Het is niet altijd een gladiator (1)

Een gladiator op een olielamp (Römisch-Germanisches Museum, Keulen)

De media presenteren archeologische vondsten vaak met sensationele koppen, waarvan journalisten aannemen dat die bij het brede publiek belangstelling wekken. Dit gebeurt vooral  als de wetenschappers geen duidelijk antwoord hebben op de vraag wat de vondst eigenlijk betekent. Bijvoorbeeld omdat de context onvoldoende aanwijzingen biedt. Door ze te voorzien van een hijgerige kop krijgen de media alsnog een verhaal dat lezers trekt.

Niet zelden worden vondsten gepresenteerd alsof het zou gaan om gladiatoren. Twee voorbeelden uit Engeland tonen hoe dat gaat. In beide gevallen is onduidelijk wat de vondsten feitelijk voorstellen.

Lees verder “Het is niet altijd een gladiator (1)” →

Antiek glas

Ruw glas (Cyprusmuseum, Nicosia)

Een van de oudejaarsvragen betrof antiek glas: viel er iets te zeggen de wijze waarop het werd vervaardigd en kunnen we het namaken? De tweede vraag is makkelijk te beantwoorden: ja, dat kunnen we. Er zijn diverse ateliers, zoals dit, en u kunt de producten kopen in de meeste museumwinkels. De vraag hoe ze het in de Oudheid maakten, is lastiger.

Er gaat namelijk een andere vraag aan vooraf: wat is glas eigenlijk? Het is feitelijk vloeibaar gemaakt en daardoor bewerkbaar silica. Dat valt te winnen uit gewoon zand, maar voor de glasmaker aan het werk kan, moet hij twee problemen oplossen. De eerste moeilijkheid is dat hij het smeltpunt van silica moet verlagen van rond de 2000°C tot 1200°C. Daarom voegt de glasmaker soda (natriumcarbonaat) toe, dat valt te winnen uit planten. Dit creëert een nieuwe complicatie, namelijk dat het product zo oplosbaar wordt. Daarom voegt hij ongebluste kalk (calciumoxide) toe. Zo wordt het mengsel weer harder en kunnen we, om eens iets te noemen, water drinken uit een glas. De verhouding tussen de drie bestanddelen varieert rond de 70% silica, 25% soda en 5% calciumoxide.

Lees verder “Antiek glas” →

Een hond uit Lesbos

Hond op een wijnvat (Römisches Museum, Augsburg)

Het project Inscriptiones Graecae, een uitgave van alle bekende Griekse inscripties, werd gestart in 1825 en loopt nog steeds. Er zijn nu negenenveertig geografisch geordende delen klaar, maar het eind is nog niet in zicht. Logisch: er duiken nog altijd nieuwe inscripties op. De meeste delen van IG bestaan weer uit meerdere boeken, en de inscripties zijn allemaal genummerd. Een volledige verwijzing naar een inscriptie ziet er dus bijvoorbeeld zo uit: IG XII,2 458. In IG XII staan alle bekende inscripties van de eilanden in de Egeïsche Zee, behalve die van Delos. (Er zijn zoveel Delische inscripties dat daarvoor heel deel XI is gereserveerd.) En ‘onder-deel’ IG XII,2 beperkt zich dan weer tot de inscripties uit Lesbos en Tenedos (dat laatste eiland is het huidige Turkse Bozcaada).

Toevallig is IG XII,2 458 de inscriptie waarover ik het hier wil hebben. Hij is gevonden in Mytilene (het huidige Mitilíni), de hoofdstad van Lesbos. Maar wie hem inderdaad daar (of waar dan ook) aantreft, verdient een eervolle vermelding in de IG. Want IG XII,2 458 is al meer dan een half millennium spoorloos. Voor het laatst gezien omstreeks 1450 door Cyriacus van Ancona.

Lees verder “Een hond uit Lesbos” →

Mummieportretten in Amsterdam

Mummieportret uit Luxor (Louvre, Parijs)

Henry Salt was van 1815 tot 1827 de Britse consul-generaal in Egypte. Hij is ook een vrijwel vergeten geleerde, maar niet de onbelangrijkste. Toen Champollion in 1822 het systeem van de hiërogliefen had begrepen en erover had gepubliceerd, paste Salt het ontdekte principe toe op enkele nog niet in Europa bekende inscripties. Omdat hij een betekenisvolle tekst kon reconstrueren, was er een argument dat Champollion het bij het rechte eind had. Salt deed ook een andere ontdekking: in 1826 verwierf hij in Luxor het bovenstaande mummieportret, dat sindsdien behoort tot de collectie van het Louvre. Het was een van de eerste mummieportretten in een Europese collectie – en het trok destijds niet veel aandacht.

Dat veranderde in 1887, toen de Franse arts Daniel-Marie Fouquet twee soortgelijke portretten aantrof in een (al geplunderde) grot in de Fayyum: de regio rond een groot meer ten zuidwesten van Cairo. Sindsdien noemde men deze op hout aangebrachte schilderingen “Fayyumportretten”.

Lees verder “Mummieportretten in Amsterdam” →

De Late Stoa: Zelfprogrammeren

[Laatste van vier stukjes over Epiktetos en de Late Stoa. Het eerste was hier.]

Bij de filosofie van Seneca en Epiktetos krijgt de moderne lezer al snel het idee dat de gegeven adviezen makkelijker zijn gegeven dan opgevolgd. Daar waren ze zich zelf ook van bewust. Het accepteren van de dingen zoals ze zijn, en het leren om daar zelfs van te houden, is volgens de late stoïcijnen niet zomaar te bereiken door genoeg kennis te vergaren, zoals de vroege stoïcijnen meenden. Het is een geestelijke oefening.

Het overwinnen van woede vergt al een hele inspanning. En het overwinnen van verdriet lukt Seneca absoluut niet, geeft hij zelf toe, in het bijzonder waar het gaat om het verlies van dierbaren. Lees verder “De Late Stoa: Zelfprogrammeren” →

Epiktetos (4): Effectiviteit en levensgeluk

Aion-mozaïek: het symboliseert enerzijds de eeuwige wederkeer van de seizoenen, anderzijds dat alles wat ontstaat is geboren om weer te verdwijnen (Munchen, glyptotheek).

[Derde van vier stukjes over Epiktetos en de Late Stoa. Het eerste was hier.]

Kort gezegd: een gevecht voeren met de omstandigheden is volgens de Late Stoa meestal zinloos. Het is het gevecht met jezelf waar het om draait. De les van Epiktetos is dat zelfsturing begint met het onderkennen van je eigen beperkingen. Vrijwel al het menselijk falen komt voort uit onrealistische verwachtingen. Wie zich concentreert op de dingen die binnen zijn macht liggen, heeft het meeste succes, en de grootste kans om geluk te bereiken.

Alles is tijdelijk

Wat emotie betreft is Epiktetos veel strenger dan Seneca. Epiktetos raadt een afstandelijke houding aan, ook ten aanzien van verdriet. Wanneer wij onze geliefden of onze kinderen kussen, zegt hij, dan doen we dat in het besef dat dit moment na het kussen voorbij is. Ook moeten we accepteren dat de mensen die wij kussen uiteindelijk allemaal zullen vergaan. Alles is slechts zeer tijdelijk en vergankelijk in het wereldgebeuren.

Lees verder “Epiktetos (4): Effectiviteit en levensgeluk” →

Epiktetos (3): De dingen binnen onze macht

Een filosoof (Musée du Pays Châtillonnais)

[Tweede van vier stukjes over Epiktetos en de Late Stoa. Het eerste was hier.]

De kern van Epiktetos’ leer wordt goed samengevat in het volgende citaat, dat overigens niet van hem is:

Maak gebruik van wat in je macht ligt, en aanvaard het overige zoals het komt. Sommige dingen zijn aan ons om te doen en andere dingen zijn niet voor ons weggelegd. Onze meningen zijn van onszelf, net als onze impulsen, verlangens, afkerigheden. Onze lichamen zijn niet van ons, evenmin als onze bezittingen, onze reputaties of onze openbare ambten. (Encheiridion 1.1)

Volgens Epiktetos zijn er dus twee scenario’s: soms zijn we bij machte dingen te veranderen en soms liggen dingen buiten onze macht. Aan de dingen die buiten ons vermogen liggen kunnen we vaak maar weinig doen. Maar binnen onze macht ligt onder andere onze houding tegenover die omstandigheden. Dus stel, je breekt je been op een heel onhandig moment. Dan kun je je daar wel over lopen opwinden, of bij de pakken neerzitten, maar je kunt de situatie zoals die is toch niet veranderen. Wat je wél kunt doen is er het beste van maken, bijvoorbeeld door te genieten van de voorgeschreven rust.

Lees verder “Epiktetos (3): De dingen binnen onze macht” →

Epiktetos (2): Zijn biografie

Portret van een Romein uit de tijd van Plinius de Oudere (Louvre, Parijs)

Epiktetos leefde in de tweede helft van de eerste eeuw van onze jaartelling, vlak na Seneca. Een deel van zijn leven was hij slaaf. Slavernij was in Rome niet aan ras of afkomst gebonden en niet alle slaven werden even slecht behandeld. De slaven in de mijnen hadden het uitzonderlijk slecht, maar slaven bij een meester in de stad behoorden vaak tot het hogere personeel en konden zelfs eigen vermogen beheren.

Zo ver schopte Epiktetos het waarschijnlijk niet, maar als slaaf had hij het in ieder geval toch redelijk goed getroffen. Welke rol hij vervulde voor zijn meester Epafroditos, weten we niet, maar van zijn meester mocht hij in ieder geval filosofie studeren. Nadat hij was vrijgelaten – of zich had vrijgekocht – bracht Epiktetos zijn jaren door als filosofisch docent, eerst in Rome, later in Epirus, in het noordwesten van het huidige Griekenland. Tot zijn publiek behoorde onder andere Publius Aelius Hadrianus, die het nog tot keizer zou brengen.

Lees verder “Epiktetos (2): Zijn biografie” →

Epiktetos (1): Stoa en Vrije Wil

Kareneades (Glyptothek, München)

De antieke stoïcijnen hadden een volkomen deterministisch wereldbeeld. Alles gebeurt zoals het gebeuren moet. Dit staat natuurlijk op gespannen voet met het idee van de vrije wil. Hoe is een vrije wil mogelijk in een wereld waarin alles al vastligt? En hoe is het mogelijk om in een wereld waarin alles vastligt vrije emoties te hebben over die wereld? Dit lijkt in tegenspraak met elkaar.

Karneades

Even terugspoelen: de stoïcijnen verweten de skeptische platonist Karneades een filosofie te hebben ontworpen die apathie in de hand werkt. Want als niets zeker is, hoe kunnen we dan handelen? Karneades’ antwoord op dit probleem lazen we een eindje terug: hij vond het pragmatisme uit.

Lees verder “Epiktetos (1): Stoa en Vrije Wil” →

Het zoroastrisme

De kosmologie van het zoroastrisme als rotsreliëf. Rechts vertrapt Ahuramazda de duivel Angra Mainyu, links vertrapt Ardašir I zijn tegenstander Artabanos IV .

De Gatha’s, die ik in het vorige stukje introduceerde, vormen slechts een deel van de Avesta, en taalkundigen herkennen de jongere delen. De belangrijkste innovatie van het latere zoroastrisme is dat Zarathuštra’s volgelingen De Leugen personaliseerden. In verschillende teksten, geschreven in een taal die even oud lijkt als die van de Gatha’s, krijgt het kwaad een naam: Angra Mainyu, “de vijandige geest”. Hij geldt als leider van de demonen en in het Scheppingsverhaal plaatst hij tegenover alles wat goed is steeds iets slechts. De Geist der stets verneint staat in jongere teksten ook bekend als Ahriman.

Onuitgewerkt monotheïsme

Dat twee kosmische machten, de scheppende kracht Ahuramazda en de anti-kracht Angra Mainyu, tegenover elkaar staan, leidt tot de vraag of de laatste door de eerste is geschapen. In voor ons iets herkenbaarder jargon: schiep god de duivel? Wilde het goede het kwade? Het lijkt erop dat de vroegste zoroastriërs deze concepten, die zij als eersten ontwikkelden, nog niet volledig hadden doordacht.

Lees verder “Het zoroastrisme” →