Kimmerische of Skythische pijlpunten (Nationaal Museum van Armenië, Yerevan)
De Kimmeriërs, die zijn interessant! En dat is natuurlijk omdat het bewijsmateriaal enerzijds gevarieerd is, zodat allerlei specialisten erbij komen kijken, maar anderzijds tekortschiet, zodat er geen consensus kan ontstaan. Kortom: een fijne puzzel.
Dode Kimmeriërs
Eerste bewijsmateriaal: Griekse poëzie. In de Odysseevertelt Homeros dat Odysseus, ergens in het verre verre westen, de rand bereikt van de Okeanos, waar de stad en het land van de Kimmeriërs zich bevinden. De zon schijnt er niet, de gebieden zijn eeuwig gehuld in mist en nevel, en “steeds hangt de heilloze nacht om de diep ongelukkige mensen”.noot Homeros, Odyssee 11.14ff. Als dit u doet denken aan het dodenrijk, dan zit u goed, want niet veel later brengt Odysseus inderdaad een bezoek aan die naargeestige plek.
Detail van een kruikje uit de schat van Sânnicolau Mare; mogelijk een sjamaan in extase (Nationaal Museum, Boedapest)
Je begroef graankorrels in de aarde en in het voorjaar ontstonden daaruit grote halmen. De overstromende rivier bracht de dood over de uiterwaarden, maar in het voorjaar was de vallei vruchtbaar. Je gooide dode bladeren, maaisel, schillen en ander afval op de composthoop, en na verloop van tijd werden daaruit maden en wormen geboren. Moderne biologen denken er anders over, maar het was niet onlogisch dat men in de Oudheid dacht dat nieuw leven alleen kon ontstaan uit de dood en dat de twee onlosmakelijk met elkaar samenhingen.
Er waren feitelijk twee werelden: die van de levenden en die van de doden. Soms maakten ze contact: het is vooral mooi gedocumenteerd in de Keltische verhalen, maar alle volken hadden gedenkdagen waarin de doden even wat dichterbij waren. De Romeinen kenden bijvoorbeeld de Lemuria, waarbij ze rituelen uitvoerden om niet tot rust gekomen doden te verdrijven uit de woonhuizen. Daarnaast waren er religieus specialisten die de oversteek van de ene naar de andere wereld konden maken; onderzoekers noemen hen sjamanen.
Binnenkort is in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden een expositie over de Bronstijd. Het leek me, zoals ik al eerder schreef, een aardig idee de toenmalige samenleving te beschrijven aan de hand van de taal. Dit Bronstijderfgoed biedt immers een fantastisch venster op een van de toenmalige samenlevingen: de Yamnaya-cultuur in het huidige Oekraïne. Die is gedeeltelijk te reconstrueren aan de hand van de gedeelde woordenschat van latere volken, die het schrift beheersten. De redenering is hierbij dat als iets het geval is geweest in én de Proto-Indo-Europese samenleving rond 3000 v.Chr. én de schrijvende samenlevingen, het eveneens het geval moet zijn geweest in de tussenliggende Bronstijdsamenlevingen.
Vader Hemel
Zo kunnen we ook uitspraken doen over de religie van de Bronstijd. Die was, om te beginnen, polytheïstisch. Iets preciezer: men vereerde – voor zover de documentatie reikt – vooral hemelgoden, en dan vooral Vader Hemel. Die heet in het Grieks Zeus Pater, in het Latijn Ju-piter, in het Indisch Dyaus Pitar. Het tweede element betekent vader, het eerste element, *Dyeus, is afgeleid van een werkwoord dat zoiets als “stralen” of “schijnen” betekent. Datzelfde werkwoord ligt aan de basis voor het woord voor god, dat in het Latijn deus is, in het Indisch devas, in het Keltisch dewos, in het Hittitischšiuš en in het Gotisch teiws. Het Griekse theos lijkt er weliswaar op maar heeft een andere herkomst.
In 2022 ontdekte archeologe Valentina Voinea in het dorp Cheia in de Roemeense regio Dobruja (tussen de Donau en de Zwarte Zee) een Romeinse grafheuvel. Gedateerd rond 150 na Chr. en met een doorsnee van wel vijfenzeventig meter, bestond de inhoud uit twee graven. De overledenen waren waarschijnlijk Romeinen die tijdens de Romeinse kolonisatie van deze regio naar dit gebied waren gekomen.
Het eerste graf
Beide graven zijn interessant. Het ene bestond uit een houten kist met daarin het lichaam van de overledene en grafgiften. Het lichaam was, zoals in de regio gebruikelijk, ter plaatse verbrand, zoals blijkt uit de sterke verbranding van de muren en de bodem van de put. Vervolgens werd de put bedekt met houten planken en gedempt.
Batman ruziet weleens met Superman. Arsène Lupin was Sherlock Holmes te slim af. Godzilla streed tegen King Kong. Het is leuk als verhalen die traditioneel gescheiden zijn, contact maken. Dat was in de Oudheid niet anders. Het verhaal van Jason en de Argonauten ontleent een deel van zijn charme aan het gegeven dat allerlei helden ook uit andere verhalen bekend zijn: zo is Herakles een van de opvarenden van ’s werelds eerste schip, samen met zijn geliefde Hylas, zijn vriend Admetos en stalhouder Augeias. Verder de goddelijke tweelingen Kastor en Polydeukes, enkele vaders van helden uit de Trojaanse Oorlog, en ook de zanger Orfeus. Het is een antieke League of Extraordinary Gentlemen.
De oudste bron is een hellenistisch gedicht van Apollonios van Rhodos (in het Nederlands vertaald door Wolther Kassies), die vanzelfsprekend oudere stof bewerkt en daarbij Homeros volgt, maar die ook een nieuw type held neerzet. Zijn Jason is geen rauwdouwer zoals we kennen uit de Ilias. Apollonios’ helden zijn weleens onzeker en bang. Moreel gaat het van kwaad tot erger: ze doden weleens de verkeerde, ze geven zich over aan piraterij, ze stelen het Gulden Vlies, ze doden onschuldige mensen. De stof is verder behandeld door de Romeinse dichter Valerius Flaccus, in twee mythologische uittrekselboeken en in een laatantieke tekst die Piet Gerbrandy onlangs in het Nederlands heeft vertaald als De barre tocht van Orpheus.
Ooit was Libië bereisbaar voor toeristen. Aan steden als Lepcis Magna mis je weinig, maar Kyrene is een van de mooiste opgravingen die ik ken en ook de oeroude rotsreliëfs en -schilderingen in de woestijn maakten op mij enorme indruk. En dan is er de Limes Tripolitanus: wie wil weten wat de macht van een Romeinse keizer vermocht, moet hier zijn. Septimius Severus paste een compleet ecosysteem aan aan de eisen van de rijksverdediging.
Janzur
Daarover ga ik het vandaag allemaal niet hebben. In plaats daarvan neem ik u mee naar Janzur, tien kilometer ten westen van Tripoli. Hier, aan de weg van het antieke Oea naar Sabratha, lagen enkele onderaardse grafkamers. Allemaal hadden ze als ingang een trappetje dat vanuit het oosten leidde naar beneden, waar je op een miniscuul pleintje kwam en toegang had tot een in het westen gelegen grafkamer. Daar waren nissen voor de urnen. Eén van die graven had goed bewaarde wandschilderingen uit de tweede of derde eeuw na Chr. Het zijn fresco’s, dus de kleuren zijn nog altijd herkenbaar.
Kroisos was koning van Lydië, ergens in het midden van de zesde eeuw v.Chr. Hij is beroemd om de zelfs naar antieke maatstaven flauwe mop dat bij gezanten naar Delfi stuurde met de vraag of hij Perzië moest aanvallen, waarop het orakel antwoordde dat hij een groot koninkrijk ten onder zou doen gaan. Optimistisch begon Kroisos aan de oorlog om te laat te ontdekken dat zijn eigen rijk ten onder ging. De ondergang van Lydië is een historisch feit waarvan vaak wordt beweerd dat dit in 547 v.Chr. is gebeurd, maar de datering is gebaseerd op een slecht leesbaar kleitablet waarop een rare vorm van het woord “Lydië” zou kunnen staan en is militair-strategisch onwaarschijnlijk. We weten het weer eens niet.
De ondergang van Kroisos maakte grote indruk op zijn tijdgenoten. De man had fenomenale geschenken gegeven aan de god van Delfi en het was bepaald ondankbaar van de goden dat ze niet wat meer had gedaan voor hun goedgeefse vereerder. De Griekse dichter Bakchylides beweert dat toen Kroisos door de Perzen terechtgesteld werd, de goden hem meenamen naar het land van de Hyperboreërs. Dit motief kennen we ook uit andere Griekse verhalen: als onschuldige mensen gedood dreigen te worden, nemen de goden hen weg. De Hyperboreërs leefden overigens in het hoge noorden, voorbij de noordenwind, in wat een soort gelukzalig dodenrijk is. Bakchylides ontkent dus de dood van Kroisos niet.
Het reliëf hierboven, dat in de Romeinse tijd een grafsteen sierde, fotografeerde ik in het museum bij Apollonia, een van de grootste en mooiste opgravingen in Albanië. Ik heb nooit zoiets gezien, al schijnt er een soortgelijke afbeelding te bestaan in Wenen. Onderaan ziet u de onderwereld, met links de veerman Charon (waarvan sowieso weinig afbeeldingen bestaan) en rechts Minos, die in de onderwereld recht spreekt over de dode zielen. Eén daarvan is voor hem afgebeeld.
Het zal de trouwe lezers van deze blog niet zijn ontgaan dat ik voor de kerst in Libanon was. Tot het mooiste wat ik daar zag, behoort de muurschildering hierboven, die is te zien in de onlangs geopende kelder van het Nationaal Museum in Beiroet. Ze komt uit een graf uit de tweede eeuw na Chr. en is in 1937 gevonden in Bourj el-Chemali, een voorstad van de zuidelijke havenstad Tyrus.
Het gaat om een grafkamer waarin de overledenen, vrijwel zeker leden van dezelfde familie, lagen bijgezet in diverse nissen op vloerniveau. Daarboven waren lange wandschilderingen met voorstellingen van het hiernamaals. Ik moest denken aan het graf van de Sidoniërs in Maresha, in Israël, dat echter kleiner en ouder is. Tot de afbeeldingen in Bourj el-Chemali behoren de teruggave van het lijk van Hektor (een scène uit de Ilias die vaak op sarcofagen is te zien), Herakles en Alkestis, Herakles en Kerberos, Tantalos en tot slot de roof van Persefone, die u hierboven ziet afgebeeld.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.