Zoals ik in een eerder blogje in deze reeks al aangaf, was Alexander de Grote op weg gegaan naar Persis, het kernland van het Perzische Rijk, het huidige Fars. Niet al zijn manschappen namen deel aan deze operatie. Persis mocht dan het politieke centrum zijn van een wereldrijk, het was agrarisch arm en kon onmogelijk de 60.000 soldaten, de 30.000 non-combattanten, de 8500 paarden en de 1800 lastdieren voeden waaruit het Macedonische leger op dit moment lijkt hebben bestaan. Een groot aantal soldaten overwinterde in het vruchtbare Elam, deels als garnizoen voor de stad Sousa.
De weg naar het Zagrosgebergte, dat Persis als een muur begrenst, maakte deel uit van het stelsel van koninklijke wegen en de Macedoniërs konden zonder problemen oprukken. Kleitabletten uit Persepolis vermelden dat de heerbaan tussen deze paleisstad en Sousa was voorzien van twee dozijn pleisterplaatsen. De eerste etappes van Alexanders route zijn daardoor goed te reconstrueren. Na twee dagen overbrugden de Macedoniërs de rivier de Dez in de schaduw van de vervallen, duizend jaar oude tempeltoren van Choga Zanbil, en na een tussenstop in een dorp dat in de kleitabletten wordt aangeduid als Ithema, bereikte het leger Šurkutir, het huidige Shushtar. Daar stak het leger de Karun over, die, zoals Curtius Rufus schrijft, “diep temidden van rotsachtige, met wouden begroeide oevers stroomt”.
Ik weet dat het blasé klinkt, maar nu ik alweer een halve eeuw in oudheidkundige musea kom, neemt de verwondering wat af. Als kind was alles nieuw wat mijn ouders me toonden. Als gymnasiast begon ik dingen te herkennen en als student werden dat er meer. Ik zie echter nog steeds dingen voor het eerst. Soms (zoals deze medische attributen) gaat het om zaken waarvan ik het bestaan zelfs niet vermoedde, soms gaat het om voorwerpen waarvan ik wist dat ze bestonden maar die ik nog nooit zag.
Zoals de scherf hierboven. Het voorwerpje behoort tot een privéverzameling en is gevonden in de omgeving van Krefeld aan de Rijn, waar een Romeins fort stond dat Gelduba heette. Er zijn letters in gekrast – het is een ostrakon. Het leuke is dat de tekst in het Aramees is: er staat “Barsemias, zoon van Barlaha”.
Reliëf uit Deir el-Bahri met palmbomen, mirrebomen en paalwoningen
Over de historische geografie is veel minder bekend dan historische atlassen suggereren. Dat ligt niet aan de geografie, want het gebeurt maar zelden dat een nieuwe berg verrijst of een rivier haar loop verlegt. Het probleem is de aard van onze bronnen: fragmentarisch, ambigu. Dat we een antieke plaats niet op de landkaart kunnen aanwijzen, is dus bepaald geen mysterie. Het is een gewoon aspect van de wijze waarop we de Oudheid kennen.
Tekstueel bewijs
Zo is er de kwestie van het land Punt (of Pwenet). Het wordt genoemd in een paar Egyptische teksten, waarvan de oudste ergens rond 2500 v.Chr. is geschreven. De daarop volgende dertien eeuwen voeren de Egyptenaren zo nu en dan – onthoud dit punt – naar Punt, en verwierven daar ebbenhout, dieren, mirre en andere geurstoffen, die ze ruilden tegen textiel, graan en edelmetaal. Zoals wel vaker beschreven de Egyptenaren ook dit buitenland in half-mythische termen, een “land der goden”.
Mijn bezwaar is niet dat het receptiegeschiedenis is. Dat er oudheidkundigen zijn die menen dat dit specialisme voor hen relevant is, bewijst dat de sloop van het wetenschappelijk onderwijs het beoogde resultaat heeft gehad, en bij die constatering zal ik het maar laten. (Lees desgewenst dit blogje.) Het duurde echter even voordat ik ontdekte waar in De limes als legende de schoen wrong, en dat zegt iets over de kwaliteit van de geboden informatie.
Mijn belangstelling voor religie is die van een historicus. Ik wil weten hoe mensen destijds dachten. De historicus constateert en beschrijft; hij hoeft niet steeds te zeggen dat deze of gene praktijk schandalig of prijzenswaardig was en hoeft er ook geen voorbeeld van te maken. Natuurlijk, mijn onderwerpkeuze maakt duidelijk waar mijn belangstelling ligt, en zoals iedereen heb ik mijn sym- en antipathieën, maar ik probeer mijn historische belangstelling gescheiden te houden van mijn levensovertuiging.
Vandaag echter even niet. Ik wil het eens hebben over politici en andere bestuurders die excuus maken. Waarom overtuigen ze zo zelden?
De chimaira van Arezzo (Museo archeologico nazionale, Florence)
Ik heb het bovenstaande beeld maar één keer gezien, maar het maakte grote indruk. Ik vermoed dat het op iedereen indruk maakt, want werkelijk alles klopt aan dit beeld. Oké, niemand van ons heeft ooit een echte chimaira gezien, een monster uit de Griekse mythologie dat een vuurspuwende leeuw combineert met een geit en een slang, maar het leeuwendeel oogt levensecht. Volgens de bekendste mythe werd het ondier verslagen door Bellerofon.
Het beeld is in 1553 gevonden buiten de stadsmuren van Arrezo, de oude Etruskische stad Aretium, en lijkt kort na 400 v.Chr. te zijn vervaardigd. Dat was – als ik een wat subjectief oordeel mag geven – eigenlijk het moment van de grootste Etruskische culturele bloei. Vrijwel onmiddellijk daarna begonnen de Galliërs en Romeinen aan hun aanvallen op de Etruskische steden: laatstgenoemden annexeerden Veii in 396VC=392 v.Chr. en eerstgenoemden trokken zes jaar later plunderend zuidwaarts. In de vierde eeuw v.Chr. verloren de Etrusken hun politieke zelfstandigheid.
Tot de opmerkelijkste vondsten Gholaia (Bu Njem), een van de castella aan de Limes Tripolitanus, behoort een verzameling militaire notities op ostraca (beschreven aardewerkscherven). Ze bieden een zeldzaam inzicht in de Romeinse aanwezigheid aan de rand van de woestijn. Voor het Thesaurus linguae Latinae-lemma repungo mocht ik drieëndertig van die scherven bekijken. Het gaat om lijsten uit de jaren 253 tot 259 waarop de diverse dagtaken staan vermeld. Hier is een voorbeeld dat ik zelf ook niet kan lezen, maar door Robert Marichal is ontcijferd:
Fenicische tandprothese (Archaeological Museum of the American University, Beiroet)
Tandklachten zijn, behalve vervelend, van alle tijden, en daarom zijn er ook al heel erg lang specialisten. Ik meen dat er in de Oudheid al vullingen waren, al kan ik me niet herinneren hoe ik dat weet. Wat ik wel zeker weet, is dat u hierboven een Fenicische tandprothese ziet, in Sidon gevonden in het graf van een man die leefde in de vijfde eeuw v.Chr.
De zes voortanden zijn met gouddraad verbonden, en dat bleek nodig ook. Uit röntgenfoto’s blijkt namelijk dat de man leed aan parodontitis, wat wil zeggen dat hij leed aan een vergevorderde vorm van tandvleesontsteking, zó ernstig dat het kaakbot werd aangetast en de tanden los kwamen zitten. Het gouddraad stabiliseerde de voortanden, zodat hij ze kon blijven gebruiken en beschikte over een letterlijk schitterende lach.
Eerst even dit: een petitie. Dit keer niet om een archeologisch instituut, een klassieke opleiding, een faculteit geesteswetenschappen of een museum te redden, maar omdat er een onzalig plan is de publiekstaken van het Nederlandse Nationaal Archief in te perken. Terwijl dat juist zijn publiekstaken moet uitbreiden, bijvoorbeeld door u en mij toegang te verlenen tot alle wetenschappelijke publicaties die de afgelopen kwart eeuw achter betaalmuren zijn gelegd. Ik noem maar iets voor de hand liggends. Uiteraard weet ik dat het moment om de humaniora te verdedigen, in de jaren tachtig was. Teken desondanks toch maar, al zal het wel vergeefse moeite zijn. Maar je mag “au” roepen als ze de toegangsdeur tot de beschaving in je gezicht dichtsmijten.
Ter zake nu.
Rivieren
Europa kende eeuwenlang twee grote handelsroutes, schreef ik onlangs. De ene was de corridor van de Noordzee via Rijn, Moezel, Saône en Rhône naar de Middellandse Zee, en de ander was de Donau, de route van de Zwarte Zee naar West-Europa. Om het belang van die rivier te illustreren, noemde ik dat hierlangs de eerste landbouwers, de eerste metaalwerkers, de eerste Indo-Europees-sprekenden, de Sarmaten, de Hunnen, de Avaren en de Magyaren westwaarts waren gekomen. Ongetwijfeld sla ik zo nog wat groepen over.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.