Vandalisme en plundering

De tetrapylon van Palmyra

Eigenlijk is het heel logisch dat als ik blog over Palmyra, zoals ik vanmorgen deed, ik reacties krijg over de plundering. Die heeft inderdaad nogal wat publiciteit gekregen en ik had moeten zien aankomen dat daarop zou worden gereageerd. Gek genoeg heb ik daar, toen ik vannacht mijn stukje typte, geen seconde aan gedacht. Mijn antwoord op een reactie op Faceboek groeide uit tot de lengte van een blogstukje en ik kan dat op deze plek weer uitbreiden met wat links. Een overzicht dus.

Syrië

De erfgoedschade in Syrië is vooral toegebracht door het regime. De zogenaamd Islamitische Staat heeft zich beperkt tot acties die eerder mediageniek waren dan schadelijk. Ik wil ze daarmee – dit schrijf ik met nadruk – niet bagatelliseren want de schade is reëel, maar het waren toch vooral de personeelsadvertenties van een terreurgroep en de westerse media hebben de taak van megafoon goed op zich genomen. Het beschadigen van oudheden was voor IS echter geen echt doel. Als dat zo zou zijn geweest, had het Resafa kunnen plunderen, maar het liet die stad ongemoeid.

Lees verder “Vandalisme en plundering” →

Gezicht op Palmyra

Restauratie van het “Gezicht op Palmyra” van Gerard Hofstede van Essen (Allard Pierson-museum, Amsterdam)

Gisbert Cuper was, behalve burgemeester van Deventer, een van die wonderlijke geleerden uit de zeventiende, achttiende eeuw: de te weinig bezongen voorgangers van de professionelere wetenschap die later zou ontstaan, liefhebbers van kennis, even rusteloos als creatief zoekend naar informatie, vol van de ideeën van de vroege Verlichting. Cupers specialisme was Palmyra, de in 1691 voor het eerst door westerse bezoekers aangedane woestijnstad in Syrië. Weliswaar heeft hij zelf Palmyra nooit bezocht, maar hij was voor die tijd buitengewoon goed geïnformeerd. Dat was eenvoudiger dan u misschien denkt, want er was aan het einde van de zeventiende eeuw een Nederlandse handelskolonie in Aleppo, die namens hem munten kocht en informatie doorspeelde, zoals een afschrift van het reisverslag van de Engelsman William Halifax, die in 1691 als eerste Europeaan Palmyra bereikte.

In Cupers huis hing sinds 1694 een ruim vier meter breed schilderij, dat in 1693 is vervaardigd door de verder nauwelijks bekende schilder Gerard Hofsted van Essen. Deze lijkt deel te hebben genomen aan de expeditie van Halifax. De schetsen die Hofsted maakte, zouden ook worden gebruikt voor de prent van Palmyra die Halifax in 1695 toevoegde aan zijn officiële publicatie. Op dat moment waren er dus twee afbeeldingen van Palmyra: het schilderij uit 1693 en de prent uit 1695, die beide teruggingen op schetsen die Hofsted in 1691 had gemaakt.

Lees verder “Gezicht op Palmyra” →

Lokpatrijs

Een vrije en een gekooide vogel. Reliëf uit Bosra.

Een tijdje geleden blogde ik over laatantieke mozaïeken van gekooide vogels. Ik schreef:

Ik begrijp echter dat het motief is ontleend aan de klassieke wereld: stoïcijnse filosofen als Seneca en neoplatonisten als Porfyrios vergeleken de menselijke ziel met een vogel in een kooi. Het verlangen van de vogel om weer langs de hemel te kunnen vliegen is hierbij te vergelijken met het verlangen van de ziel om weer vrij te zijn en naar zijn hemelse oorsprong terug te keren.

Dat leidde tot een leuke discussie, waarvan de eerste reactie was:

Lees verder “Lokpatrijs” →

Byzantijnse krabbel (6): Zijde

Zijde uit Palmyra

Hierboven een slechte foto van een stukje textiel uit het geplunderde museum van Palmyra. Zijde is natuurlijk interessant, want het komt uit China. Net als het gevest van jade dat ik ooit zag in het Bulgaarse Stara Zagora, hebben we hier een aanwijzing voor handel langs de Zijderoute.

Het product sprak ook in de Oudheid tot de verbeelding. De Romeinen hadden een heel geïdealiseerd beeld van de Seres, de “zijdemensen”, die ergens op de oostelijke rand van Azië in vrede zouden leven, een kalme levenswijze hadden en verbleven in een land met een aangenaam klimaat en een zuivere lucht. (Chinese beschrijvingen van het Romeinse Rijk zijn al even utopisch.) Ammianus Marcellinus, een Romeinse historicus uit de vierde eeuw na Chr., beschrijft hoe de zijde wordt gemaakt:

Lees verder “Byzantijnse krabbel (6): Zijde” →

Byzantijnse krabbel (3): Simeon de Styliet

Zevende-eeuwse afbeelding van Simeon de Styliet. De weergave van de pilaar is vermoedelijk accuraat: het zal zijn gegaan om een platform van een vierkante meter waarop hij moet hebben kunnen zitten. De slang staat voor de machteloze duivel; de schelp herinnert aan de apsis waarover ik al eens blogde. (Louvre, Parijs)

In het noorden van Syrië ligt het fenomenale grafcomplex voor de heilige Simeon de Styliet, die leefde in de eerste helft van de vijfde eeuw. Hij was de eerste van de wonderlijke groep die bekendstaat als de stylieten ofwel pilaarheiligen: mannen – voor zover ik weet altijd mannen – die een kluizenaarsleven verkozen maar zich daarbij niet terugtrokken in de ontoegankelijke wildernis en in plaats daarvan op een pilaar klommen, doorgaans langs een grote weg. Daar zaten of stonden ze dan, op eenzame hoogte maar nooit alleen. Altijd waren er reizigers in de buurt.

Voor ons is deze vorm van zelfverloochening onbegrijpelijk maar in de Late Oudheid had ze grote impact. Menig reiziger hield halt bij Simeon, luisterde naar een preek en nam de woorden mee, verder langs de weg: oostwaarts naar Aleppo, zuidwaarts naar Damascus, westwaarts naar Antiochië. Het is te begrijpen waarom Simeon er, hoewel de zelfkastijding hem zwaar gevallen moet zijn, mee is door gegaan: zijn woorden reisden verder dan die van andere christelijke predikers en maakten hem invloedrijker dan menige bisschop.

Lees verder “Byzantijnse krabbel (3): Simeon de Styliet” →

Byzantijnse krabbel (2): Twee naturen

rila_councils_1_nicaea_i
De discussie over de twee naturen van Christus tijdens het Concilie van Nikaia (325) op een schildering in het Bulgaarse Rila-klooster. In het centrum, vooraan, staat Nikolaas van Myra klaar om een apostolische oplawaai te verkopen aan een ketter.

Christus was een god onder de goden en zelfs de tegenstanders van het christendom erkenden dat deze godheid bestond en ten tijde van keizer Tiberius op aarde had geleefd. Of je hem ook vereerde, en op welke wijze, was een persoonlijke keuze. Toch was er voor menigeen ook iets afstotends aan deze eredienst: wie Christus vereerde, kwam fanatiekelingen tegen die meenden dat je andere goden moest afzweren.

Dat was een gevaarlijke mening. Als zo’n exclusivist een openbaar ambt bekleedde, kon hij niet aan de stadsgoden offeren en zou hij hun wrok afroepen over de gemeenschap. Het vervolgingsdecreet waarmee keizer Decius rond 250 de vervolging gelastte is niet overgeleverd, maar wat we wél weten, suggereert dat hij iets eiste dat vooral voor exclusivisten lastig was. Van de vervolging door keizer Valerianus, enkele jaren later, staat vast dat hij deze groep op de korrel nam. Gewone Romeinse gelovigen, die niet exclusivistisch waren, liepen geen gevaar. Het vernieuwende van Constantijn de Grote is niet dat hij christen werd, maar dat hij het exclusivistische christendom de wind in de zeilen gaf en binnen die radicale stroming ook nog sympathiseerde met de groep die meende dat er een orthodoxie was.

Lees verder “Byzantijnse krabbel (2): Twee naturen” →

Een unieke kerel

Grafsteen uit het geplunderde museum van Apameia

Je vindt nog ’s wat als je bezig bent met je oude foto’s. Bovenstaande inscriptie was ooit te zien in het geplunderde museum bij de Syrische stad Apameia. De grafsteen van een Romeinse soldaat. Er gaan er dertien van in een dozijn: hier hebt u er nog een stuk of dertig, behorend dezelfde museumcollectie en daar heeft u een stukje dat ik ooit blogde over een ander exemplaar. Vrijwel alle soldaten behoorden bij hetzelfde legeronderdeel, het Tweede Legioen Parthica, de strategische reserve van het Romeinse Rijk. Het onderdeel was in de eerste helft van de derde eeuw na Chr. enkele keren in Syrië gestationeerd. Allemaal niks bijzonders.

Als mijn zakenpartner en ik foto’s hebben gemaakt, benut ik de avond meestal om ze een naam te geven zodat we het materiaal later makkelijk kunnen terugvinden. Op een mooie novemberavond in 2008 las ik snel de naam van de soldaat, die blijkbaar Marius heette of misschien Carius. (Voor niet-latinisten: het eerste woord, Mario, betekent “voor Marius”, al is de eerste letter erg beschadigd.) Hij werd drieënveertig jaar oud en diende er ruim eenentwintig. Twee trompetters plaatsten de gedenksteen. Nog steeds niets bijzonders en ook de constatering dat hij een “unieke kerel” was, is niet uitzonderlijk. Hooguit was de naam van de overledene wat kort, maar in de derde eeuw raakte de aloude driedelige Romeinse naam in onbruik, dus zo vreemd was dat nou ook weer niet.

Lees verder “Een unieke kerel” →

Deir ez-Zor

Een pazuzu-beeldje uit Tell Sheikh Hamad (ooit in het museum in Deir ez-Zor)

Op zaterdag 8 november 2008 werd ik wakker in Deir ez-Zor in Syrië. Ons hotel stond aan de Eufraat en ik herinner me hoe een van mijn reisgenoten die ochtend de ontbijtzaal kwam binnenlopen met een flesje in haar hand, bijna kraaiend van plezier: “Dit flesje… het water heb ik geschept uit … de Eufraat!” Ik had een ochtendhumeur en stoorde me aan haar enthousiasme, maar schaamde me onmiddellijk voor die reactie, want natuurlijk is het heel bijzonder dat je zomaar kunt reizen naar het Midden-Oosten.

Hoe bijzonder, dat weten we inmiddels. Deir ez-Zor is grotendeels verwoest in de Syrische Burgeroorlog. Het einde is nog niet in zicht want Deir ez-Zor ligt nu op de grens tussen de gebieden die de regering en de Koerden beheersen, en ik ga ervan uit dat president Assad niet zal rusten eer hij de Koerden heeft uitgeschakeld. Als er al iets overeind staat van het plaatselijke museum, zal het gebouw nog wel enige tijd worden gebruikt voor andere doeleinden dan tentoonstellingen. Over de collectie heb ik het nog niet eens. U leest hier maar, als u durft.

Lees verder “Deir ez-Zor” →

Damnatio memoriae

Inscriptie ter herdenking van de Brits-Franse bezetting van Beiroet en Tripoli (Nahr al-Kalb)

Ik blogde al eens eerder over de Nahr al-Kalb, de “hondenrivier” vlak ten noorden van Beiroet, waar nogal wat legers inscripties hebben achtergelaten om te laten weten dat ze er waren geweest. Het was er voor de bezoeker al niet erg veilig door het verkeer en een deel van het betonnen pad is inmiddels getroffen door betonrot en afgesloten, maar het is nog steeds leuk om te bekijken.

Een van de inscripties is de bovenstaande. In de laatste maanden van de Eerste Wereldoorlog rukte generaal Allenby vanuit Jeruzalem op naar het noorden, richting Damascus. Vlak voor hij daar aankwam, hadden de Arabieren die stad al ingenomen, zoals u misschien weet uit de speelfilm Lawrence of Arabia. Tijdens deze operatie bezetten het Eenentwintigste Britse Legercorps en het Franse detachement in Palestina en Syrië de havens van Beiroet en Tripoli. De inscriptie herdenkt een en ander.

Lees verder “Damnatio memoriae” →

De eerste wereldtaal

[Vandaag een gastbijdrage van mijn goede vriend Richard Kroes, die heel veel weet van oosterse talen en wiens blog u ook eens moet bekijken.]

Vanavond is de officiële presentatie van een boek dat ik stiekem al gelezen heb: De eerste wereldtaal, de geschiedenis van het Aramees van Holger Gzella, professor Hebreeuwse en Aramese Taal- en Letterkunde in Leiden, uitgegeven door Athenaeum-Polak & Van Gennep. Ik kreeg de proefdrukken toegestuurd en heb het boek direct verslonden. Aramees, dat kent u als de taal die Jezus sprak. Gzella krijgt regelmatig een vraag om uitspraken van de timmerman uit Nazareth in het Aramees. Voor een tatoeage.

Op dergelijke vragen gaat hij doorgaans niet in, want hoe Jezus zijn moerstaal sprak, daar weten we eigenlijk niet heel veel van. Het Aramees dat we kennen uit de periode waarin hij leefde, is de Aramese schrijftaal uit de Dode Zee-rollen, en dat sprak de gewone bevolking niet. Arameese spreektaal kennen we wel: het Palestijns Aramees, maar de bronnen daarvoor zijn van enkele eeuwen daarna. En dan weten we bovendien nog dat Jezus sprak met een Galilees accent, waar we helemáál niks over weten.

Lees verder “De eerste wereldtaal” →