Een schitterend museum in Plovdiv

Grote Basilica, Plovdiv

Soms zie ik iets dat zó tof is dat ik erover schrijven moet, zoals de museale inrichting rond de zogeheten Grote Basiliek van Plovdiv. Simpel samengevat: alles klopt. En ik ben zo enthousiast dat ik breek met mijn voornemen om, zolang ik in Bulgarije ben, geen blogjes te schrijven. Dit verhaal moet eruit, zo simpel.

Goed, wat is het? Toen ik in 2014 in Plovdiv was, zag ik bij het postkantoor een opgraving, maar ik was te moe om er lang naar te kijken; nu is daar een schitterend museum gebouwd over de grootste van twee basilieken. Die was gebouwd over een oudere tempel voor de keizercultus; elementen uit het oudere gebouw zijn gerecycled in het jongere, dat diende als de kerk van de bisschop van Plovdiv of, zoals de stad destijds heette, Filippopolis.

Lees verder “Een schitterend museum in Plovdiv”

De Thraciërs (2)

De godin Bendis op een panter (Rogozen-schat, Archeologisch museum, Vratsa)

[Dit is het tweede van zeven blogjes over de Thraciërs. Het eerste was hier.]

Sociale stratificatie

De in het vorige blogje genoemde handel en de exploitatie van goudmijnen zorgden voor rijkdom. En rijkdom schiep sociale stratificatie: koning, adel, krijgers, boeren. Het is geen toeval dat de Odrysen, die het dichtst bij het Perzische Rijk en de Griekse stadstaten woonden, in de vijfde eeuw v.Chr. als eersten een eigen koninkrijk bouwden. Zij hadden de beste mogelijkheden om handel te drijven. Later volgden ook de andere gebieden.

Maar de maatschappelijke verschillen zijn al eerder gedocumenteerd. Toen de Perzen tegen het einde van de zesde eeuw de regio onderwierpen, was er al een archeologisch herkenbare elite die pronkte met Griekse en Perzische voorwerpen. (Ik blogde al eens over de Rogozen-schat, gevonden bij de Triballiërs in het noordwesten, waar een kruikje bij zit waarvan de decoratie lijkt te zijn geïnspireerd door de Perzische leeuw-stier-reliëfs.) Niet dat de Thraciërs zelf geen kunst maakten. In de vorstelijke residenties was emplooi voor edelsmeden. Hun producten zijn aangetroffen in tal van graftombes (tumuli in jargon) en zijn beeldschoon.

Lees verder “De Thraciërs (2)”

Voor-westerse geschiedenis (4) flora

Olijfboom

De bovenstaande olijfboom stond een kwart eeuw geleden in Agrigento op Sicilië. Vermoedelijk staat ’ie er nog, want olijfbomen zijn taai. Net als steeneiken, johannesbroodbomen, Aleppo-dennen, acacia’s, ceders, vijgenbomen en andere oer-Mediterrane gewassen. Ze weten zich op harde grond te wortelen en kunnen tegen een stootje. Dat geldt ook voor de palmboom, die oorspronkelijk wat oostelijker groeide, in de eeuwen vóór het begin van onze jaartelling naar het westen oprukte en in de eerste eeuw v.Chr. nog voldoende zeldzaam was om het opschieten van zo’n boom te beschouwen als een voorteken – ik blogde daar al eens over. In de Arabische tijd werd de palmteelt echt serieus groot en de palmboomgaard van het Spaanse stadje Elche, in het westen van de oude wereld, geldt als werelderfgoed.

Van oost naar west

De dadelpalm representeert, om zo te zeggen, de grote flora-beweging in de oude wereld: oosterse gewassen kwamen naar het westen. Westwaarts kwam ook de bananenpalm, die in de zesde eeuw v.Chr. vanuit het Verre Oosten de Indusvallei bereikte en daarvandaan verder naar het westen reisde. De sinaasappelboom en de kersenboom kwamen al langer voor het Nabije Oosten en bereikten eveneens de Mediterrane wereld. Van de laatstgenoemde boom is dankzij Plinius de Oudere bekend dat de Romeinse generaal Lucullus hem rond 70 v.Chr. aantrof in Anatolië en meenam naar Italië, waarna andere Romeinen de kersenboom overbrachten naar Gallië. Net als de wijnrank overigens; de Moezelwijn is een Romeinse innovatie. De Perzen brachten als eersten suikerriet vanuit de Indusvallei naar Khuzestan (volksetymologie: “suikerland”), de hellenistische vorsten exporteerden de plant verder naar het westen, al werd het pas echt wat in de Late Oudheid. Idemdito katoen.

Lees verder “Voor-westerse geschiedenis (4) flora”

Bilingue

Bilingue (Antikensammlung, München)

Op het moment dat u dit leest, zwerf ik door Parijs. Zoals u weet wisten de middeleeuwse theologen van de Sorbonne al dat de lieve God Parijs heeft geschapen als tegenwicht voor het universum, dat immers bot en bruut is. En het is een belangrijke wijsgerige kwestie, besproken door de filosofen in het Quartier Latin, waarom mensen, terwijl Parijs toch bestaat, ergens anders willen wonen. Wat ik maar zeggen wil: ik heb wel iets beters te doen dan bloggen.

Dus een plaatje. Het bovenstaande. Deze vaas – technisch: een hydria, die water bevatte – komt niet uit het Louvre, zelfs niet uit Parijs, maar uit de Antikensammlung te München. Op de schouder zien we van links een strijdwagen aan komen rijden; als u goed kijk ziet u dat de rechter strijdwagen rechtsomkeert maakt. De krijger middenin lijkt zich ook uit de voeten te willen gaan maken, al kijkt hij de naderende vijand nog wel aan.

Lees verder “Bilingue”

Judea en zijn buren: cultuur

De hippodroom van Caesarea Maritima

In het vorige blogje legde ik uit hoe de politieke landkaart van Judea en omgeving er in de nieuwtestamentische tijd uitzag. Wat van mensen woonden hier nu? Ik denk dat wij dat eigenlijk niet goed begrijpen kunnen. Dat komt ten dele doordat niet iedere gemeenschap een politieke chroniqueur had als Flavius Josephus, of religieuze literatuur als het Nieuwe Testament, de Dode Zee-rollen of de Mishna. Maar even wezenlijk is dat wij zijn geconditioneerd door de nationale staat:noot Ik krijg dat lelijke anglicisme “natie-staat” dat de laatste jaren zo populair aan het worden is, almaar niet uit mijn pen. het idee dat in één land één door zijn taal gedefinieerd volk woonde met één min of meer dezelfde cultuur. Wij zijn slecht voorbereid op de pluriformiteit van de toenmalige wereld.

Tegenstellingen

Binnen de Herodiaanse rijken waren bijvoorbeeld joodse delen, met Jeruzalem als bekendste voorbeeld, maar ook hellenistische steden als Caesarea, Samaria, Sepforis, Tiberias en Panias. Op het platteland lijken mensen waarde te hebben gehecht aan joodse gebruiken, maar dat wilde niet zeggen dat ze geen kritiek hadden op de Tempel. (Het wil ook niet zeggen, trouwens, dat wij moeten denken dat we ze kunnen begrijpen vanuit het latere rabbijnse jodendom – een fout die nogal eens wordt gemaakt.) Omgekeerd leefden er joodse groeperingen buiten wat wij instinctief geneigd zijn te beschouwen als een joods gebied. Het kan niet vaak genoeg benadrukt worden dat Jeruzalem, welke pretenties de stad ook had, niet de enige tempel voor Jahweh was.

Lees verder “Judea en zijn buren: cultuur”

De joodse Diaspora (2)

Joods grafschrift uit Rome (Museo nazionale delle terme, Rome)

In het vorige stukje noemde ik de plaatsen waar aan het begin van de jaartelling Joden leefden. Dat was eigenlijk in de hele antieke wereld.

Variatie

Het gaat om groepen wier interne autonomie door het Romeinse Recht werd erkend, wat ook logisch was, want men kon alleen leven naar de eigen regels als de rest van de stedelijke gemeenschap daar een beetje rekening mee hield. Flavius Josephus biedt een opsomming van de rechten die Julius Caesar in een dozijn steden verleende aan de Joodse minderheden.

Ik gebruik tot nu toe de hoofdletter J, want tot nu toe ging het nauwelijks om religie. Maar de verspreiding van het volk betekende wel dat variatie ontstond in de joodse godsdienstige gebruiken en ideeën. Er waren allerlei afwijkingen van wat in het moederland gangbaar was. Er zijn bijvoorbeeld aanwijzingen dat Diaspora-Joden tijdens de sabbat vastten, wat mogelijk een manier was om in een overwegend niet-Joodse omgeving de spijswetten en sabbatsrust enigszins in acht te nemen. Later zou men in Rome het paaslam slachten zoals men dat in Jeruzalem had gedaan toen de tempel er nog stond, hoewel deze gewoonte in Judea was afgeschaft.

Lees verder “De joodse Diaspora (2)”

Faits divers (13)

De uitbarsting van de Hoge Vuursche, die Houten veranderde in het Pompeii van Utrecht

In de reeks faits divers deze keer: eerst de flauwekul en daarna de leuke dingen.

Flauwekul

Het begint in deze onregelmatig verschijnende rubriek een traditie te worden: uitleggen wat er afgelopen week niet klopte in de archeologie van Israël. Het gaat over de opgraving van Gath, waar de Filistijnen, zo lezen we, … nou ja, leest u verder. Het enige nieuws is dat het botanisch materiaal is geïnventariseerd. Gewoon, wetenschappelijk werk. Niks bijzonders. Sommige planten blijken hallucinerend te werken en – presto – dat is religieus. Volgens deze redenering zouden de bewoners van elke Nederlandse of Belgische boerderij waar alruin, doornappel of bilzekruid wordt gevonden, dus eveneens hallucinerend door het leven gaan.

En omdat archeologen ook hallucinatie-opwekkende planten hebben opgegraven in Griekenland, moeten de Filistijnen dus Griekse goden hebben aanbeden. En dat moet wel een moedergodin zijn, die de onderzoekers meteen maar gelijkstellen aan Hera, Artemis, Demeter en Asklepios. Ik ben niet op de hoogte van werkelijke aanwijzingen dat de Mykeense Grieken een moedergodin aanbaden, maar waarom zou een wetenschapper nadenken over bewijs als hij de conclusie al kent?

Lees verder “Faits divers (13)”

Theseus

Theseus en de Minotaurus (Musée de Bardo, Tunis)

Theseus, wie kent hem niet? Het is inderdaad de nationale held van de stad Athene, de doder van de Minotaurus, een legendarische koning en nog zo het een en ander. Zijn verhaal is onder andere overgeleverd in de Parallelle Levens van de Grieks-Romeinse auteur Ploutarchos, ergens aan het begin van de tweede eeuw na Chr. Maar in de voorgaande eeuwen zijn er talloze andere verwijzingen naar Theseus, om van afbeeldingen nog maar te zwijgen.

Jeugd

De held zou zijn geboren in de havenstad Troizen, een eindje ten zuiden van Athene, als de zoon van Aithra, een dochter van de plaatselijke koning. De vader van Theseus was óf de zeegod Poseidon óf koning Aigeus van Athene. Aithra zelf wist het niet, want ze had met beide heren op één en dezelfde avond de lakens gedeeld.

Lees verder “Theseus”

De Dekapolis

Skythopolis (Beth Shean)

Je hoeft niet bijzonder goed in Grieks te zijn om Dekapolis te vertalen. Het betekent inderdaad zoiets als “tienstedenland”. Het gaat om wat wij Jordanië noemen. Ruwweg dan. En hoewel de naam Grieks is en de bevolking Aramees of Arabisch was, was de Dekapolis Romeins.

Dat zit zo. Na de slag bij Issos (333 v.Chr.) onderwierp Alexander de Grote de Levant. De regio raakte steeds meer opgenomen in het Griekse handelsnetwerk en met de handel kwamen allerlei gebruiken en ideeën. Dat riep weerstand op, waarvan de Makkabeeënopstand in Judea het bekendste is. Ondanks de anti-hellenistische ideologie die een rol speelde, veranderde Judea in een hellenistisch koninkrijk, eerst onder leiding van de Hasmoneeën en later onder leiding van het huis van Herodes.

Lees verder “De Dekapolis”

Vragen rond de jaarwisseling (3)

Boeddha (Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel)

Stuur uw vragen maar in, schreef ik, en wie weet of ik ze beantwoorden kan rond oud en nieuw. Ik beantwoordde in het eerste stukje de eerste vier vragen en in het tweede stukje de vragen vijf tot en met tien. We gaan vandaag verder.

11. Vraag via de mail: Wanneer kozen de Romeinen ervoor om de Griekse godenwereld over te nemen en wat dreef hen daartoe?

Business as usual. Elk volk in de Oudheid nam de goden van de buren over. De Romeinen deelden goden met de Sabijnen (zoals Janus), met de Etrusken (zoals Minerva), met de Grieken (zoals Hercules). Vaak stelde men goden met bekende namen gelijk aan vreemde goden, zodat de Romeinse Jupiter dezelfde kon zijn als de Etruskische Tinia, de Griekse Zeus of de Babylonische Marduk. De Romeinse Liber Pater was dan weer gelijk aan de Griekse Dionysos, aan de Indische Vishnu en aan de joodse Jahweh. Ik noem dit voorbeeld omdat de Grieken de naam Liber Pater weer overnamen van de Romeinen en hun Dionysos zo gingen noemen. De vakterm voor de gelijkstellingen is syncretisme.

Lees verder “Vragen rond de jaarwisseling (3)”