Geliefd boek: Die Erweiterung

Deze roof raakt iedere Roemeen” schreef Mira Feticu in het NRC van 1 februari jongstleden. Het gaat hier natuurlijk om de kunstroof uit het Drents Museum in Assen, waarbij de gouden helm van Coțofenești en drie armbanden van hetzelfde metaal werden buitgemaakt. Feticu legde uit hoeveel meer die helm voor de Roemenen betekent dan louter nationaal erfgoed. Hij is het symbool, de personificatie van hun nationale identiteit. En die nationale identiteit betekent meer voor een Balkanland dan wij ons hier in Nederland, of in West-Europa überhaupt, kunnen voorstellen.

Robert Menasse, Die Erweiterung

In 2022 kwam Die Erweiterung van Robert Menasse uit. De Nederlandse uitgave van deze roman heet De uitbreiding. Het Duitse “Erweiterung” is echter een veel dubbelzinniger woord: het betekent niet alleen uitbreiding, maar ook verwijdering. Verwijding en verwijdering.

Lees verder “Geliefd boek: Die Erweiterung”

Alexander de Grote en de Illyriërs

Helm, zoals de Illyriërs droegen (Archeologisch museum, Split)

Nu ik werkende weg blijk te zijn begonnen aan een verslag van het eerste regeringsjaar van Alexander de Grote – ik vertelde over zijn vader, over zijn troonsbestijging, over zijn campagne op de oostelijke Balkan – kan ik net zo goed nog even verder gaan en vertellen over zijn campagne in het westen. In het zuiden van het huidige Albanië en het noordwesten van Griekenland lag het koninkrijk Epirus, waarmee het Macedonische vorstenhuis door huwelijksbanden was verbonden, en ten noorden daarvan woonden enkele Illyrische stammen. Die waren, net als de Thraciërs, aan Macedonië onderworpen, maar Alexanders staf achtte het verstandig te laten zien dat de nieuwe koning even geducht was als Filippos.

Alexander had in zoverre geluk dat een van de Illyrische stammen, de Dardaniërs uit het huidige Kosovo, het plan had opgevat Macedonië binnen te vallen. Dat bespaarde Alexander de moeite een voorwendsel te verzinnen om naar het westen te marcheren, maar haast was wel geboden. Stamhoofd Kleitos had zich verzekerd van de steun van een andere stam, de Taulantiërs, en had bovendien in het westen van Macedonië het fort Pellion bezet, dat gezocht moet worden in de omgeving van Korçë, in oostelijk Albanië.

Lees verder “Alexander de Grote en de Illyriërs”

VI Ferrata, het Gestaalde Legioen (1)

Ere-inschrift uit Smyrna voor een officier van VI Ferrata (vertaling; Louvre, Parijs)

Een tijdje geleden ben ik begonnen met bloggen over de geschiedenis van de diverse Romeinse legioenen. Ik begon met de eenheden die een rol speelden in de Tweede Burgeroorlog, waarover ik immers ook blog: III Gallica, V Alaudae en X Gemina kwamen zo al aan bod. Vandaag het zusterlegioen van het Vijfde: VI Ferrata. Je zou het kunnen vertalen als “het gestaalde legioen”. Het Engelse iron-clad dekt de lading ook mooi. Het zal verwijzen naar de pantserhemden die de soldaten droegen, de lorica hamata.

Ontstaan

Net als het Vijfde legioen, de Leeuweriken, is het Zesde Legioen, in 52 v.Chr. door Julius Caesar gelicht op de Povlakte. Zoals ik al vertelde, was dat eigenlijk niet toegestaan, aangezien de bewoners van dat gebied geen Romeins burgerrecht hadden. Toen Caesar, na het uitbreken van de Tweede Burgeroorlog, eenmaal in Rome was, hielp hij zichzelf aan legitimatie met de Lex Roscia.

Lees verder “VI Ferrata, het Gestaalde Legioen (1)”

De Aoos

Een regenboog boven de Aoos

Hé, dat is nou eens een leuk bericht. Edi Rama, de premier van Albanië, heeft vorige week het stroomgebied van de Vjosë uitgeroepen tot beschermd natuurgebied. Nu zijn er wel meer natuurparken maar dit is de eerste keer in Europa dat een overheid een wilde rivier beschermt. Anders dan onze Rijn en Maas is de Vjosë nooit gekanaliseerd. Ook zijn er geen dammen of dijken. Ik lees dat het rivierpark ruimte biedt aan allerlei waterdieren en talloze wilde beesten. Otters, gieren en de bedreigde Balkanlynxen kunnen hier dus vrijuit hun otter-, gier- en Balkanlynxdingen doen.

Aoos

De 270 kilometer lange Vjosë is de antieke Aoos, die ook wel Aias heette. De rivier ontspringt in het Pindosgebergte, iets ten oosten van het huidige Griekse stadje Konitsa. Daarvandaan stroomt de rivier naar het westen om, even voor de grens met Albanië, naar het noordwesten te buigen. De bewoners van de oevers heetten de Parauaioi, wat zoiets betekent als “mensen langs de Aoos”.

Lees verder “De Aoos”

Geliefd boek: Minarets in the Mountains

De Britse moslim, reiziger en journalist Tharik Hussain beschrijft in Minarets in the Mountains. A journey into Moslim Europe (Chesham, 2021) zijn ontmoetingen met moslimgemeenschappen in de Balkan. Zijn vrouw en zijn twee tienerdochters reizen mee. Die zijn niet zo geïnteresseerd in Ottomaanse architectuur en doen met hun moeder vaak andere dingen. De reis begint in Sarajevo waar hij ook weer zal eindigen. Het gezin bereist alle Balkanlanden, van Bosnië-Herzegovina tot Albanië en Noord-Macedonië. Een kaartje laat de route zien en toont welke steden worden bezocht.

Vreemdelingenhaat

Tharik Hussain werd in 1979 in Bangladesh geboren. Samen met zijn ouders migreerde hij in 1980 naar East End in Londen. Rondom de centrale straat Brick Lane, waarover ik al schreef, en in het naburige Whitechapel had zich daar een grote diaspora van migranten uit Bangladesh gevestigd. Het werd hem meteen duidelijk gemaakt dat hij daar niet hoorde. De tijd begin jaren tachtig was vol gewelddadig racisme. De British National Party hield kantoor in Brick Lane. Zijn vader werd voor de deur in elkaar geslagen en zijn moeder gilde van angst als er weer een brandbom door de brievenbus vloog. De Britse vreemdelingenhaat veranderde in de loop der jaren:

Lees verder “Geliefd boek: Minarets in the Mountains”

Caesar vlucht vooruit

De Aoos

Van het dorpje Kavajë, waar Caesars laatste kamp bij Dyrrhachion was geweest, naar Pojan, het Apollonia waar Caesar de winter had doorgebracht, is het over moderne wegen ongeveer 75 kilometer. Toen Caesars manschappen, ongeveer dertigduizend in getal, zich van Dyrrhachion terugtrokken, legden ze de afstand af in drie dagen. Deze logistieke operatie toont Caesar, voor wie we verder geen sympathie hoeven voelen, op zijn best.

Pompeius’ aarzeling

Hij had wel wat geluk, want Pompeius schatte de situatie verkeerd in. Appianus is bijna sarcastisch.

Vol trots op zijn overwinning stuurde Pompeius brieven naar alle koningen en steden. Hij rekende erop dat de soldaten van Caesar direct naar hem zouden overlopen nu ze uitgehongerd waren en volkomen ontmoedigd door de nederlaag. (Burgeroorlogen 2.63; vert. John Nagelkerken) Lees verder “Caesar vlucht vooruit”

Na de slag bij Dyrrhachion

Caesar (British Museum, Londen)

Als ik begin te zeggen dat het 17 quintilis was, dan hoef ik niet toe te voegen dat u bent beland in een nieuwe aflevering van de reeks “Wat deed Julius Caesar gisteravond 2069 jaar geleden?” In mijn vorige blogje vertelde ik over de nederlaag die Gaius Julius Caesar bij Dyrrhachion leed tegen de troepen van de Senaat, gecommandeerd door Pompeius. Die avond

ging Caesar naar zijn tent, legde zich neer en bracht de vreselijkste nacht van zijn leven radeloos door, zichzelf verwijtend dat hij zich een slecht strateeg had getoond. (Caesar 39)

Aldus Caesars biograaf Ploutarchos, hier geciteerd in de vertaling van Hetty van Rooijen. Ploutarchos heeft het even later nog over “een slapeloze nacht vol rusteloze gedachten over de onmogelijke en lastige situatie”. Ook Appianus vermeldt dat Caesar zichzelf na de slag bij Dyrrhachion verwijten maakte.

Hij erkende dat hij er spijt van had zijn kamp bij Dyrrhachion te hebben opgeslagen, waar voor Pompeius alles wat hij nodig had voorhanden was; hij had hem moeten weglokken naar een andere plek waar hij te kampen zou hebben met eenzelfde gebrek aan middelen als zij. (Burgeroorlogen 2.64; vert. John Nagelkerken)

  Lees verder “Na de slag bij Dyrrhachion”

De slag bij Dyrrhachion

Cato de Jongere (Archeologisch Museum van Rabat)

Als ik u zeg dat het 17 quintilis was, als ik toevoeg dat het was in het jaar waarin Gaius Julius Caesar (voor de tweede keer) en Publius Servilius Isauricus consuls van Rome waren, en als ik dat omreken naar 6 juni 48 v.Chr. op onze kalender, dan weet u dat u bent beland in een nieuwe aflevering van de reeks “Wat deed Julius Caesar vandaag 2069 jaar geleden?” En als u deze reeks volgt, weet u dat we op weg zijn naar de climax in de stellingenoorlog bij Dyrrhachion.

Caesars aanval

Caesars legioenen blokkeerden bij Dyrrhachion de door Pompeius gecommandeerde troepen van de Senaat, maar Pompeius was uitgebroken. Met zijn vloot was hij achter zijn tegenstanders geland en hij had een kamp gebouwd. Caesar moest het initiatief zien te herwinnen. En er deed zich een mooie gelegenheid voor. Aanvankelijk had Caesars Negende Legioen gebivakkeerd tegenover Pompeius’ kamp, maar later had het dat kamp opgegeven om zich te voegen bij andere eenheden. Daarop had Pompeius de plek bezet en verder versterkt. Hij had er de veldtekens ondergebracht die zijn mannen enkele dagen eerder op Caesars legionairs hadden veroverd. Caesar besloot aan te vallen. Hij schrijft:

Lees verder “De slag bij Dyrrhachion”

Dyrrhachion: Pompeius valt aan

Pompeius (Ny Carlsberg Glyptotek, Kopenhagen)

Als ik u zeg dat het 6 quintilis was, als ik toevoeg dat het was in het jaar waarin Julius Caesar (voor de tweede keer) en Servilius Isauricus consuls van Rome waren, en als ik dat omreken naar 26 mei 48 v.Chr. op onze kalender, dan weet u dat u bent beland in een nieuwe aflevering van de reeks “Wat deed Julius Caesar gisteren 2069 jaar geleden?”

De stellingen bij Dyrrhachion

Het initiatief verspelen. Dankzij de desertie van Roucillus en Aecus, de twee Allobrogenleiders waarover ik gisteren blogde, wist  Caesars tegenstander Pompeius precies waar het zwakke punt was in de door de Caesars manschappen aangelegde stellingen. Dat was helemaal in het zuiden. Daar was het mogelijk om met schepen een landing uit te voeren achter het door Caesars Achtste Legioen gebouwde fort. In zijn Burgeroorlog legt Caesar het probleem uit:

Lees verder “Dyrrhachion: Pompeius valt aan”

De desertie van Roucillus en Aecus

De Gallische krijger uit Vachères (kopie uit het Museo nazionale della civiltà romana, Rome)

Als ik u zeg dat het was aan het begin van de maand quintilis, als ik toevoeg dat het was in het jaar waarin Gaius Julius Caesar (voor de tweede keer) en Publius Servilius Isauricus consuls van Rome waren, en als ik dat omreken naar medio mei 48 v.Chr. op onze kalender, dan weet u dat u bent beland in een nieuwe aflevering van de reeks “Wat deed Julius Caesar zo’n slordige 2069 jaar geleden?”

Vloeken, vermoedelijk. Hij was bij Dyrrhachion met Pompeius verwikkeld geraakt in een stellingenoorlog. Caesar probeerde zijn tegenstander in te sluiten, Pompeius probeerde uit te breken maar zijn aanvallen op Caesars posities waren, zoals we in het vorige stukje zagen, afgeslagen. Op dit punt in zijn verslag last Caesar een boeiende anekdote in.

Lees verder “De desertie van Roucillus en Aecus”