Asinus nica

Asinus Nica (Huis van de ezel, Djemila)

Het bovenstaande Romeinse mozaïek, dat dateert uit de late vierde of vroege vijfde eeuw na Chr., is te zien in het museum van Djemila in Algerije, de antieke stad Cuicul. Het opschriftnoot EDCS-23600210. combineert het Latijnse woord voor ezel, asinus, met de in Latijnse letters geschreven Griekse strijdkreet nika, “win!” Het woord kan ook verwijzen naar de personificatie van de overwinning. De ezel moet dus winnen, of heeft gewonnen, of zal winnen, of overwint – de strekking is duidelijk. De zegevierende ezel was duidelijk iets dat de eigenaar in wiens huis dit is gevonden, en dat de opgravers heel origineel “maison de l’âne” hebben genoemd, na aan het hart lag, want het motief is herhaald. Dus wat betekent het?

Zoals eigenlijk altijd weten we het niet, maar niets weerhoudt ons ervan beredeneerd te gokken. Het is antichristelijke polemiek.

Lees verder “Asinus nica”

Aantekeningen uit Algerije

Algiers, Mémorial du Martyr

Zoals u misschien hebt gemerkt was ik in oktober twee weken in Algerije. Ik was er eerder geweest, toen er in 2019 verkiezingen waren, en nam me destijds voor naar dat interessante land een groepsreis te organiseren. Numidisch verleden, Romeins verleden, Berberverleden, Ottomaans verleden, kaapvaarders, emir Abd el-Kader, de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog, Charles de Gaulle en een complex recent verleden (“décennie noire”). Dat waren negen redenen om het land te laten zien aan anderen en ik ga dat, in samenwerking met mijn vaste agent V-incentive, zeker nog eens doen.

Destijds ontmoetten mijn vriendin en ik precies twee andere niet-Algerijnse toeristen. Dit keer stuitten we op een rumoerige groep Italianen, een groep uitgebreid lunchende Belgen, twee luidruchtige Amerikanen en een vriendelijke Belgische motorrijder. Iedereen bevestigde dus de vooroordelen die wij over deze volken hebben en ik betwijfel niet dat wij Hollanders ons hebben gedragen met karakteristieke plompverlorenheid, maar dankzij goede Algerijnse gidsen hebben we een fantastische tijd gehad. Hier zijn een paar aantekeningen, niets spectaculairs.

Lees verder “Aantekeningen uit Algerije”

Naar de dokter

Bezoek aan de dokter (Musée national des antiquités, Algiers)

Zoals u wellicht heeft gemerkt, was ik onlangs in Algerije. Daarover later meer. Maar eerst eens een blogje over een mozaïek dat ik in Algiers zag in het Musée national des antiquités. Het is gevonden in een voorstad van Batna die Ouled Arif heet; in de Oudheid heette de plaats Lambiridi. Het mozaïek vormde de vloer van een familiegraf, waarin drie sarcofagen stonden. De voornaamste was van een zekere Cornelia Urbanilla, die hier rustte na “te zijn gered van een groot gevaar” en een leven van achtentwintig jaar, tien maanden twaalf dagen en negen uur. Dat is vreemd precies, want doorgaans wisten Romeinen niet zo goed hoe oud ze waren.

Het schijnt dat zulke nauwkeurige aanduidingen duiden op horoscoopgebruik, maar ook als dat zo is, is mij niet duidelijk aan welk gevaar Urbanilla is ontkomen. Misschien is het leven zelf wel het bedoelde gevaar. Daarvoor pleit dat links twee pauwen zijn afgebeeld, vogels die in de derde eeuw na Chr., toen dit mozaïek werd gemaakt, een symbool waren voor de wederopstanding en verlossing uit dit ondermaanse tranendal. Maar ja, dat verklaart dan weer niet waarom rechts twee eenden staan.

Lees verder “Naar de dokter”

III Augusta, het garnizoen van de Maghreb (2)

Lambaesis, basis van III Augusta

Ik noemde in het vorige stukje hoe III Augusta in Tunesië en Algerije was terechtgekomen en een basis had gebouwd in Lambaesis. Uit de tijd van keizer Hadrianus (r.117-138) komt een belangrijke inscriptie: een toespraak van de keizer tot de manschappen. Hij prijst ze, maar maakt ook duidelijk hoe scherp de hiërarchie is tussen soldaten en officieren.

Met een onderbreking die ik nog zal noemen, was en bleef Lambaesis de basis van III Augusta. Soms gingen onderafdelingen naar andere provincies.

Lees verder “III Augusta, het garnizoen van de Maghreb (2)”

III Augusta, het garnizoen van de Maghreb (1)

De veldtekens van III Augusta (Koninklijke musea voor kunst en geschiedenis, Brussel)

De legioenen uit de vroege Keizertijd gaan terug op eenheden uit de late Republiek. Ze zijn vrijwel allemaal geformeerd door Julius Caesar of Octavianus. Het Derde Legioen, dat later de bijnaam Augusta zou krijgen, is een uitzondering. Het is in 43 v.Chr. in het veld gestuurd door consul Gaius Vibius Pansa. De nummers één tot en met vier waren toen, in de laatste jaren van de Republiek, gereserveerd voor de legers van de consuls. Pansa nam dus een eerste en een derde legioen mee toen hij oprukte naar Modena op de Povlakte om te strijden tegen Marcus Antonius. Een tweede en een vierde legioenen gingen mee, gecommandeerd door consul Aulus  Hirtius. Ook in het gezelschap: Octavianus, met een privéleger.

Het drievoudige leger won. Beide consuls kwamen echter om het leven. Octavianus was nu ineens meester van een heel groot leger, marcheerde op Rome en eiste de macht. Zo simpel.

Lees verder “III Augusta, het garnizoen van de Maghreb (1)”

Emir Abd el-Kader

L’émir Abd-el-Kader, protégeant les chrétiens à Damas en 1860 (Jan-Baptist Huysmans)

In mijn boek over Libanon – inmiddels herdrukt – behandel ik ook de crisis rond het jaar 1860, toen de maronieten en druzen tegen elkaar ten strijde trokken. Diverse partijen raakten betrokken, waaronder soldaten uit het Ottomaanse leger, die partij kozen voor de druzen en op diverse plaatsen christenen doodden. In Damascus vielen 12.000 doden, waaronder de Nederlandse consul en de Massabki-broers, die door de maronieten tot op de huidige dag worden vereerd. De sultan greep bliksemsnel in en zond een generaal, die de rebelse soldaten standrechtelijk liet executeren en de druzische leiders veroordeelde tot de galg. Evengoed intervenieerde een Frans leger, dat feitelijk dus weinig te doen had.

Terwijl ik deze trieste gebeurtenis beschreef, stuitte ik op een emir Abd el-Kader, die in Damascus de vervolgde christenen had opgenomen in zijn paleis en had beschermd. Die naam kende ik, maar uit een heel andere context. In 2019 was ik in Sétif in Algerije, waar een Jardin d’ Emir Abd el-Kader was, die tjokvol Latijnse inscripties stond, die ik destijds fotografeerde en – tot mijn eigen verbazing – resulteerden in mijn eerste, enige en welbeschouwd hilarische wetenschappelijke publicatie. Ik vroeg me af of het ging om dezelfde man. De naam, “dienaar van de almachtige”, is niet zeldzaam, maar de Arabische rang van emir is dat in een Ottomaanse context wel, en de man uit Sétif en de man uit Damascus leefden allebei rond 1860. Hij was inderdaad dezelfde.

Lees verder “Emir Abd el-Kader”

Het alfabet van Numidië

Punisch-Numidische bilingue uit Lixus (Kasbah-museum. Tanger)

Vorige week organiseerde het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden voor de vierde keer de Week van het Oude Schrift. Eerlijk is eerlijk: soms gaan de lezingen minder over schrift dan over de taal of over het geschrevene, maar het is een leuk initiatief, waar ik zo veel mogelijk naar kom luisteren. Zoals afgelopen zaterdag, toen Maarten Kossmann van de Leidse universiteit kwam spreken over het Berber-schrift (“Tifinagh”) en zijn antieke voorgangers.

Allerlei alfabetten

Ik heb die mooie letters – altijd blokletters – in Algerije weleens gezien: bijvoorbeeld uitleg in het Frans, Arabisch en de Berbertaal Amazigh over de persoon van Augustinus, die de Algerijnen zo reapproprieren. Ik zag de karakters ook op verkiezingsaffiches en ik bezit een zwaard met een kwaadafwerende inscriptie, die overigens niemand kan lezen.

Lees verder “Het alfabet van Numidië”

Algiers 1830

Ik heb eerder geschreven over de Barbarijse Staten en verteld dat hun reputatie als piraten eigenlijk onverdiend was. Ze deden wél aan kaapvaart, dus het in oorlogstijd beroven van vijandelijke koopvaardijschepen. Dat was lange tijd volkomen normaal; in een ander blogje schreef ik over de joodse kapers die tijdens de Spaanse Successieoorlog namens de Staten-Generaal de Caraïbische wateren onveilig maakten voor Spaanse schepen. Kaapvaart begon als er oorlog uitbrak, was gereguleerd met kapersbrieven en hield op zo gauw er een vredesverdrag was – en zo simpel was het.

Voor de Barbarijse leiders – de Ottomaanse pasja van Tripoli, de Ottomaanse bey van Tunis en de Ottomaanse dey van Algiers – was kaapvaart een verdienmodel, mogelijk doordat er altijd wel ergens een Europese oorlog was waarin men partij kon kiezen. Men beroofde schepen en zette de bemanning in als slaven, net zo lang tot die werden vrijgekocht. Een en ander paste bij het islamitische ideaal dat het geloof moest worden verspreid, maar deze religieuze motivatie was allang ondergeschikt aan de commerciële. Kaapvaart was voor de Barbarijse Staten overigens niet de belangrijkste economische activiteit. Soms leed men er zelfs verlies op, want goedkoop waren de kaapschepen niet, en handel was altijd profijtelijker. Algiers, met de agrarische rijkdom van de Hautes Plaines, leverde bijvoorbeeld graan aan Frankrijk, zodat de twee landen elkaar al in de achttiende eeuw goed kenden.

Lees verder “Algiers 1830”

Algiers 1808

Boutins landkaart van Algiers (noord is rechts)

Begin 1808 stond Napoleon op het hoogtepunt van zijn macht. Hij had de Rijnbond gesticht, hij had bij Jena het onoverwinnelijk geachte Pruisen verslagen, hij had goede hoop met het Continentaal Stelsel de Engelsen eindelijk op de knieën te drukken, hij had met Rusland het vredesverdrag van Tilsit gesloten. Tijd dus om op weg te gaan naar nieuwe veroveringen.

Napoleon liet zijn oog vallen op de Barbarijse Staten, zeg maar het huidige Marokko, Algerije, Tunesië en Libië. Ik blogde er al eens over. Het doel was om de Middellandse Zee tot een Franse binnenzee te maken. Bijkomend voordeel was dat hij zich kon presenteren als bestrijder van de Barbarijse kapers, die christelijke zeelieden gevangen namen en tegen hoge losgelden weer vrij lieten. In april 1808 vroeg Napoleon zijn minister van Marine of er een haven aan de Algerijnse kust was waar een eskader veilig beschermd zou kunnen landen zonder gevaar te lopen te worden aangevallen door een overmacht van vijandelijke schepen. Verder wilde de keizer weten in welk seizoen ziektes het minst te vrezen waren en welk het klimaat het geschiktst was.

Lees verder “Algiers 1808”

De Maghreb in de Middeleeuwen

Maquette van Qal’at Bani Hammad (Museum van Sétif)

Ik heb weleens de indruk dat oudheidkundigen die zich bezighouden met de Lage Landen in de Romeinse tijd, de seizoensmigratie onderschatten. Voor de Maghreb geldt het omgekeerde: er bestaat een neiging om de mobiliteit van de bevolking te overschatten. Heel veel Berbers waren sedentair – en dat al eeuwenlang. De Griekse onderzoeker Herodotos vermeldt het in de vijfde eeuw v.Chr.noot Herodotos, Historiën 4.187.

Het beeld van een grotendeels nomadische bevolking zal in de hand zijn gewerkt doordat een andere Griekse geschiedschrijver, Polybios, de Numidische koning Massinissa presenteert als De Grote Civilisator. Dat “Numidiërs” bedrieglijk veel lijkt op νομάδες zal ook een rol hebben gespeeld. En tot slot: toen de Fransen zich eenmaal van Algerije meester hadden gemaakt, kan het hun wel goed zijn uitgekomen de nadruk te leggen op nomadisme. Dat gold in Europa als minder beschaafd en dus konden de Fransen denken dat ze de bewoners van de Maghreb voor hun eigen bestwil hadden onderworpen. Ik heb eerlijk gezegd geen idee of het echt zo is gegaan, maar zou het me kunnen voorstellen.

Lees verder “De Maghreb in de Middeleeuwen”