Een nieuw “eerste” alfabet?

Een van de beschreven scherven (uit dit artikel)

Een van de redenen waarom men in de achttiende en negentiende eeuw de Oudheid bestudeerde, was dat men meende dat als men iets in zijn oorspronkelijke staat kende, men ook het wezen ervan doorgrondde. Het vroegste christendom was volmaakt geweest en later was het minder geworden; ooit was er een zuiverder Grieks gesproken geweest en dat was later vervuild geraakt. Hier komt de obsessie met “eerstes” vandaan die de oudheidkunde nog steeds teistert.

Vaak is dat aandachttrekkerij, maar niet altijd. De Amerikaanse archeoloog Glenn Schwartz publiceerde een paar weken geleden een artikel over een viertal beschreven stukjes klei uit de Bronstijdnederzetting Umm el-Marra ten oosten van Aleppo, waar hij samen met de Universiteit van Amsterdam onderzoek heeft gedaan in de jaren voor de burgeroorlog. De vondst is dus alweer wat ouder en in 2010 al gepubliceerd. Nu komt Schwartz erop terug in een artikel met de bescheiden kop “Non-Cuneiform Writing at Third-Millennium Umm el-Marra, Syria” (€). Het nieuwtje zit in de ondertitel: “Evidence of an Early Alphabetic Tradition?”

Lees verder “Een nieuw “eerste” alfabet?” →

“Naar alle kanten het Rijk vergroot” (2)

Ktesifon

[Vandaag het tweede van vier blogs over de veldtochten van keizer Septimius Severus (r.193-211), die het Romeinse Rijk bracht tot zijn grootste omvang. Dat dit onder Trajanus zou zijn gebeurd is vooral propaganda van Mussolini. Het eerste deel is hier.]

De verovering diende om de welvarende provincie Syrië meer veiligheid te bieden, aangezien deze door de Eufraat alleen slecht werd beschermd. De verovering van Mesopotamië was dus een defensieve maatregel. In dit licht moet ook de tweede Parthische veldtocht van Severus worden gezien: in 197/198 voer hij de Eufraat af naar de Koninklijke Kanalen, de verbinding tussen Eufraat en Tigris op het punt waar deze rivieren elkaar halverwege Irak even naderen. Herodianos schrijft (in de vertaling van M.F.A. Brok):

De troepen van Severus ontscheepten zich en plunderden het land. Alle vee dat hun in de weg kwam dreven ze weg om hun voedselvoorraad aan te vullen en de dorpen waar ze door kwamen staken ze in brand. Na korte tijd bereikten ze bij hun opmars Ktesifon, waar de koning der koningen resideerde. De Romeinse soldaten overvielen de volkomen verraste Parthen, vermoordden iedereen die hun in de weg kwam en plunderden de stad. Alle vrouwen en kinderen namen ze mee als krijgsgevangenen. De koning zelf was gevlucht met een groepje ruiters en zo konden de Romeinen zich ook van zijn schatkamers meester maken. Ze roofden alle sieraden en kostbaarheden en begonnen toen aan de terugtocht. (Herodianos 3.9)

Lees verder ““Naar alle kanten het Rijk vergroot” (2)” →

“Naar alle kanten het Rijk vergroot” (1)

De boog van Septimius Severus op het Forum Romanum

Een van de opvallendste monumenten op het Forum in Rome is de triomfboog van keizer Septimius Severus. Als u er niet vertrouwd mee bent, zult u misschien de filmscène uit Roman Holiday kennen waarin Gregory Peck een slapende Audrey Hepburn vindt en een taxi voor haar belt; de ereboog is steeds zichtbaar op de achtergrond. Hoewel de reliëfs van dit monument in de twintigste eeuw zwaar te lijden hebben gehad van de zure regen, is het opschrift nog goed te lezen:

Ter ere van Imperator Caesar Lucius Septimius, zoon van Marcus, Severus Pius Pertinax Augustus, vader des vaderlands, overwinnaar van de Arabische Parthen, overwinnaar van de Adiabenische Parthen, opperpriester, in het elfde jaar van zijn bevoegdheid als volkstribuun, elfmaal uitgeroepen tot Imperator, driemaal consul, proconsul […] omdat hij met zijn bijzondere talenten de staat intern heeft hersteld en naar alle kanten het Rijk heeft vergroot; geschonken door Senaat en Volk van Rome.

Lees verder ““Naar alle kanten het Rijk vergroot” (1)” →

Bar-Rakeb van Sam’al

Bar-Rakeb ontvangt een schrijver (Pergamonmuseum, Berlijn)

Haal u even de landkaart van Turkije en Syrië voor de geest. De grens loopt van het oosten naar het westen. Vlak voor de Middellandse Zee zwenkt hij ineens naar het zuiden en loopt dan een eind zuidelijker naar verder naar de kust. Het gebied waar de grens zo opvallend omheen loopt is dat van Antiochië. Al voor die stad was gesticht, was hier een belangrijk stedelijk centrum, dat eveneens de Orontes en de weg van de zee naar Assyrië beheerste: Sam’al. Het is ook wel bekend als Bit Gabbar. De ruïnes van de koninklijke residentie zijn te zien bij het huidige Zincirli.

Ik herinner me vooral het vluchtelingenkamp ernaast. De ruïnes stellen weinig voor, de opgraving was, toen ik er kwam, stilgelegd. Voor de vondsten moet je zijn in de musea, zoals het Berlijnse Pergamonmuseum, waar bovenstaand reliëf is te zien. Dit is koning Bar-Rakeb, die regeerde van 727 tot 711 v.Chr. en hier een schrijver ontvangt. Op de inscriptie identificeert de koning zichzelf als zoon van Panamuwa, dienaar van de Baäl van Harran.

Lees verder “Bar-Rakeb van Sam’al” →

Sint-Joris & co

Sint-Joris en de draak (achttiende-eeuwse ikoon uit het Antivouniotissa-museum, Korfu)

Als religie mensenwerk is, en zelfs de diepst gelovigen erkennen dat dit voor minimaal de helft zo is, zijn ook de grenzen tussen religies mensenwerk. En ook de ontkenning van die grenzen. Dat is een van de redenen waarom het moderne Midden-Oosten zo boeiend is: de grens tussen de diverse joodse, christelijke, islamitische en druzische stromingen is vloeiend. Onze Sint-Joris, de drakendoder, wordt niet alleen vereerd door christenen, maar ook door moslims, die hem aanduiden als Khidr, de “groene man”. Ik herinner me dat een van zijn graven me werd aangewezen in de citadel  van Aleppo, waarover zo meteen meer.

De joden associëren Joris/Khidr met de profeet Elia. De druzen kennen hem op dezelfde wijze als beschreven in de Koran: iemand die slechte dingen lijkt te doen die in feite goed zijn, al herkent niet iedereen Gods voorzienigheid. Dit weet ik wel: of het nu in Syrië, Libanon of Israël/Palestina is, de gelovigen gebruiken elkaars cultusplaatsen en trekken zich van de grenzen tussen de religies, die in West-Europa zo dogmatisch zijn, niets aan. Ik schreef er al eens over.

Lees verder “Sint-Joris & co” →

Misverstand: Bakermat

 

In Damascus wordt deze stadspoort aangewezen als de plaats waar Paulus ooit over de muur wist te ontsnappen. Weererkers zijn een middeleeuwse uitvinding en deze poort stond er niet in de eerste eeuw.

Misverstand: Het Nabije Oosten is de bakermat van onze religies, het westen van onze rationaliteit

Een van de slagzinnen waarmee het Syrisch verkeersbureau toeristen probeert te trekken, is dat Syrië de ‘cradle of faith’ zou zijn geweest, de bakermat van de religies. Het werkt: elk jaar komen er duizenden westerse christenen naar Damascus om de plek te zien waar de vrienden van de apostel Paulus hem in een mand over de stadsmuur lieten zakken om hem te laten ontsnappen. Op loopafstand drommen Iraanse pelgrims samen bij het graf van Hosseyn, de derde imam. Veel van die religieuze sites zijn van een bedenkelijke authenticiteit: het erkertje waaruit Paulus zou zijn neergelaten dateert bijvoorbeeld uit de Middeleeuwen.

Maar er is een wezenlijker probleem met het religieuze toerisme naar het Midden-Oosten. Om het te begrijpen moeten we tweehonderd jaar terug, naar Berlijn. Daar werd aan het begin van de negentiende eeuw een nieuwe universiteit gesticht waarin het wetenschappelijk bedrijf op een vernieuwende manier werd georganiseerd. De discipline van de oude geschiedenis raakte daarbij verspreid over twee afdelingen: de historicus die Griekenland en Rome wilde bestuderen, moest eerst Grieks en Latijn leren en kwam zo terecht bij de subfaculteit van de klassieke talen; de historicus die zich op het Nabije Oosten richtte, moest Hebreeuws of Arabisch leren en kwam terecht bij Semitische talen. Wat eeuwenlang samen bestudeerd was geweest, raakte zo gescheiden – en niet alleen in Berlijn, maar overal waar dit organisatiemodel werd overgenomen.

Lees verder “Misverstand: Bakermat” →

Max Mallowan in Syrië

Reliëfje uit de Jezira, begin derde millennium v.Chr., afkomstig uit de Mallowan-expeditie (Archeologisch Museum Aleppo)

Het archeologische museum van Aleppo heeft vitrines vol liggen met archeologische vondsten uit de Jezira, het eiland tussen de Eufraat en Tigris. Ze zijn in de jaren dertig opgegraven door de Britse archeoloog Max Mallowan, onder andere te Tell Arpachiyah, Chagar Bazar en Tell Brak en ze documenteren onder meer de “rise of civilization”: het proces waarmee een egalitaire landbouwsamenleving zich ontwikkelde tot een stedelijke, diverse maatschappij, geregeerd door koningen.

Mallowans conclusie dat het verstedelijkingsproces zich niet alleen in Egypte en zuidelijk Irak had voltrokken maar ook in Syrië, maakte hem tot een van de beroemdste archeologen van zijn tijd, en er wordt nog steeds met respect over hem gesproken, zeker in het Midden-Oosten. Toen ik in Aleppo was, heb ik me in het Baron Hotel zijn slaapkamer laten aanwijzen. (Lawrence of Arabia heeft er ook geslapen.) Mallowans opgravingen zijn belangrijk geweest en het is des te leuker dat zijn echtgenote in 1946 een boek heeft gepubliceerd over het dagelijks leven op een grote Britse opgraving – tweehonderd arbeiders! – in het Franse mandaatgebied Syrië. Het is een amusante collecties anekdotes, het heet Come, Tell Me How You Live, het heeft de gruwelijke ondertitel Memories from Archaeological Expeditions in the Mysterious Middle East en het is nog steeds leverbaar.

Lees verder “Max Mallowan in Syrië” →

Armenië in Libanon

Musa Dağ, de Mozesberg, verrijst even ten noordwesten van Antiochië. Hier lagen ooit zes Armeense dorpen, al bewoond door Armeniërs sinds de Middeleeuwen en misschien nog wel langer. In juli 1915 kregen de bewoners van de Ottomaanse autoriteiten opdracht zich klaar te maken voor verhuizing – en de dorpelingen wisten dat dit neerkwam op deportatie. De Armeense genocide was in april van dat jaar al begonnen met een moordpartij in Constantinopel.

De vierduizend bewoners van de zes dorpen trokken zich terug op de berg zelf, legden loopgraven aan, oefenden zich in het schieten en wachtten op de onvermijdelijke aanval. Die volgde inderdaad, maar de belegerden wisten de soldaten af te slaan, waarop de Ottomaanse troepen besloten de dorpelingen uit te hongeren. Een paar van hen wisten naar Iskenderun – dat toen nog Alexandretta heette – te komen, deels lopend langs de kust, deels zwemmend, in de hoop dat daar schepen zouden liggen van de Entente, maar vergeefs.

Lees verder “Armenië in Libanon” →

Rennen voor vluchtelingen

Nea Kavala, rennende vluchtelingen

Op deze blog heb ik al enkele keren aandacht besteed aan de Syrische vluchtelingen die u in Libanon kunt tegenkomen: anderhalf miljoen of zo, op een bevolking van vier miljoen. U leest er hier meer over: een kennismaking, enkele cijfers, interview met een vluchtelingenwerkster, een gebroken arm, onderwijs voor vluchtelingen.

Tot zover Libanon. Een deel van de vluchtelingen is via Turkije naar Griekenland gegaan – u herinnert zich dat Aylan Kurdi de oversteek niet overleefde – en verblijft nu, vrij uitzichtloos, in Griekenland. Het Cygnusgymnasium in Amsterdam heeft (net als vorig jaar) voor deze vluchtelingen een actie opgezet, waar ik graag uw aandacht voor vraag.

Rennen voor vluchtelingen

Ze zijn minder vaak in het nieuws, maar ze hebben nog steeds nergens om naartoe te gaan: de tienduizenden vluchtelingen, voornamelijk uit Syrië, die jarenlang en onder vaak erbarmelijke omstandigheden in Griekse kampen wachten op een toekomst. De vijfdeklassers van het Cygnus Gymnasium bezoeken op hun klassieke Griekenlandreis, tussen alle tempels en musea, weer een van die kampen. Dit jaar is dat het kamp Nea Kavala, ten noorden van Thessaloniki.

Lees verder “Rennen voor vluchtelingen” →

Van heinde en verre

Mozaïek van een karavaan uit Bosra in Syrië (in het plaatselijke museum, hopelijk nog steeds). In de Romeinse tijd kwamen dromedarissen ook voor in de Lage Landen. (in het plaatselijke musea, hopelijk nog steeds)

Van heinde en verre: de Week van de Klassieken is gewijd aan migratie. Dat onderwerp kwam ook aan bod bij de Nationale Archeologiedagen, terwijl vorig jaar mobiliteit het thema was van de Romeinenweek. Dat is natuurlijk geen toeval.  Het is een van de meest opvallende trekken van de menselijke soort dat ze beweeglijk is. Tienduizenden jaren geleden heeft de soort zijn oorspronkelijke habitat in Afrika verlaten en sindsdien is hij via het Arabische Schiereiland uitgewaaierd naar de rest van de wereld, naar de maan en binnenkort naar Mars. Als we ooit besluiten dat we als homo niet zo sapiens zijn, dan kunnen we altijd nog besluiten dat we homo migrans zijn.

In de Oudheid was het niet anders en dan bedoel ik niet – of niet alleen – dat grote groepen vanuit Griekenland en Italië uitzwermden om zich te vestigen in nieuwe steden en in Romeinse volksplantingen rond de Middellandse Zee. Ook hier in de Lage Landen waren de bewoners mobiel. U weet wel, de Bataven kwamen de Rijn afzakken. De dichter Claudianus vermeldt Belgische boeren die hun kuddes lieten verweiden in het Overrijnse. Ik heb weleens geblogd over aardewerk dat bij Kontich, ten zuiden van Antwerpen, is opgegraven en dat bleek te zijn gemaakt van klei uit Drente. Eén van de beroemdste verhalen over de Friezen, dat van Verritus en Malorix, begint met een volksverhuizinkje. Dat alles was allemaal allang bekend, maar mobiliteit is de laatste tijd nogal in de mode. En dat komt uiteraard door de DNA-revolutie.

Lees verder “Van heinde en verre” →