Het museum in Malawi. Deze sarcofaag is er tenminste nog. Sommige mummies zijn kapot gemaakt om papyri uit te halen of zijn in brand gestoken.
Napoleon plunderde het Vaticaan en versleepte alle kunstvoorwerpen naar het Louvre. Hitler vorderde kunstwerken voor het Führermuseum in Linz. In Bagdad zaten kunsthandelaren te wachten op de Amerikaanse troepen, zodat ze in de chaos van de bevrijding het museum konden plunderen.
Het was allemaal kinderspel vergeleken bij wat er momenteel gebeurt in het Midden-Oosten. Het plunderen begon tijdens de Arabische Lente in Egypte en Libië. De grote nationale musea in Caïro en Tripoli bleven weliswaar vrijwel onaangeroerd, maar elders zijn in deze landen massaal oudheden geroofd.
Voor toeristen bestaat Libië uit drie delen: de kust, de woestijn en de halfwoestijn. Langs de zee liggen de bekende opgravingen. In het oosten zijn dat de kerkjes van Apollonia, de fenomenale ruïnes van Kyrene, de bizarre reliëfs bij Slonta, de havenstad Ptolemaïs en het Byzantijnse fort Boreum. In het westen zijn dat vooral de Villa Selene en de drie Fenicisch-Romeinse steden Lepcis Magna, Oea (Tripoli) en Sabratha.
Laten we er geen doekjes om winden: wat hier te zien is, is elders in het Middellandse Zee-gebied eveneens te zien. Maak een reis naar West-Turkije en je ziet precies hetzelfde. En vaak beter. Wie echt geïnteresseerd is in de oude wereld, kan beter daarheen gaan.
Omdat ik in mijn museumstukkenreeks al wat aandacht besteedde aan de geplunderde musea van Syrië, is het zinvol ook even te kijken in Libië. Laat je niets wijsmaken: het is ook daar een klerezooi. Zeker, het mooie museum in Tripoli is vrijwel onbeschadigd, maar wat moet een mens daar zien? Mooie standbeelden en mozaïeken, fraai aardewerk: ze hebben het er allemaal. Het is echter niet uniek. Het zou triest zijn geweest als het was geplunderd, zeker, maar soortgelijk materiaal is ook elders te vinden.
Dat ligt anders met het kleine museum van Bani Walid, dat is gewijd aan de vondsten van de Limes Tripolitanus. Dit is een van de bijzonderste projecten uit de Oudheid. Deze sector uit het Romeinse grensgebied, bestaande uit halfwoestijn, lag open voor nomadische aanvallen en viel alleen te verdedigen door de oases te bezetten en te beletten dat de nomaden water konden vinden. Een oase is echter te klein om een garnizoen te voeden, en daarom veranderden de Romeinen het door wadi’s doorsneden, droge landschap door middel van kanaaltjes, dammetjes en cisternen in een vruchtbaar gebied. Hoe succesvol men was, blijkt wel uit het feit dat er in de forten badhuizen stonden, met warmwaterbaden die moesten worden gestookt en die dus houtteelt veronderstellen.
Kerk in Ptolemais (vermoedelijk te jong om die van Synesios te kunnen zijn)
[Dit is de laatste van vijf blogposts over Synesios van Kyrene. De eerste is hier.]
Wie alleen de brieven en preken zou kennen die Synesios, de onwillige bisschop van Ptolemais, schreef na zijn aanvaarding van het kerkelijke ambt, zou niet op het idee komen dat de auteur in zijn hart een heidense filosoof was. Zijn preken bevatten geen doctrinaire vergissingen of onorthodoxe beweringen. Ze zijn hooguit wat ongebruikelijk van opbouw. In een Paaspreek (Homilie 1) waarschuwt hij de gelovigen dat ze zich, nu de Vasten voorbij is, niet plotseling moeten overgeven aan excessief eten en dronkenschap, aangezien “dat het tegen de rede zou indruisen”. Er volgen nog wat bijbelse bewijsplaatsen, maar die wekken vooral de indruk van een gedachte-achteraf.
Een kerk of een tempel? De grens was rond 400 vloeiend. Mozaïek uit Qasr Libya.
[Dit is de vierde van vijf blogposts over Synesios van Kyrene. De eerste is hier.]
Aan deze jaren van oorlogsdreiging, gezinsgeluk en literaire activiteit kwam rond 409 een einde toen Theofilos Synesios uitnodigde bisschop te worden. Het is onduidelijk wat de patriarch van Alexandrië ertoe bracht deze niet bepaald overdreven vurige christen aan te stellen als bisschop. Zeker, het bisschopsambt vergde geen buitengewone spirituele gaven, maar dat wil niet zeggen dat iemand als Synesios een voor de hand liggende keuze was. De priesters en diakens moeten zich gepasseerd hebben gevoeld, en de gelovigen zullen verbaasd zijn geweest, want het was publiek geheim dat de kerkdrempels niet sleten van Synesios’ frequente bezoek.
Ik kreeg een verzoek deel te nemen aan een actie om geld in te zamelen voor het leggen van boeketten bloemen op alle graven in Europa die slechts vermelden “Ein Unbekannter Deutscher Soldat”. Voor zo’n actie valt best iets te zeggen. Ertegen ook.
Om te beginnen: de jonge mannen die in de Wehrmacht dienden, mochten in 1933 niet stemmen. Niet zij hebben Adolf Hitler aan de macht geholpen; ze namen de wapens op omdat hun ouders hun land hadden uitgeleverd aan de nazi’s. Dat maakt de soldaten niet tot willoze slachtoffers, maar nuanceert hun daderschap wel, en ik heb daarom op een van mijn websites aandacht besteed aan “goede Duitsers” in Amsterdam en Lochem. Als zo iemand sneuvelt zonder dat zijn identiteit bekend is, en er nooit familie naar het graf komt, is het niet zo’n gekke gedachte eens een bloemetje te leggen.
Het graf op de foto behoort aan een S.J. Hardingham. De Australische artillerist is op 25 september 1941 gesneuveld bij Tobruk. Ik zou nu willen schrijven “hij was twintig jaar oud”, maar dan zou ik dit stukje beginnen met drie staccato zinnen, zou het accent automatisch komen liggen op de laatste en kortste, en zou ik benadrukken dat de gesneuvelde in feite nog een jongen was. Een cliché.
Een cliché is ook de constatering dat wie schrijft over de dood, merkt dat woorden tekortschieten. Dat is echter niet erg. De ontoereikendheid van onze taal maakt grafschriften aangrijpend. Hier zijn er negen uit Tobruk:
In de afgelopen tien jaar zullen mijn zakenpartner en ik zo’n 80.000 foto’s hebben gemaakt, van de Muur van Hadrianus in Engeland tot Lahore in Pakistan, en van Ghat in Libië tot Mashhad in Iran. Zo’n 50.000 daarvan zijn bruikbaar voor didactische doeleinden, en een groot deel daarvan staat op de Livius-website. Die gaan dus over de Oudheid, maar het beperkt zich daar niet toe.
De versterkte boerderij van Qasr Banat, een van de vele boerderijen langs de Limes Tripolitanus.
[Dit is het vijfde deel van artikel dat oorspronkelijk verscheen in het tijdschriftje dat Livius Onderwijs enige tijd uitgaf, Momentum; het eerste deel verscheen hier.]
De ambitie van keizer Septimius Severus was een krachtige, op zorgvuldig watermanagement gebaseerde grenscultuur, waarin kolonisten voedsel produceerden voor de garnizoenen. In het Zeskeizerjaar 238 bleek het ongelijk van critici als Cassius Dio. Het Derde Derde Augusta, dat de verkeerde pretendent had gesteund, werd ontbonden en de Tripolitaners kwamen er alleen voor te staan. Maar de kolonisten trokken niet weg van de akkers die ze hadden ontgonnen en organiseerden zelfbewust de verdediging van hun eigen land.
Op grote schaal versterkten ze hun huizen, die ze aanduidden als centenaria. Er zijn er ongeveer tweeduizend bekend, herkenbaar aan wat plompe, uit regelmatige stenen gebouwde muren, rechthoekige plattegronden en signaaltorens waarmee ze in contact stonden met andere versterkte boerderijen. Voorbeelden zijn Gheriat esh-Shergia, Qasr Banat en Suq al-Awty. Mochten de Garamanten het land naderen, dan konden de bewoners rekenen op steun van hun buren en van milities in de drie grensforten.
Het vertrek waar de Bu Njem-ostraca zijn gevonden, belangrijke documentatie langs de Limes Tripolitanus.
[Dit is het vierde deel van artikel dat oorspronkelijk verscheen in het tijdschriftje dat Livius Onderwijs enige tijd uitgaf, Momentum; het eerste deel verscheen hier.]
De opgraving van Bu Njem – of Gholaia, zoals het destijds heette – is een van de meest spectaculaire van Libië: half bedekt door het woestijnzand ligt daar een goed bewaard Romeins fort, dat ooit onderdak bood aan een cohort van het Derde Legioen Augusta en een eenheid bereden hulptroepen. Tot de vondsten behoren onder meer 146 op ostraca geschreven rapporten uit de jaren 253-259. Ze bieden een doorkijkje naar het dagelijks leven van de soldaten en maken duidelijk dat, hoe ingrijpend de ‘crisis van de derde eeuw’ elders wellicht ook geweest moge zijn, het er in elk geval in deze grenssector geordend aan toeging.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.