der volken. Dat lezen we althans bij de Griekse geschiedschrijver Polybios, die verrast zal zijn geweest door de Numidische macht rond het midden van de tweede eeuw, maar niet wist hoe sterk het rijk al in de derde eeuw was geweest. We hebben Massinissa’s portret op munten, maar ik heb nooit een echt helder exemplaar gevonden, dus we moeten het doen met het onderstaande plaatje.

Lees verder “Het huis van Massinissa”

Iberisch aardewerk

Iberisch aardewerk (Prehistorisch Museum, Valencia)

In januari waren mijn vriendin en ik op vakantie in Spanje, meer precies in het gebied dat in de Oudheid bekendstond als Iberië: zeg maar de kustregio ten zuiden van de monding van de Ebro tot voorbij Cartagena. Later is de naam Iberië van toepassing verklaard op het hele gebied bezuiden de Pyreneeën, maar dat was dus oorspronkelijk niet zo. In de Spaanse musea die ik bezocht, viel me op dat de decoraties van het Iberische aardewerk echt anders waren dan die van andere regio’s, en dat het ook een aparte crèmekleur had.

Een voorbeeld is de bovenstaande diepe kom, een zogeheten lebes, die is opgegraven op een plek die in het Spaans bekendstaat als Tosal de San Miquel, en die in de Oudheid Edeta heette. Het was de voornaamste stad van de Iberische groep die bekendstond als de Edetaniërs. Deze diepe kom moet dateren uit de tijd tussen pakweg 300 en 76 v.Chr., het jaar waarin de stad werd verwoest. In het Prehistorisch Museum in Valencia zijn heel veel van dit soort stukken te zien, versierd met afbeeldingen van dieren, planten en mensen.

Lees verder “Iberisch aardewerk”

De Thraciërs (4)

Seuthes III (Archeologisch museum, Sofia)

[Dit is het vierde van zeven blogjes over de Thraciërs. Het eerste was hier.]

Lysimachos

Zoals ik in het vorige blogje al aangaf, slaagde de Macedonische officier Lysimachos er in de jaren na de dood van Alexander de Grote (323 v.Chr.) niet in om de Odrysische leider Seuthes III te onderwerpen. De Macedoniërs imiterend stichtte ook Seuthes een stad die hij naar zichzelf noemde, Seuthopolis. (De resten ervan bevinden zich op de bodem van een stuwmeer in de Vallei van de Thracische Koningen.) De Panagyurishte-schat, die in Macedonië niet zou hebben misstaan, dateert uit deze jaren en bewijst dat de Thracische elite culturele aansluiting zocht bij de Grieks-Macedonische wereld.

Pas na een decennium lijkt Lysimachos de situatie meester te zijn geweest; Seuthes erkende hem als heerser, maar bleef zelf aan en lijkt nog rond 295 in leven te zijn geweest. Seuthes’ graf is teruggevonden in de Vallei van de Thracische Koningen en is interessant omdat het bronzen hoofd van Seuthes III ritueel is begraven in de toegang. Het lichaamloze hoofd doet denken aan de mythe dat het lichaamloze hoofd van Orfeus bleef zingen: een soort minachting voor de dood.

Lees verder “De Thraciërs (4)”

Het joodse tweegodendom

Als een Perzische koning een vizier had en als een Romeinse keizer een praetoriaanse prefect had, dan was het alleen maar logisch dat God zelf eveneens beschikte over een rechterhand. Het antieke jodendom kende dus een tweede, jongere of lagere godheid. Dat denkbeeld past niet goed bij het moderne idee dat de joden monotheïsten waren, maar het tweegodendom is goed gedocumenteerd: in het land van Israël en daarbuiten, bij diverse joodse stromingen, vanaf de tweede eeuw v.Chr. tot in de Vroege Middeleeuwen. Tweegodendom was destijds zeker niet verwaarloosbaar.

Over dit onderwerp publiceerde de Duitse godsdiensthistoricus Peter Schäfer in 2017 Zwei Götter im Himmel. Ik las vorige maand de drie jaar later verschenen Engelse vertaling, Two Gods in Heaven, waarin hij ook ingaat op kritiek op het oorspronkelijke boek. Schäfer biedt een overzicht van het tweegodendom, waarbij hij zich beperkt tot de joodse receptie vanaf het Bijbelboek Daniël tot en met de laatantieke mystiek en de Babylonische Talmoed. De christelijke receptie, dat Jezus van Nazaret die tweede godheid was, behandelt hij slechts zijdelings.

Lees verder “Het joodse tweegodendom”

Een vaas die fluit

Een fluit in de vorm van twee kruikjes, versierd met een panfluitist; Vicus-cultuur (Musée du Quai Branly, Parijs)

De trouwe lezers van deze blog weten dat ik een groeiende belangstelling heb voor Precolumbiaans Amerika, dus de Nieuwe Wereld vóór Columbus. Natuurlijk is dat eigenlijk dezelfde interesse als mijn belangstelling voor de Oudheid of het Midden-Oosten: een andere wereld die je dwingt na te denken over de wereld waarin je zelf woont. Mijn groeiende belangstelling voor Precolumbiaans Amerika is echter ongestructureerd. Ik lees weleens wat, maar ik ben nooit in Mexico of Peru geweest, en moet het vooral doen met wat ik oppik in volkenkundige musea.

In het Musée du Quai Branly in Parijs zag ik voorwerpen die ik maar zal aanduiden als fluitende vazen. Ze bestaan uit twee kruikjes, waarvan de een open is en de ander gesloten, zij het dat die uitloopt op een fluit. Die is vaak versierd en kan dan bijvoorbeeld de vorm hebben van een mannetje of een vogel of iets anders. De twee vaasjes zijn verbonden door een buisje. Als je nu water giet in het open vaasje, loopt het door het buisje naar het andere kruikje, waar het de lucht wegperst door de fluit. Je kunt die fluitende vazen ook een beetje schudden, dan maken ze (denk ik) korte piepgeluiden.

Lees verder “Een vaas die fluit”

Het Romeinse hooggerechtshof: de Basilica Julia

De Basilica Julia

Een blogje over Rome, waarom ook niet, ik schrijf er tenslotte nooit over. We gaan naar het Forum Romanum, naar de Basilica Julia: in de keizertijd de plaats waar het hooggerechtshof samenkwam. Eerder stond hier het huis van Publius Cornelius Scipio, de generaal die de Tweede Punische Oorlog had beëindigd door Iberië te veroveren en daarna bij Zama de Karthaagse generaal Hannibal te verslaan. Scipio’s dochter Cornelia was in 175 getrouwd met Tiberius Sempronius Gracchus, de voornaamste senator (princeps) uit het tweede kwart van de tweede eeuw v.Chr., rijk geworden met de pacificatie van wat wij Castilië zouden noemen. Hun kinderen waren de revolutionaire volkstribunen Tiberius en Gaius Sempronius Gracchus. Volgens de geschiedschrijver Titus Livius kocht Sempronius Senior, toen hij in 169 censor was, het huis van zijn schoonvader:

Tiberius Sempronius Gracchus kocht van het hem van staatswege toegewezen fonds het huis op van Publius Cornelius Scipio Africanus. Dat stond achter de Oude Winkelgalerij, vlakbij het beeld van Vortumnus, bij de  slagerijen en de winkels. Sempronius liet daar de basilica bouwen die later Sempronia werd genoemd. noot Livius, Geschiedenis van Rome sinds de Stichting van de Stad 44.16.10-11.

Lees verder “Het Romeinse hooggerechtshof: de Basilica Julia”

Het alfabet van Numidië

Punisch-Numidische bilingue uit Lixus (Kasbah-museum. Tanger)

Vorige week organiseerde het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden voor de vierde keer de Week van het Oude Schrift. Eerlijk is eerlijk: soms gaan de lezingen minder over schrift dan over de taal of over het geschrevene, maar het is een leuk initiatief, waar ik zo veel mogelijk naar kom luisteren. Zoals afgelopen zaterdag, toen Maarten Kossmann van de Leidse universiteit kwam spreken over het Berber-schrift (“Tifinagh”) en zijn antieke voorgangers.

Allerlei alfabetten

Ik heb die mooie letters – altijd blokletters – in Algerije weleens gezien: bijvoorbeeld uitleg in het Frans, Arabisch en de Berbertaal Amazigh over de persoon van Augustinus, die de Algerijnen zo reapproprieren. Ik zag de karakters ook op verkiezingsaffiches en ik bezit een zwaard met een kwaadafwerende inscriptie, die overigens niemand kan lezen.

Lees verder “Het alfabet van Numidië”

Cairns en brochs en Skara Brae (1)

Ierse mantelspeld, ca 800 (National Museum of Scotland, Edinburgh)

Mijn rondreis door Schotland had als verste doel het blootgekomen neolithische dorp Skara Brae op Orkney’s Mainland, het grootste van de eilandengroep Orkney-eilanden. De nog noordelijker gelegen Shetland-eilanden en de Outer Hebrides vielen buiten het reisplan. In grote lijnen was het plan langs de oostkust naar het noorden via Edinburgh, en terug langs de westkust met het eiland Skye en Glasgow, en dan weer terug naar de veerboot in Newcastle-upon-Tyne.

Historische resten uit de Middeleeuwen en later bestaan veelal uit de ruïnes van burchten, vervallen na  politieke verwikkelingen en verandering van de eindeloze oorlogvoering, en van abdijen en kerken, die na de reformatie geheel of gedeeltelijk zijn gesloopt. Geholpen door het lidmaatschap van de Scottish Historical Society heb ik er in mijn zevenweekse rondreis talloze van bezocht. De reis ging natuurlijk ook door een overweldigend landschap.

Lees verder “Cairns en brochs en Skara Brae (1)”