De wierde van Adorp

Adorp

Ik mopper weleens over de hypes waarmee archeologen vissen naar fondsen. Over het badhuis in Heerlen dat, door een heel specifieke definitie van “gebouw” te hanteren, het oudste gebouw van Nederland zou zijn. Over de wijze waarop het vele junk nieuws over de limes ons zicht belet op verdieping. Of over de Cuijkse affaire. Het valt inmiddels op als een archeoloog niet overdrijft. Dus ging ik, toen ik dit artikel had gelezen, op de koffie bij de mensen die momenteel aan het werk zijn in Adorp, halverwege Groningen en Winsum.

De wierde

Het is al langer bekend dat daar in de Oudheid een belangrijke wierde heeft gelegen, vlakbij een kreek die wel in verband zal hebben gestaan met de Hunze. Nu daar een fietspad wordt aangelegd, wordt er onderzoek gedaan en de opgravers stonden versteld over hun vondsten. Het waren er meer dan verwacht, veel meer zelfs, en ze dateerden allemaal uit de tijd van de eerste eeuw v.Chr. tot eind tweede eeuw n.Chr.

Lees verder “De wierde van Adorp”

Oud Groningen

De terp van Ezinge, zoals nagebouwd in Archeon.
De terp van Ezinge, zoals nagebouwd in Archeon.

Ik blogde zondag en maandag over de Romeinse visie op de bewoners van de Lage Landen. Misschien is het aardig af te ronden met een voorbeeld: de beschrijving van de bewoners van de terpen of wierden langs de Waddenzee. Die heetten in de Oudheid “Chauken”, een woord dat lijkt te zijn afgeleid van *Hauhae, waarin de elementen “hoog” en “heem” herkenbaar zijn. Hooghemers dus, mensen die woonden op kunstmatige hoogten.

Het volgende ooggetuigenverslag is van Plinius de Oudere, die het land in 47 n.Chr. heeft gezien. Het leek hem maar een armzalig gebied en dat was het, vergeleken met zijn van alle gemakken voorziene basis in Xanten, natuurlijk ook. Desondanks waren de Chauken eigenlijk vrij welvarend. Plinius, die niet aan land lijkt te zijn gekomen, kon niet weten dat ze eieren raapten en joegen op vogels en robben. Hij zag niet dat de kwelders dienden als weiden, waar runderen en schapen graasden en waar zelfs, achter lage dijkjes, akkerbouw mogelijk was. Ook al was de bodem zilt, het was mogelijk er gerst, vlas en duivenbonen te verbouwen. De Friezen en Chauken exporteerden kaas, zout, wol, leer en schapen, en vormden tevens een schakel bij de doorvoer van slaven, pelzen en barnsteen. Plinius zag het niet. Hij was gefascineerd door de rand van de aarde – zee of land? – en de tegenstelling tot de Romeinse wereld.

Lees verder “Oud Groningen”

Germaans aardewerk

Germaans aardewerk uit Kontich
Germaans aardewerk uit Kontich (België)

De bovenstaande grauwe pot fotografeerde ik op de jubileumexpositie van de Antwerpse Vereniging voor Romeinse Archeologie, waarover ik gisteren blogde. Hij is opgegraven in Kontich en lijkt te dateren uit de late tweede eeuw of de eerste helft van de derde eeuw. Het voorwerp is heel anders dan het gelijkmatige, op pottenbakkersschijven gemaakte aardewerk dat normaal was in de Romeinse tijd. Deze pot is met de hand gevormd en geïmporteerd van buiten het imperium.

Lange tijd zouden archeologen het hierbij hebben gelaten. Als keramiek werd opgegraven – zeker in een Griekse of Romeinse context – keek men vooral naar de artistieke eigenschappen. Als het beschilderd was of gevormd in mallen was het mogelijk het aardewerk te dateren, wat weer handig was om de opgraving te dateren. Veel meer deed men er echter niet mee. Met grauw aardewerk als dit, dat dus ergens tussen 175 en 250 is vervaardigd, was men snel klaar.

Lees verder “Germaans aardewerk”