Nobelprijs voor de Literatuur 2021: David Reich

O ja, de Nobelprijs, die zit er ook weer aan te komen. Ik hou er niet van. Wetenschap is geen topsport waarin er eentje de beste is. Het is een collectieve onderneming. Dat geldt ook voor literatuur. Een auteur legt ideeën neer en daarover ontstaat debat. Bij de verrijking van onze cultuur zijn de criticus en de lezer – op papier, online of welk medium ook – net zo belangrijk als de schrijver. De Nobelprijs voor de Literatuur zou eigenlijk eens moeten gaan naar de New York Review of Books.

Gelukkig hebben de meeste nieuwsredacties wel door dat de Nobelprijzen het collectieve aspect van de wetenschap tekort doen. Als vanmiddag de Nobelprijs voor fysiologie en geneeskunde gaat naar een mRNA-vorser [edit: niet dus], zal men ook andere grootheden uit dit veld noemen [edit: vast wel]. Bij literatuur zie ik dat minder.

Lees verder “Nobelprijs voor de Literatuur 2021: David Reich”

Eigenlijk zou de DNA-revolutie “hermeneutische revolutie” moeten heten

Ik heb het regelmatig over de DNA-revolutie. Dat zou momenteel het belangrijkste thema in de oudheidkunde moeten zijn. Simpel gezegd: het bioarcheologische onderzoek toont dat mensen in het verleden opvallend mobiel waren en dat heeft vérstrekkende implicaties voor de bestudering van de oude culturen. Het zou beter een “hermeneutische revolutie” kunnen heten, dan was duidelijker waar het over gaat.

De DNA-revolutie

De grote ontdekking van de laatste pakweg tien jaar, mogelijk geworden door het DNA- en isotopen-onderzoek, bewijst dat de mensheid in de Prehistorie en Oudheid mobieler was dan archeologen, classici en oudhistorici lange tijd hadden aangenomen. Oudheidkundigen kunnen uitingen van de materiële cultuur nu niet langer zomaar beschouwen als aanwijzing voor afkomst. Een voorbeeld is het rond 1370 v.Chr. overleden Deense meisje van Egtved, dat archeologen op grond van grafgiften identificeerden als lokale prinses maar na isotopenonderzoek afkomstig bleek uit Zuid-Duitsland. Een ander voorbeeld is dat op het moment waarop Caesar aankwam in het Nederlandse rivierengebied, de helft van de bewoners niet uit de regio lijkt te zijn gekomen.

Lees verder “Eigenlijk zou de DNA-revolutie “hermeneutische revolutie” moeten heten”

De Afrikaanse martelaren

Goede herder (Musée archéologique de Sousse)

Het christendom is ontstaan in Judea, de gelovigen kregen hun naam in Syrië en de nieuwe religie ontwikkelde zijn eigen ideeën in Egypte en Anatolië. Later ook op andere plekken natuurlijk, maar het kan nooit kwaad te benadrukken dat West-Europa in de geschiedenis van het vroegste christendom marginaal is. Eerst moest er een Latijnse literatuur ontstaan en de eerste bij naam bekende christelijke auteur die zich van die taal bediende was Tertullianus. Hij leefde rond 200 in Karthago. En dat gebied was allerminst marginaal voor het christendom, zij het dat het een vorm had die nooit mainstream is geworden.

De martelarencultus

Als we afgaan op wat is overgeleverd – altijd een belangrijk punt – was het martelaarschap hier heel belangrijk. Een van de alleroudste christelijke documenten van Afrikaanse bodem is het procesverslag van de martelaren van Scilli. Het gaat om een kleine groep gelovigen die op 17 juli 180 bij gouverneur Vigellius Saturninus werd voorgeleid, volhardde in wat de magistraat zal hebben beschouwd als weerzinwekkend bijgeloof en die ter dood werd gebracht. Martelaarschap is ook een centraal thema in het denken van Tertullianus, uit wiens De apologeet de beroemde (beruchte) kreet komt dat het bloed van de martelaren het zaad is van de kerk. Ik heb al eens eerder over deze ideeën geschreven en verwijs er nog eens naar.

Lees verder “De Afrikaanse martelaren”

Een archeologie-canon

Zomaar eens een foto van een archeologische stratigrafie

Gisteren bood ik op deze plaats een overzicht van een kleine veertig dingen die mensen zouden moeten weten over geschiedvorsing. Aangezien de historische canon van Van Oostrom / Kennedy geschiedenis presenteert als het ene feit na het andere, wilde ik toch eens benadrukken dat geschiedenis ook een wetenschap is.

Een van de trouwste lezers van deze blog, CK uit het archeologisch en historisch zo rijke Nijmegen, wees me erop dat een archeologiecanon ook niet zou bestaan uit een lijst van losse opgravingen, maar uit een lijst van methodische en technische vernieuwingen. In een telefoontje bespraken we dat archeologen, doordat ze de wetenschappelijke dimensie almaar niet benoemen en zich verschuilen achter de monumentenwetgeving, zélf de reden zijn waarom een staatssecretaris van Cultuur zich afvraagt wat hij aan moet met musea vol opgegraven potten en pannen, waarom de limesvoorlichting zo verrekte contraproductief is, waarom een hoogleraar publiek begrip van wetenschap de raarste dingen kan vertellen over het Rijksmuseum van Oudheden en waarom De Volkskrant archeologie te onbelangrijk vindt om iets te rectificeren. Een Nijmegenaar herinnert zich natuurlijk ook de aquaductenaffaire en de affaire in de buurgemeente Cuijk.

Lees verder “Een archeologie-canon”

De historische canon

Stelt je voor dat astronomen een canon zouden opstellen van wat iedereen over hun vak moest weten. Zou dat een overzicht opleveren van sterrenbeelden? Nee natuurlijk. Ze zouden de telescoop, de periodieke terugkeer van kometen, radioastronomie en zwaartekrachtgolfdetectors noemen. Een wetenschap onderstreept haar belang immers niet met de objecten die ze onderzoekt, maar met de ontdekte patronen. En haar vooruitgang blijkt uit vernieuwende methoden, nieuwe soorten inzicht en nieuwe bijdragen aan andere disciplines.

Het is, dacht ik althans, logisch je niet te presenteren met de onderzoeksobjecten. Presenteer een wetenschap als wetenschap. De canon die de Commissie Van Oostrom voor de Nederlandse geschiedenis heeft opgesteld, beperkt zich echter wel tot de objecten en draagt zo bij aan het beeld dat geschiedvorsing geen echte wetenschap is. Het gaat om hunebedden, de Romeinse limes, Karel de Grote en wat dies meer zij. Onderwerpen, kortom, die zich lenen voor een blogje hier of een causerie daar, maar die niet tonen waarom geschiedenis een wetenschap is. Hieronder is mijn alternatief.

Lees verder “De historische canon”

De bevolking van Rome

Het grafveld langs de Via Severiana tussen Portus en Ostia, een van de onderzochte begraafplaatsen

Er staat momenteel een leuk stuk van Hendrik Spiering in het NRC Handelsblad over de herkomst van de bevolking van de stad Rome in de keizertijd. Het onderzoek, gepubliceerd in Science, bestond uit de analyse van het DNA van 127 mensen vanaf de laatste IJstijd tot op heden. Het gaat om resten die zijn gevonden op negenentwintig begraafplaatsen rond de stad.

Het blijkt daarbij dat in de eeuwen vóór onze jaartelling acht van de elf onderzochte paleogenomen (zeg maar antieke DNA-profielen) een Europese signatuur hadden, dus de gebruikelijke erfenis van de eerste landbouwers en Bronstijd-steppebewoners (die we gewoonlijk identificeren met de eerste sprekers van het Indo-Europees). Is in deze vroege tijd dus ruim driekwart van de mensen afkomstig uit de wijde omgeving, in de keizertijd is dat veel minder. Begrijp ik het stuk in het Handelsblad goed – het artikel in Science zit achter een academische betaalmuur – dan zijn er van de achtenveertig onderzochte paleogenomen uit het Rome van de keizertijd slechts twee lokaal en hebben tweeëndertig mensen voorouders uit het oosten. Wat overigens niet uitsluit dat ze zélf in Latium geboren kunnen zijn, zoals blijkt uit isotooponderzoek.

Lees verder “De bevolking van Rome”

Bisschoppen in ballingschap (2)

Romeinse reiskoets (Römisch-Germanisches Museum, Keulen)

In mijn vorige stukje noemde ik drie voorbeelden waar de bestudering van Grieks en Latijnse literaire teksten door de DNA-revolutie zou kunnen veranderen – of beter, waar ze de standaard zou kunnen volgen die bij de bestudering van de allervroegste christelijke literatuur al bestaat. Ik noemde de hellenistische filosofie, Vergilius en Ovidius. Eergisteren realiseerde ik me een nieuw thema, waar ik al een tijdje over loop te denken, namelijk de iets minder vroege christelijke literatuur. Laten we zeggen: de vierde eeuw.

Het probleem

Het historische probleem is dat er rond 400 na Chr. een duidelijke norm is binnen het christendom, die ik gemakshalve even zal aanduiden als orthodox. Hierin zitten twee elementen, namelijk enerzijds dat wie christen is, niet tegelijk een andere religie kan hebben, en anderzijds dat er binnen dit christendom maar één waarheid kan zijn. Beide ideeën klinken momenteel vanzelfsprekend maar waren dat in de antieke wereld niet. Wat ik niet begrijp, is waar die orthodoxie vandaan komt. Binnen het antieke denken is daartoe geen aanleiding. Niemand heeft ooit een dogmatiek opgesteld voor de cultus van Marduk, Maat, Minerva, Mithras, Magusanus of de Muzen.

Lees verder “Bisschoppen in ballingschap (2)”

Bisschoppen in ballingschap (1)

Vergilius (Ny Carlsberg Glyptotek, Kopenhagen)

Als het goed gaat is het oudheidkundige deelgebied dat het sterkst zal veranderen door de DNA-revolutie de bestudering van de Griekse en Latijnse literatuur. De conclusie daarvan lijkt te zijn dat de mensheid in de voorindustriële tijd mobieler was dan aangenomen, veel mobieler. En waar mensen mobiel zijn, reizen hun ideeën mee. Dat verandert het werk van een classicus. Als hij bezig is met een Latijnse tekst uit Midden-Italië, zal hij voor het begrip van die tekst niet slechts kijken naar Latijnse en Griekse teksten, zoals nu gebeurt, maar meer dan nu het geval is ook naar teksten in andere talen (waarvan het Aramees de grootste is).

Heel nieuw is dit niet. Zeker bij de bestudering van vroegchristelijke teksten is er ook nu al een wijdere wereld van niet-Griekse en niet-Latijnse teksten. De Bijbel is immers geschreven in het Hebreeuws. En het christendom kende vanaf het begin teksten in bijvoorbeeld het Koptisch en Ethiopisch. Je kunt het voor-Constantijnse christendom niet bestuderen zonder een blik in bijvoorbeeld het Ethiopische Boek van Henoch; wie alleen Grieks en Latijn bekijkt, zal kijken naar teksten die een latere, orthodoxe selectie hebben doorstaan en doet de oorspronkelijke veelkleurigheid tekort. De implicatie van de DNA-revolutie is dat deze brede aanpak, die bij de vroegchristelijke literatuur dus al bestaat, veel vaker zal worden toegepast. De netten zullen breder geworpen gaan worden. Anders gezegd: de hermeneutische buitengrens of interpretatiehorizon wordt wijder. Of valt weg. Als ik talent had voor taal en als ik opnieuw kon beginnen, zou ik richting klassieke talen gaan, want dat is de komende tien jaar the place to be.

Lees verder “Bisschoppen in ballingschap (1)”

Nieuws zonder filter (6)

In drie stukjes (een, twee, drie) heb ik uitgelegd dat de wetenschap niet altijd even betrouwbare informatie aanlevert en dat journalisten, door hun focus op nieuws en door hun duiding met gemakzuchtige frames, ervoor zorgen dat u een stortvloed aan informatie over u heen krijgt, die u het zicht belemmert op wat er nou écht aan nieuws is. Voor zover ik kan overzien is er in de Week van de Klassieken niet één medium geweest dat uit het aanbod wist te distilleren hoe de DNA-revolutie de hermenutische buitengrens verwijdt en hoe de klassieken zullen gaan veranderen.

Dat komt niet alleen door journalisten, overigens. Ik heb de indruk dat classici het zelf ook nog niet helemaal door hebben. Ze zijn in de jaren tachtig, toen de studieduur werd bekort, een fuik in gezwommen: waar oudheidkundigen ooit ongeveer wisten wat collega-disciplines deden, weten ze dat nu nauwelijks meer (en oproepen tot interdisciplinariteit blijven al een halve eeuw beperkt tot geroep in de woestijn), zodat inzichten van de ene discipline de andere onvoldoende bereiken. Een andere ontwikkeling is de groeiende nadruk op onderzoek en onderwijs. Als ik een euro had gekregen van elke oudheidkundige die ooit heeft gezegd dat zijn of haar werk bestaat uit onderzoek en onderwijs, en negeerde dat de wet ook overdracht noemt als academische kerntaak, zou ik een lang weekend naar Brussel kunnen. Ik ben bang dat de universiteiten inmiddels te ver de fuik zijn ingezwommen en zichzelf niet langer kunnen hervormen. Het zal van buiten moeten komen – en verrek, er zijn hoopvolle ontwikkelingen.

Lees verder “Nieuws zonder filter (6)”

Nieuws zonder filter (5)

Grote mannen, sensationele verhalen (maar dit was dus onzin)

In mijn eerste stukje over mijn lezing bij “Oog op de Oudheid” vertelde ik dat wetenschap sowieso een subjectief element heeft en in het tweede gaf ik aan dat onderzoekers deze vrijheid nogal eens gebruiken om hun onderzoeksresultaten mooier voor te stellen dan ze eigenlijk zijn. Daar voegde ik nog aan toe dat de verworven data soms vals zijn.

Het wetenschappelijke aanbod, dat weliswaar het minst slechte is waarover de mensheid beschikt maar dat bepaald beter zou kunnen, komt vervolgens bij de media en journalisten willen weliswaar enerzijds inzicht geven in het wetenschappelijk proces, maar moeten uiteindelijk wel nieuws hebben. Er gaat daardoor veel aandacht naar doorbraken en ontdekkingen, waardoor de kern van de geesteswetenschappen, het doorgronden van het eigen denken, onderbelicht blijft. Classici houden doorgaans vast aan die kern en zijn daardoor voor de media oninteressant; archeologen hebben hun geesteswetenschappelijke essentie opgegeven en presenteren alles maar als ontdekking, ook als het dat feitelijk niet is.

Saaie frames

Nieuws vergt echter duiding. En dat kan niet iets zijn als “de DNA-revolutie leidt tot nieuwe heuristieken, namelijk een wijdere filologische hermeneutische buitengrens”. Dat is weliswaar de crux, maar de gemiddelde lezer haakt af. Journalisten vallen daarom terug op vertrouwde frames. Die komen vrijwel allemaal uit de negentiende eeuw.

Lees verder “Nieuws zonder filter (5)”